Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.5.3
IV.5.5.3 Relativiteit bij strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460158:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1460, NJ 1996/196, m.nt. Brunner (Staat/Shell), r.o. 3.8.4.
Van Zeben & Du Pon 1981, p. 616; HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, NJ 1995/288, m.nt. Maeijer (Poot/ABP), r.o. 3.4.3.
Sommige auteurs menen dan ook dat bij de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met het ongeschreven recht’ de relativiteitstoets achterwege kan blijven. Grondlegger van deze gedachte is Smits 1938, nr. 3586 e.v., m.n. 3591. Cf. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/135 en 141-144 met verdere verwijzingen.
Zie in deze zin bijvoorbeeld Maeijer in nr. 2 van zijn annotatie bij HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, NJ 1995/288, m.nt. Maeijer (Poot/ABP), “Zie ik het goed, dan is bij deze benadering de betamelijkheidsnorm echter sowieso een relatieve, gebonden aan een bepaalde verhouding tot een of meer bepaalde anderen. Slechts bij schending van de op die verhouding te betrekken en aldus te specificeren zorgvuldigheidsnorm, kan er sprake zijn van onrechtmatigheid. Het relativiteitsvereiste lijkt mij in zoverre door die in acht te nemen specifieke zorgvuldigheidsnorm te worden geabsorbeerd.”.
HR 30 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1460, NJ 1996/196, m.nt. Brunner (Staat/Shell)
De grondslag voor het verhaalsrecht van de Staat voor de saneringskosten van verontreinigde grond was destijds artikel 21 IBS, dat alleen een verhaalsrecht gaf voor de saneringskosten van verontreinigde eigen grond, indien ten tijde van de vervuiling onrechtmatig was gehandeld jegens de overheid. Tegenwoordig zou de aansprakelijkheid gewoon verlopen via artikel 6:162 BW.
HR 24 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0576, NJ 1993/643 (Van Wijngaarden/Staat), r.o. 3.8; HR 24 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1660, NJ 1993/644, m.nt. Brunner; en HR 9 februari 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AC0747, NJ 1991/462, m.nt. Brunner (Staat/Van Amersfoort).
Bij de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met het ongeschreven recht’ is het relativiteitsvereiste nauw verweven met de onrechtmatigheidstoets.1 Voor deze onrechtmatigheidsgrond moet worden beoordeeld welke mate van zorgvuldigheid de aangesprokene in een bepaalde verhouding jegens een ander moet betrachten,2 en om vast te stellen of een concrete gedraging onzorgvuldig is worden de belangen van de benadeelde meegewogen. Omdat de belangen van de benadeelde in de regel al een rol spelen bij de totstandkoming van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, bestaat er overlap met de relativiteitstoets.3 Daarom wordt wel gezegd dat de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm inherent een relatief karakter heeft.4
Volgens vaste jurisprudentie geldt in het kader van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm dat als de aangesprokene een belang van een ander schendt waarop hij niet bedacht behoefde te zijn, dat hij ook niet onzorgvuldig jegens deze ander heeft gehandeld.
De regel dat ongeschreven zorgvuldigheidsnormen uitsluitend strekken ter bescherming van belangen van anderen waarop de dader bedacht had moeten zijn, is afkomstig uit een milieurechtszaak van de Staat tegen Shell inzake bodemverontreiniging.5 Shell liet in de jaren ’50 en ’60 gevaarlijk afval (namelijk de zeer giftige stof drins) storten op een openbare stortplaats in gemeente Gouderak. Op deze stortplaats zou later een woonwijk worden gebouwd. Gemeente Goudenrak had echter – in strijd met de vergunning – nagelaten om Shell te verbieden ‘vloeistoffen als oliën en schadelijke vaste stoffen als chemicaliën’ te (doen) storten, waardoor de gemeente weliswaar wegens overtreding van de vergunning onrechtmatig handelde jegens de Staat, maar Shell niet onrechtmatig handelde jegens de gemeente.
Na verloop van tijd wordt ingezien dat de afvalstoffen die zijn gestort op de stortplaats – waarbovenop later een woonwijk is gebouwd – onaanvaardbare gevaren veroorzaken voor de volksgezondheid en het milieu, en uiteindelijk draait de Staat op voor de saneringskosten. De Staat wil deze kosten verhalen op Shell. Shell heeft echter niet in strijd gehandeld met een tot haar gericht wettelijk voorschrift, en omdat de Staat ook geen eigenaar is van de vervuilde grond heeft Shell ook geen inbreuk gemaakt op een subjectief recht van de Staat. Daarom doet de Staat voor de onrechtmatigheid een beroep op de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van 1401 BW (oud).6 De Staat verwijt Shell dat ze onzorgvuldig om is gegaan met het doen storten van gevaarlijk afval, door de vervoerder niet te informeren over de ernstige gevaren van drinshoudende afvalstoffen voor volksgezondheid en milieu, en niet na te gaan of het afval op verantwoorde wijze zou worden verwerkt.
Of Shell een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden die strekt tot de bescherming van de vermogensbelangen van de Staat, hangt volgens de Hoge Raad ervan af “of de dader anders heeft gehandeld dan hij had moeten doen teneinde geen schade toe te brengen aan een bepaald belang van een ander dat hij had behoren te ontzien, waartoe dan ook mede is vereist dat hij dat belang kende of had behoren te kennen. Dergelijke normen strekken aldus uitsluitend ter bescherming van belangen van anderen waarop de dader bedacht moest zijn. Schendt hij een belang van een ander waarop hij niet bedacht behoefde te zijn, dan is derhalve niet voldaan aan het relativiteitsvereiste (..).” Zodoende rijst de vraag of Shell had moeten begrijpen dat door aldus te handelen de Staat kosten zou maken voor het saneren van de grond. Uit eerdere jurisprudentie7 volgt dat pas midden in de jaren zeventig voor ondernemers voldoende duidelijk behoorde te zijn dat de rijksoverheid naar aanleiding van ernstige bodemverontreiniging metterdaad tot actie zou overgaan en daardoor voor saneringskosten zou komen te staan. Omdat Shell op het moment van storten nog niet bekend behoefde te zijn met dit belang van de Staat, loopt de vordering vast op relativiteit.