Procestaal: Spaans.
HvJ EU, 18-12-2025, nr. C-323/24
ECLI:EU:C:2025:983
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
18-12-2025
- Magistraten
K. Jürimäe, K. Lenaerts, F. Schalin, M. Gavalec, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-323/24
- Conclusie
N. emiliou
- Roepnaam
Deity Shoes
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:983, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 18‑12‑2025
ECLI:EU:C:2025:465, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑06‑2025
Uitspraak 18‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Intellectuele eigendom — Gemeenschapsmodellen — Verordening (EG) nr. 6/2002 — Artikelen 4 tot en met 6 en 14 — Voorwaarden waaronder het model wordt beschermd — Nieuwheid — Eigen karakter — Vooraf door een derde bepaalde uiterlijke kenmerken — Vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model — Begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ — Invloed van kenmerken die aan modetrends zijn verbonden
K. Jürimäe, K. Lenaerts, F. Schalin, M. Gavalec, Z. Csehi
Partij(en)
In zaak C-323/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil n.º 1 de Alicante (handelsrechtbank nr. 1 Alicante, Spanje) bij beslissing van 13 december 2023, ingekomen bij het Hof op 2 mei 2024, in de procedure
Deity Shoes, S.L.
tegen
Mundorama Confort, S.L.,
Stay Design, S.L.,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin (rapporteur), M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Deity Shoes, S.L., vertegenwoordigd door J. E. Martín Álvarez, abogado, en P. Moxica Pruneda, procurador,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Manzaneque Valverde en P. Němečková als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 juni 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4 tot en met 6 van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1), gelezen in het licht van artikel 14 van die verordening.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding dat speelt tussen Deity Shoes, S.L. enerzijds en Mundorama Confort, S.L. en Stay Design, S.L. anderzijds en dat betrekking heeft op een vordering wegens inbreuk op ingeschreven en niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen voor diverse schoenmodellen, alsook op een reconventionele vordering tot nietigverklaring van deze modellen.
Toepasselijke bepalingen
3
Verordening nr. 6/2002 is gewijzigd bij verordening (EU) 2024/2822 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 (PB L, 2024/2822). Gelet op de datum van de feiten in het hoofdgeding moet voor deze prejudiciële verwijzing echter worden gekeken naar de oorspronkelijke versie van verordening nr. 6/2002.
4
De overwegingen 7, 14 en 19 van verordening nr. 6/2002 luiden als volgt:
- ‘(7)
Een betere bescherming van industriële vormgeving bevordert niet alleen de bijdrage van individuele ontwerpers aan de vooraanstaande rol van de [Unie] op dit gebied, maar moedigt […] ook innovatie, ontwikkeling van nieuwe voortbrengselen en investering in de productie ervan aan.
[…]
- (14)
Het criterium voor de beoordeling van het eigen karakter van een model moet het duidelijke verschil zijn tussen de algemene indruk die wordt gewekt bij een geïnformeerde gebruiker die het model bekijkt, en die welke bij hem wordt gewekt door het vormgevingserfgoed, met inachtneming van de aard van het voortbrengsel waarop het model wordt toegepast of waarin het is verwerkt en in het bijzonder van de bedrijfstak waarmee het verbonden is en de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.
[…]
- (19)
Men zou een gemeenschapsmodel slechts moeten kunnen doen gelden indien het model nieuw is en het een eigen karakter vertoont ten opzichte van andere modellen.’
5
Volgens de definities in artikel 3 van deze verordening wordt onder het begrip ‘model’ verstaan ‘de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan, die wordt afgeleid uit de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan’.
6
Artikel 4 van die verordening heeft als opschrift ‘Beschermingsvoorwaarden’ en bepaalt in lid 1:
‘Een model wordt als gemeenschapsmodel beschermd voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft.’
7
Artikel 5 van de verordening heeft als opschrift ‘Nieuwheid’ en luidt:
- ‘1.
Een model wordt als nieuw beschouwd, indien geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld:
- a)
bij een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld;
- b)
bij een ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum van indiening van de aanvrage om inschrijving van het model waarvoor bescherming wordt gevraagd of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang.
- 2.
Modellen worden geacht identiek te zijn, indien de kenmerken ervan slechts in onbelangrijke details verschillen.’
8
Artikel 6 van verordening nr. 6/2002 draagt het opschrift ‘Eigen karakter’ en luidt:
- ‘1.
Een model wordt geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld:
- a)
bij een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld;
- b)
bij een ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum van indiening van de aanvrage om inschrijving of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang.
- 2.
Bij de beoordeling van het eigen karakter wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.’
9
Artikel 14 van die verordening draagt het opschrift ‘Recht op het gemeenschapsmodel’ en bepaalt in lid 1:
‘Het recht op het gemeenschapsmodel komt toe aan de ontwerper of zijn rechtverkrijgende.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10
Deity Shoes is houdster van verschillende gemeenschapsmodellen voor schoeisel. Haar modellen worden bepaald op basis van catalogi die worden verstrekt door Chinese handelsondernemingen en het mogelijk maken om volgens vooraf vastgestelde lijsten verschillende onderdelen van schoenen te personaliseren, zoals de kleur, het materiaal en de plaats van gespen, veters en andere decoratieve elementen.
11
Op 10 december 2021 heeft Deity Shoes bij de Juzgado de lo Mercantil n.o 1 de Alicante (handelsrechtbank nr. 1 Alicante, Spanje), de verwijzende rechter, tegen Mundorama Confort en Stay Design een vordering ingesteld wegens inbreuk op diverse ingeschreven en niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen voor verschillende schoenmodellen.
12
Op 12 april 2022 hebben Mundorama Confort en Stay Design een reconventionele vordering tot nietigverklaring van die modellen ingesteld. Zij voeren aan dat er bij de aan de orde zijnde modellen geen sprake is van innovatie, aangezien Deity Shoes zich beperkt tot de verkoop van producten die door Chinese handelsondernemingen worden aangeboden. Volgens hen voldoen die modellen niet aan de voorwaarden met betrekking tot nieuwheid en eigen karakter van respectievelijk de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 6/2002.
13
Op 24 mei 2022 heeft Deity Shoes op de ingestelde tegenvordering geantwoord.
14
De verwijzende rechter merkt om te beginnen op dat de uiterlijke kenmerken van de door Deity Shoes verkochte modellen voor het merendeel vooraf worden bepaald door de modellen die worden aangeboden door haar leveranciers, de Chinese handelsondernemingen, waardoor de aanpassingen aan die modellen slechts ad hoc en bijkomend zijn. Bovendien is het zo dat die handelsondernemingen ook de betrokken aanpassingen voorstellen op basis van onderdelen die in hun catalogi staan vermeld.
15
Bijgevolg vraagt deze rechter zich af onder welke voorwaarden een model dat het resultaat is van een dergelijk creatief proces, in aanmerking komt voor de door verordening nr. 6/2002 aan gemeenschapsmodellen geboden bescherming. Met andere woorden, hij stelt zich de vraag of het model, om deze bescherming te kunnen genieten, het resultaat moet zijn van een echte ontwerpactiviteit die voortvloeit uit een bepaalde intellectuele inspanning van de houder van dat model.
16
Vervolgens wijst de verwijzende rechter erop dat Deity Shoes actief is in een sector waarin prijs en volume een belangrijke rol spelen, zodat de handelingsruimte van ontwerpers beperkt is. Aangezien elke verandering of aanpassing aan de ontwerpen in de catalogi van de leveranciers tot een stijging van de kosten leidt, is er voor een onderneming als Deity Shoes namelijk geen prikkel om wezenlijke veranderingen aan te brengen aan de in die catalogi opgenomen basismodellen voor schoenen.
17
Ten slotte merkt hij op dat de door Deity Shoes aangeboden modellen de bekende modetrends volgen, waardoor zij in grote hoeveelheden en tegen lage prijzen op de markt van de Europese Unie kunnen worden verkocht, zonder dat er in innovatie hoeft te worden geïnvesteerd.
18
De verwijzende rechter vraagt zich dus af of modetrends ook kunnen worden geacht de vrijheid van ontwerpers zodanig te beperken dat kleine verschillen tussen een of meer oudere modellen en het model in kwestie voldoende zijn om te bewerkstelligen dat dat model bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt, waardoor het een eigen karakter heeft in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002.
19
Tegen deze achtergrond heeft de Juzgado de lo Mercantil n.o 1 de Alicante de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet er, opdat een model onder de beschermingsregeling van verordening [nr. 6/2002] valt, sprake zijn van een echte ontwerpactiviteit, in die zin dat het model het resultaat is van de intellectuele inspanning van de ontwerper ervan? Kan een combinatie van onderdelen gebaseerd op modellen waarvan de uiterlijke kenmerken voor het merendeel vooraf zijn bepaald door handelsondernemingen, zodat aanpassingen van bepaalde kenmerken moeten worden aangemerkt als ad hoc en bijkomend, in dit verband worden beschouwd als een echte ontwerpactiviteit?
- 2)
Kunnen in deze context alle of enkele uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die het resultaat zijn van de aanpassing van overeenkomstig de catalogi van Chinese handelsondernemingen door die ondernemingen aangeboden modellen worden geacht een ‘eigen karakter’ te hebben in de zin van artikel 6 van verordening [nr. 6/2002], wanneer de activiteit van de houder van het model ertoe beperkt is die modellen zonder aanpassingen of met specifieke aanpassingen van onderdelen (zoals zolen, klinknagels, veters, gespen enzovoort) in de [Europese Economische Ruimte (EER)] in de handel te brengen en de uiterlijke kenmerken voor het grootste deel vooraf door de handelsondernemingen zijn bepaald? Is het in dit verband van belang dat ook deze onderdelen niet zijn ontworpen door de [houder van het gemeenschapsmodel], maar dat het gaat om onderdelen die door de handelsonderneming worden aangeboden in haar catalogus?
- 3)
Moet artikel 14 van verordening [nr. 6/2002] aldus worden uitgelegd dat een persoon als ontwerper van een model kan worden beschouwd wanneer die persoon aan de hand van een door een handelsonderneming in een catalogus aangeboden model, alleen aanpassingen heeft gedaan aan dat oudere model door onderdelen aan te passen die eveneens door de handelsonderneming worden aangeboden en die niet door de [houder van het gemeenschapsmodel] zijn ontworpen? Moet een bepaalde mate van aanpassing worden aangetoond, als bewijs dat de uiteindelijke vorm significant afwijkt van het oorspronkelijke model om in dit verband als ontwerper te kunnen worden aangemerkt?
- 4)
Moet in een geval als het onderhavige, onverminderd het voorgaande en gelet op de bijzondere kenmerken van schoeisel dat is ontworpen op basis van staalboeken van handelsondernemingen en voor zover de ‘ontwerpactiviteit’ zich beperkt tot het selecteren van bestaande modellen uit een staalboek en het eventueel wijzigen van sommige onderdelen daarvan op basis van de catalogus van de [handelsonderneming] en van modetrends, worden aangenomen dat die modetrends: a) de vrijheid van de ontwerper zodanig beperken dat kleine verschillen tussen het ingeschreven (of niet-ingeschreven) model en een ander model kunnen volstaan om een andere algemene indruk te wekken, dan wel b) zodanig afbreuk doen aan het eigen karakter van het ingeschreven (of niet-ingeschreven) model dat de betrokken elementen of onderdelen, voor zover zij voortvloeien uit bekende modetrends, van beperkt belang zijn voor de algemene indruk die zij bij de geïnformeerde gebruiker wekken in vergelijking met een ander model?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en derde prejudiciële vraag
20
Om te beginnen moet erop worden gewezen dat de omstandigheid dat de verwijzende rechter in zijn derde vraag formeel alleen heeft verwezen naar artikel 14 van verordening nr. 6/2002, het Hof niet belet om hem alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak, ongeacht of hij er in zijn vraag melding van maakt (zie in die zin arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 26, en 29 juli 2024, Alchaster, C-202/24, EU:C:2024:649, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
In dit verband blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter twijfels heeft over de reikwijdte van de voorwaarden voor bescherming van een model, zoals die in artikel 4 van verordening nr. 6/2002 zijn neergelegd. Meer in het bijzonder wenst hij meer duidelijkheid te verkrijgen over de in artikel 5 van die verordening genoemde voorwaarde dat het model nieuw is, en over de in artikel 6 van de verordening gestelde voorwaarde dat het model een eigen karakter heeft. In deze context vraagt deze rechter zich met name af of, om te kunnen worden erkend als ‘ontwerper’ in de zin van artikel 14 van die verordening, een bepaalde mate van aanpassing moet worden aangetoond, zodat kan worden vastgesteld dat de uiteindelijke verschijningsvorm van het model aanzienlijk verschilt van het oudere model dat in de catalogus van de handelsonderneming is opgenomen.
22
In die omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste en zijn derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of verordening nr. 6/2002, in het bijzonder de artikelen 4 tot en met 6 juncto artikel 14 van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat, om de bescherming te genieten die een gemeenschapsmodel krijgt, de houder of ontwerper van een model niet alleen moet aantonen dat aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter is voldaan, maar ook dat het model het resultaat is van een minimum aan creatieve activiteit.
23
Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat in artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002 een model wordt gedefinieerd als ‘de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan, die wordt afgeleid uit de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan’. Hieruit volgt dat, in het kader van de regeling die bij verordening nr. 6/2002 is vastgesteld, de verschijningsvorm het doorslaggevende element van een model is (arrest van 28 oktober 2021, Ferrari, C-123/20, EU:C:2021:889, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24
In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat uit artikel 4, lid 1, van verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met overweging 19 van die verordening, voortvloeit dat een model slechts als gemeenschapsmodel wordt beschermd voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft.
25
Wat de eerste voorwaarde betreft, namelijk dat het model nieuw is, zij eraan herinnerd dat artikel 5, lid 1, van verordening nr. 6/2002 bepaalt dat een model als nieuw wordt beschouwd indien geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld, bij een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt gevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld of, bij een ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum van indiening van de aanvraag om inschrijving van het model waarvoor bescherming wordt gevraagd of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang.
26
Wat de tweede voorwaarde betreft, namelijk dat het model een eigen karakter heeft, blijkt uit overweging 14 van verordening nr. 6/2002 dat het criterium voor de beoordeling van dat karakter het duidelijke verschil is tussen de algemene indruk die wordt gewekt bij een geïnformeerde gebruiker die het model bekijkt, en die welke bij hem wordt gewekt door het vormgevingserfgoed, met inachtneming van de aard van het voortbrengsel waarop het model wordt toegepast of waarin het is verwerkt en in het bijzonder van de bedrijfstak waarmee het verbonden is en de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model. Artikel 6, lid 1, van deze verordening bepaalt dan ook dat een model wordt geacht te voldoen aan deze voorwaarde indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld. Bij de beoordeling van het eigen karakter moet volgens artikel 6, lid 2, van die verordening rekening worden gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.
27
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat, afhankelijk van de mate van vrijheid die een ontwerper heeft om de verschijningsvorm van een voortbrengsel te ontwikkelen en rekening houdend met de technische beperkingen die spelen, een grotere of kleinere mate van differentiatie nodig is om vast te stellen dat het model bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt. Wanneer de vrijheid van de ontwerper wordt beperkt door een groot aantal uiterlijke kenmerken van het betrokken voortbrengsel of van het betrokken gedeelte ervan die uitsluitend worden bepaald door de technische functie van dat voortbrengsel of dit gedeelte van een voortbrengsel, kan de aanwezigheid van kleine verschillen tussen de conflicterende modellen dus volstaan om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken [zie in die zin arrest van 4 september 2025 LEGO (Begrip geïnformeerde gebruiker van een model), C-211/24, EU:C:2025:648, punt 52].
28
Door in artikel 6, lid 2, van verordening nr. 6/2002 te verwijzen naar de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model, heeft de Uniewetgever ervoor willen zorgen dat er met die mate van vrijheid rekening wordt gehouden bij de beoordeling van de door het model gewekte algemene indruk, aangezien de mate van vrijheid kan worden beperkt door technische of wettelijke eisen. Deze wetgever heeft daarentegen niet vereist dat, om de bescherming te genieten die de artikelen 4 tot en met 6 van die verordening bieden, er niet alleen wordt aangetoond dat aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter is voldaan, maar ook dat het model het resultaat is van een minimum aan creatieve activiteit.
29
Zoals de advocaat-generaal in de punten 22 en 23 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verschilt de bescherming van een model op dit punt van die van ‘werken’ in de zin van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10). Terwijl het begrip ‘werk’ impliceert dat het betrokken voorwerp oorspronkelijk is en de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt door uitdrukking te geven aan zijn vrije en creatieve keuzen, heeft modelbescherming namelijk tot doel voorwerpen te beschermen die niet alleen nieuw en geïndividualiseerd zijn, maar daarnaast ook een utilitair karakter hebben en bedoeld zijn om op grote schaal te worden geproduceerd (zie in die zin arrest van 12 september 2019, Cofemel, C-683/17, EU:C:2019:721, punten 29, 30 en 50).
30
Zoals de advocaat-generaal in de punten 25 en 26 van zijn conclusie heeft opgemerkt, houden de twee in punt 24 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden dus alleen in dat het model waarvoor bescherming als gemeenschapsmodel wordt aangevraagd, wordt vergeleken met het vormgevingserfgoed, aangezien de regeling voor gemeenschapsmodellen gebaseerd is op de algemene indruk die het voortbrengsel bij een geïnformeerde gebruiker wekt, en niet op de vraag of er sprake is van een minimum aan creatieve activiteit.
31
Hieruit volgt dat uit de artikelen 4 tot en met 6 van verordening nr. 6/2002 niet blijkt dat voor de door deze verordening geboden bescherming andere, aanvullende voorwaarden worden gesteld, zoals de voorwaarde dat moet worden aangetoond dat er sprake is van een minimum aan creatieve activiteit.
32
In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het feit dat volgens artikel 14, lid 1, van die verordening het recht op het gemeenschapsmodel toekomt aan de ‘ontwerper’ of zijn rechtverkrijgende, niet aldus kan worden uitgelegd dat de Uniewetgever een aanvullende voorwaarde om de door de artikelen 4 tot en met 6 van de verordening geboden bescherming te genieten, heeft willen invoeren, namelijk aantonen dat er sprake is van een minimum aan creatieve activiteit. Zoals de advocaat-generaal in punt 31 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de term ‘ontwerper’ in lid 1 van artikel 14 van verordening nr. 6/2002 immers alleen relevant om te bepalen welke persoon of entiteit zich kan beroepen op de bescherming van het gemeenschapsmodel.
33
Gelet op een en ander dient op de eerste en de derde vraag te worden geantwoord dat verordening nr. 6/2002, in het bijzonder de artikelen 4 tot en met 6 juncto artikel 14 van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat, om de bescherming te genieten die een gemeenschapsmodel krijgt, de houder of ontwerper van een model naast het feit dat aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter is voldaan, niet hoeft aan te tonen dat het model het resultaat is van een minimum aan creatieve activiteit.
Tweede en vierde vraag
34
Met zijn tweede en zijn vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6 van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat modellen uiterlijke kenmerken vertonen die vooraf zijn bepaald op basis van een model dat in de catalogus van een leverancier aan de ontwerper van die modellen wordt aangeboden, en dat de door de ontwerper aan die modellen aangebrachte aanpassingen slechts ad hoc zijn en betrekking hebben op door die leverancier aangeboden onderdelen, op zichzelf in de weg kan staan aan de erkenning van het eigen karakter van die modellen in de zin van dat artikel.
35
In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich voorts af of artikel 6 van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat modetrends de mate van vrijheid van de ontwerper zodanig kunnen beperken dat kleine verschillen tussen een of meer oudere modellen en het aan de orde zijnde model voldoende kunnen zijn om ervoor te zorgen dat dit model bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt dan die welke door die oudere modellen wordt gewekt, en dus een eigen karakter heeft in de zin van dat artikel, dan wel of de uit dergelijke trends voortvloeiende kenmerken van een model juist van minder belang zijn voor de algemene indruk die dat model bij de geïnformeerde gebruiker wekt.
36
Wat in de eerste plaats de beoordeling van het eigen karakter van het gemeenschapsmodel in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002 betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat dit artikel aldus moet worden uitgelegd dat een model slechts kan worden geacht een eigen karakter te hebben indien de algemene indruk die dat model bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij diezelfde gebruiker wordt gewekt niet door een combinatie van afzonderlijke kenmerken van meerdere oudere modellen, maar door een of meer individueel beschouwde oudere modellen (arrest van 28 oktober 2021, Ferrari, C-123/20, EU:C:2021:889, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Het Hof heeft dus opgemerkt dat het begrip ‘eigen karakter’ in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002 niet ziet op de verhouding tussen het model van een voortbrengsel en de modellen van de delen waaruit dat voortbrengsel bestaat, maar op de verhouding tussen deze modellen en andere, oudere modellen (arrest van 28 oktober 2021, Ferrari, C-123/20, EU:C:2021:889, punt 47).
38
Hieruit volgt dat een gemeenschapsmodel kan bestaan uit verschillende oudere modellen wanneer het daaruit voortvloeiende model, afzonderlijk beschouwd, bij de geïnformeerde gebruiker niet dezelfde algemene indruk wekt als die welke door die oudere modellen wordt gewekt. Dit wordt ook bevestigd door het feit dat het voor de bescherming die een gemeenschapsmodel krachtens verordening nr. 6/2002 krijgt, niet is vereist, zoals blijkt uit punt 33 van het onderhavige arrest, dat de houder of ontwerper van het model, naast het feit dat aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter is voldaan, ook aantoont dat dit model het resultaat is van een minimum aan creatieve activiteit.
39
Bijgevolg kan het feit dat — zoals in het hoofdgeding het geval is — de aan de orde zijnde modellen uiterlijke kenmerken vertonen die vooraf zijn bepaald op basis van de modellen die in de catalogi van de leveranciers aan de ontwerper van de aan de orde zijnde modellen worden aangeboden, en dat de door de ontwerper aan deze modellen aangebrachte aanpassingen slechts ad hoc zijn en betrekking hebben op door die leveranciers aangeboden onderdelen, op zichzelf niet in de weg staan aan de erkenning van het eigen karakter van die modellen in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002.
40
In de tweede plaats rijst de vraag of in een dergelijke context modetrends de mate van vrijheid van de ontwerper zodanig kunnen beïnvloeden dat kleine verschillen tussen een of meer oudere modellen en het aan de orde zijnde model voldoende kunnen zijn om ervoor te zorgen dat dit model bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt dan die welke door die oudere modellen wordt gewekt, dan wel of de onderdelen die uit dergelijke trends voortvloeien juist van minder belang zijn voor de algemene indruk die bij de geïnformeerde gebruiker wordt gewekt.
41
Zoals volgt uit punt 27 van het onderhavige arrest kan, wanneer de vrijheid van de ontwerper wordt beperkt door een groot aantal uiterlijke kenmerken van het betrokken voortbrengsel of van het betrokken gedeelte ervan die uitsluitend worden bepaald door de technische functie van dat voortbrengsel of dit gedeelte van een voortbrengsel, de aanwezigheid van kleine verschillen tussen de conflicterende modellen volstaan om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken [zie in die zin arrest van 4 september 2025, LEGO (Begrip geïnformeerde gebruiker van een model), C-211/24, EU:C:2025:648, punt 52].
42
In dit verband moet, in navolging van de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie, worden opgemerkt dat kenmerken die aan modetrends zijn verbonden verschillen van kenmerken die zijn verbonden aan de technische functie van het voortbrengsel of de toepasselijke wettelijke voorschriften in zoverre dat die laatste zowel onvermijdelijk als permanent of duurzaam zijn.
43
Het is namelijk de aard van mode dat deze niet blijvend is, maar zich juist ontwikkelt in het tempo van zowel visuele als technologische innovaties. Bovendien kunnen modetrends niet worden beschouwd als onvermijdelijk in die zin dat zij noodzakelijkerwijs de kenmerken van een voortbrengsel vooraf bepalen en dat een ontwerper niet innovatief kan zijn om daarvan af te wijken.
44
Verder kunnen dergelijke trends niet worden beschouwd als een beperking van de vrijheid van de ontwerper, aangezien juist die vrijheid hem in staat stelt om nieuwe vormen en trends te ontdekken of om te innoveren binnen een bestaande trend.
45
Derhalve dient te worden geoordeeld dat modetrends de mate van vrijheid van de ontwerper niet zodanig beperken dat kleine verschillen tussen een of meer oudere modellen en het aan de orde zijnde model voldoende kunnen zijn om ervoor te zorgen dat dit model bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt dan die oudere modellen.
46
In deze omstandigheden moet nog worden nagegaan of de onderdelen van een model die voortvloeien uit modetrends, van invloed kunnen zijn op de perceptie die een geïnformeerde gebruiker van deze onderdelen heeft, in die zin dat hij zich door zijn kennis van de betrokken sector ervan bewust is dat die onderdelen veelal deel uitmaken van de modellen in deze sector en er daarom minder aandacht aan besteedt.
47
Het Hof heeft in dit verband reeds voor recht verklaard dat het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’, dat in verordening nr. 6/2002 niet is gedefinieerd, aldus kan worden opgevat dat het betrekking heeft op een gebruiker die niet slechts gemiddeld, maar in hoge mate aandachtig is, hetzij door zijn persoonlijke ervaring, hetzij door zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector (arrest van 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles, C-361/15 P en C-405/15 P, EU:C:2017:720, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Bovendien suggereert het bijvoeglijke naamwoord ‘geïnformeerde’ dat de gebruiker, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij het gebruik ervan (arrest van 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles, C-361/15 P en C-405/15 P, EU:C:2017:720, punt 125 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
In casu kan de omstandigheid dat de verschillen tussen de litigieuze modellen en de oudere modellen gebaseerd zijn op modetrends, de geïnformeerde gebruiker in beginsel niet minder oplettend maken. Zoals uit de voorgaande overwegingen blijkt, heeft een dergelijke gebruiker immers juist door zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector een vrij hoog aandachtsniveau.
50
Het is juist dat het feit dat bepaalde onderdelen alomtegenwoordig zijn op de betrokken markt doordat zij het resultaat zijn van wijdverbreide trends of doordat veel leveranciers identieke onderdelen aanbieden, van invloed kan zijn op de esthetische perceptie van een model of zelfs op het commerciële succes van het voortbrengsel waarin dat model is verwerkt.
51
Die overweging is echter niet relevant bij de beoordeling van het eigen karakter van een model, waarbij wordt nagegaan of de door dit model gewekte algemene indruk verschilt van de algemene indruk die wordt gewekt door de eerder ter beschikking gestelde modellen, los van esthetische of commerciële overwegingen.
52
Hieruit volgt dat de kenmerken van een model die voortvloeien uit modetrends, niet op zichzelf van minder belang zijn voor de algemene indruk die dat model bij de geïnformeerde gebruiker wekt.
53
Om te bepalen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen een ‘eigen karakter’ hebben in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002, is het dus aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de verschillen tussen deze modellen en de oudere modellen voldoende groot zijn om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken dan wel slechts betrekking hebben op onbeduidende details.
54
Gelet op een en ander dient op de tweede en de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 6 van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat modellen uiterlijke kenmerken vertonen die vooraf zijn bepaald op basis van een model dat in de catalogus van een leverancier aan de ontwerper van die modellen wordt aangeboden, en dat de door de ontwerper aan die modellen aangebrachte aanpassingen slechts ad hoc zijn en betrekking hebben op door die leverancier aangeboden onderdelen, op zichzelf niet in de weg kan staan aan de erkenning van het eigen karakter van die modellen in de zin van dat artikel. Voorts kunnen modetrends de mate van vrijheid van de ontwerper niet zodanig beperken dat kleine verschillen tussen een of meer oudere modellen en het aan de orde zijnde model voldoende kunnen zijn om ervoor te zorgen dat dit model bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt dan die welke door die oudere modellen wordt gewekt, en dus een eigen karakter heeft. De uit modetrends voortvloeiende kenmerken van een model zijn op zichzelf niet van minder belang voor de algemene indruk die dat model bij een dergelijke gebruiker wekt.
Kosten
55
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen, in het bijzonder de artikelen 4 tot en met 6 juncto artikel 14 van deze verordening,
moet aldus worden uitgelegd dat,
om de bescherming te genieten die een gemeenschapsmodel krijgt, de houder of ontwerper van een model naast het feit dat aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter is voldaan, niet hoeft aan te tonen dat het model het resultaat is van een minimum aan creatieve activiteit.
- 2)
Artikel 6 van verordening nr. 6/2002
moet aldus worden uitgelegd dat
- —
het feit dat modellen uiterlijke kenmerken vertonen die vooraf zijn bepaald op basis van een model dat in de catalogus van een leverancier aan de ontwerper van die modellen wordt aangeboden, en dat de door de ontwerper aan die modellen aangebrachte aanpassingen slechts ad hoc zijn en betrekking hebben op door die leverancier aangeboden onderdelen, op zichzelf niet in de weg kan staan aan de erkenning van het eigen karakter van die modellen in de zin van dat artikel;
- —
het voorts zo is dat modetrends de mate van vrijheid van de ontwerper niet zodanig kunnen beperken dat kleine verschillen tussen een of meer oudere modellen en het aan de orde zijnde model voldoende kunnen zijn om ervoor te zorgen dat dit model bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt dan die welke door die oudere modellen wordt gewekt, en dus een eigen karakter heeft. De uit modetrends voortvloeiende kenmerken van een model zijn op zichzelf niet van minder belang voor de algemene indruk die dat model bij een dergelijke gebruiker wekt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑12‑2025
Conclusie 19‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Intellectuele en industriële eigendom — Gemeenschapsmodellen — Verordening (EG) nr. 6/2002 — Artikel 4 — Voorwaarden voor bescherming van een model — Nieuwheid — Eigen karakter — Door een derde vooraf vastgestelde visuele kenmerken — Aanpassing van onderdelen die in een bestaande catalogus worden aangeboden — Vereiste mate van aanpassing — Vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model — Mogelijkheid om de uiterlijke kenmerken van een op basis van bekende modetrends vervaardigd voortbrengsel geheel of gedeeltelijk te beschermen
N. emiliou
Partij(en)
Zaak C-323/241.
Deity Shoes, S.L.
tegen
Mundorama Confort, S.L.,
Stay Design, S.L.
[verzoek van Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante (handelsrechter nr. 1, Alicante, Spanje) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
‘These boots are made for walkin’ and that's just what they'll do.'2. In de rechtspraak van het Gerecht over de uitlegging van verordening (EG) nr. 6/20023. wordt algemeen aanvaard dat de vrijheid van de ontwerper van een voortbrengsel (bijvoorbeeld een schoen) wordt beperkt door de technische functie van dat voortbrengsel (bijvoorbeeld het feit dat een schoen aan een voet moet passen en geschikt moet zijn voor een bepaald doel, zoals lopen of rennen), alsook door wettelijke voorschriften die voor het voortbrengsel gelden en die tot een standaardisering van bepaalde kenmerken ervan leiden.4. In het onderhavige geval komt onder meer de volgende vraag aan de orde: wordt die vrijheid ook door modetrends beperkt?
2.
Het hoofdgeding betreft drie vennootschappen in de schoenenbranche, respectievelijk Deity Shoes S.L. aan de ene kant, en Mundorama Confort S.L. en Stay Design S.L. aan de andere kant. Deity Shoes stelt dat de andere twee vennootschappen inbreuk hebben gemaakt op haar gemeenschapsmodellen voor diverse schoenmodellen (hierna: ‘litigieuze modellen’). Mundorama Confort en Stay Design hebben een tegenvordering ingebracht houdende dat de litigieuze modellen nietig zijn, aangezien zij zijn gebaseerd op bestaande, in de catalogi van de leveranciers van Deity Shoes getoonde modellen, waarvan zij zich slechts onderscheiden in minder belangrijke opzichten die verband houden met aanpassingen van bijvoorbeeld de zool, de veters of de gespen, die beïnvloed worden door de laatste modetrends. Volgens hen zijn de litigieuze modellen dus niet het resultaat van een ‘echte ontwerpactiviteit’, ‘intellectuele inspanning’ of innovatie.
3.
Met zijn vragen verzoekt de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante (handelsrechter nr. 1, Alicante, Spanje) het Hof van Justitie in wezen te bepalen of een model in die omstandigheden nog bescherming als een ingeschreven of niet-ingeschreven5. gemeenschapsmodel krachtens verordening nr. 6/2002 kan genieten. Hij vraagt zich voorts af of modetrends de vrijheid van een ontwerper zodanig kunnen beperken dat kleine verschillen tussen een of meer oudere modellen en het model in kwestie voldoende zijn om te bewerkstelligen dat dat model een andere algemene indruk wekt dan een of meer oudere modellen, waardoor dat model dus een ‘eigen karakter’ heeft in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002.
II. Toepasselijke bepalingen
4.
Artikel 4 van verordening nr. 6/2002, met als opschrijft ‘Beschermingsvoorwaarden’, bepaalt het volgende:
- ‘1.
Een model wordt als gemeenschapsmodel beschermd voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft.
[…]’
5.
Artikel 5 van deze verordening, met als opschrift ‘Nieuwheid’, luidt als volgt:
- ‘1.
Een model wordt als nieuw beschouwd, indien geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld:
- a)
bij een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld;
- b)
bij een ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum van indiening van de aanvrage om inschrijving van het model waarvoor bescherming wordt gevraagd of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang.
- 2.
Modellen worden geacht identiek te zijn, indien de kenmerken ervan slechts in onbelangrijke details verschillen.’
6.
Overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 6/2002, met als opschrift ‘Eigen karakter’, geldt:
- ‘1.
Een model wordt geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld:
- a)
bij een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld;
- b)
bij een ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum van indiening van de aanvrage om inschrijving of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang.
- 2.
Bij de beoordeling van het eigen karakter wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.’
7.
Artikel 10 van die verordening, met als opschrift ‘Draagwijdte van de bescherming’, luidt:
- ‘1.
De door een gemeenschapsmodel verleende bescherming omvat elk model dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt.
- 2.
Bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.’
8.
In artikel 14 van verordening nr. 6/2002, met als opschrift ‘Recht op het gemeenschapsmodel’, wordt het volgende bepaald:
- ‘1.
Het recht op het gemeenschapsmodel komt toe aan de ontwerper of zijn rechtverkrijgende.
[…]’
9.
Artikel 25 van die verordening, met als opschrift ‘Nietigheidsgronden’, schrijft het volgende voor:
- ‘1.
Een gemeenschapsmodel kan slechts in de volgende gevallen nietig worden verklaard:
- a)
het model stemt niet overeen met de omschrijving van artikel 3, onder a);
- b)
het beantwoordt niet aan de voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9;
- c)
de houder van het recht kan krachtens een rechterlijke beslissing geen aanspraak op het gemeenschapsmodel maken uit hoofde van artikel 14;
[…]’
III. Feiten, procedure voor het Hof en prejudiciële vragen
10.
Op 10 december 2021 heeft Deity Shoes bij de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante een vordering ingesteld tegen Mundorama Confort en Stay Design. Zij heeft gesteld dat er sprake is van een inbreuk op de litigieuze modellen.
11.
Op 12 april 2022 hebben Mundorama Confort en Stay Design een reconventionele vordering tot nietigverklaring van die modellen ingesteld.6.
12.
In het bijzonder hebben die vennootschappen aangevoerd dat er bij de ontwikkeling van de litigieuze modellen geen sprake was van innovatie of ‘echte ontwerpactiviteit’ en dat die modellen niet het resultaat waren van enige ‘intellectuele inspanning’. Afgezien van enkele aangepaste elementen (bijvoorbeeld de kleur, bepaalde materialen, de plaats van de gespen, veters en andere decoratieve elementen) kwamen de litigieuze modellen overeen met de schoenmodellen in de door hun Chinese leveranciers (hierna: ‘leveranciers’) aan Deity Shoes verstrekte catalogi. Volgens Mundorama Confort en Stay Design voldoen deze modellen dus niet aan de voorwaarden met betrekking tot ‘nieuwheid’ en ‘eigen karakter’ van respectievelijk de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 6/2002.
13.
De verwijzende rechter merkt op dat de prijs van de producten een belangrijke rol speelt in het businessmodel van Deity Shoes, dat gericht is op een hoog verkoopvolume. Aangezien elke verandering of aanpassing aan de ontwerpen in de catalogi van de leveranciers tot een stijging van de kosten leidt, is er voor een onderneming als Deity Shoes geen echte prikkel om wezenlijke veranderingen aan te brengen aan de schoenmodellen uit die catalogi.
14.
De verwijzende rechter wijst er ook op dat de verschillende aanpassingsmogelijkheden (ten aanzien van bijvoorbeeld de kleur, de materialen en de plaats van de gespen, veters of andere decoratieve elementen) al in de catalogi van de leveranciers worden vermeld. Verder zijn de modellen in de catalogi van die leveranciers, hun aanpassingsmogelijkheden en de litigieuze modellen alle beïnvloed door bekende modetrends. Die rechter wenst te vernemen of deze modetrends kunnen worden geacht de vrijheid van de ontwerper op dezelfde manier te beperken als de technische functie van een voortbrengsel of de daarop toepasselijke wettelijke voorschriften dat soms doen.
15.
In het licht van deze elementen heeft de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante besloten de aanhangige procedure te schorsen en het Hof de volgende vragen voor te leggen:
- ‘1)
Moet er, opdat een model onder de beschermingsregeling van [verordening nr. 6/2002] valt, sprake zijn van een echte ontwerpactiviteit, in die zin dat het model het resultaat is van de intellectuele inspanning van de ontwerper ervan? Kan een combinatie van onderdelen gebaseerd op [bestaande] modellen waarvan de uiterlijke kenmerken voor het merendeel vooraf zijn bepaald door [leveranciers], zodat aanpassingen van bepaalde kenmerken moeten worden aangemerkt als ad hoc en bijkomend, in dat verband worden beschouwd als een echte ontwerpactiviteit?
- 2)
Kunnen in deze context alle of enkele uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die het resultaat zijn van de aanpassing van overeenkomstig de catalogi van Chinese [leveranciers] door die [leveranciers] aangeboden modellen worden geacht een ‘eigen karakter’ te hebben in de zin van artikel 6 [van verordening nr. 6/2002], wanneer de activiteit van de houder van het model ertoe beperkt is die modellen zonder aanpassingen of met specifieke aanpassingen van onderdelen (zoals zolen, klinknagels, veters, gespen enzovoort) in de [Europese Unie] in de handel te brengen en de uiterlijke kenmerken voor het grootste deel vooraf door de [leveranciers] zijn bepaald? Is het in dit verband van belang dat de onderdelen [zelf al] door [de leveranciers] in [hun] catalogi worden aangeboden?
- 3)
Moet artikel 14 [van verordening nr. 6/2002] aldus worden uitgelegd dat een persoon als ‘ontwerper’ van een model kan worden beschouwd wanneer [diegene] aan de hand van een door [leveranciers] in een catalogus aangeboden model, alleen aanpassingen heeft gedaan aan dat [oudere] model door onderdelen […] aan te passen die door de [leverancier] worden aangeboden en die niet door [hem] zijn ontworpen? Moet een bepaalde mate van aanpassing worden aangetoond, als bewijs dat de uiteindelijke vorm significant afwijkt van het [oudere] model om in dit verband als ontwerper te kunnen worden aangemerkt?
- 4)
Moet in een geval als het onderhavige, onverminderd het voorgaande en gelet op de bijzondere kenmerken van schoeisel dat is ontworpen op basis van staalboeken van [leveranciers] en voor zover de ‘ontwerp[activiteit]’ zich beperkt tot het selecteren van bestaande modellen uit een staalboek en het eventueel wijzigen van sommige onderdelen daarvan […] op basis van modetrends, worden aangenomen dat die modetrends: a) de vrijheid van de ontwerper zodanig beperken dat kleine verschillen tussen het ingeschreven (of niet-ingeschreven) model en [het oudere model] kunnen volstaan om een andere algemene indruk te wekken, dan wel b) het eigen karakter van het ingeschreven (of niet-ingeschreven) model zodanig [beperken] dat de betrokken elementen of onderdelen, voor zover zij voortvloeien uitbekende modetrends, van beperkt belang zijn voor de algemene indruk die zij bij de geïnformeerde gebruiker wekken in vergelijking met een ander [ouder] model?’
16.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing van 13 december 2023 is op 2 mei 2024 ter griffie van het Hof ingediend. Deity Shoes en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Er heeft geen terechtzitting plaatsgevonden.
IV. Beoordeling
17.
Volgens artikel 4, lid 1, van verordening (EG) nr. 6/2002 moet aan twee voorwaarden worden voldaan om een model op grond van die verordening als niet-ingeschreven of ingeschreven ‘gemeenschapsmodel’ te beschermen: het model moet ‘nieuw’ zijn en een ‘eigen karakter’ hebben. Een model is nieuw en voldoet dus aan de eerste van deze voorwaarden als er geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld vóór ofwel de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt gevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld7. (voor niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen), ofwel de datum waarop de aanvrage om inschrijving van het model waarvoor bescherming wordt gevraagd, is ingediend (voor ingeschreven gemeenschapsmodellen)8.. De tweede voorwaarde, het ‘eigen karakter’ van het model, vereist dat de algemene indruk die het model bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die vóór de bovengenoemde data voor het publiek beschikbaar zijn gesteld.9.
18.
In de context van die bepalingen draaien de vragen van de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante in wezen om twee problemen. Het eerste probleem (dat centraal staat in het eerste deel van de eerste vraag en in de derde vraag) is of een model het resultaat moet zijn van de ‘echte ontwerpactiviteit’ of ‘intellectuele inspanning’ van de ontwerper om als gemeenschapsmodel bescherming te kunnen genieten. Ik zal beginnen met uit te leggen waarom ik van mening ben dat deze factoren in deze zaak niet aan de orde zijn (deel A). Het tweede probleem (besloten in het tweede deel van de eerste vraag, en in de tweede en de vierde vraag) betreft de vraag of een model bescherming als gemeenschapsmodel kan genieten indien het model vooraf wordt bepaald door oudere modellen in de catalogi van leveranciers en het slechts van die modellen verschilt door bepaalde minder belangrijke aanpassingselementen (die ook in die catalogi zijn opgenomen), die worden beïnvloed door modetrends. De verwijzende rechter wenst in dat verband te vernemen of modetrends de vrijheid van een ontwerper zodanig kunnen beperken dat kleine verschillen tussen een of meer oudere modellen en het model in kwestie kunnen volstaan om te bewerkstellingen dat dat model een andere algemene indruk wekt dan de oudere modellen, waardoor dat model dus een ‘eigen karakter’ heeft in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002 (deel B).
A. Of een gemeenschapsmodel het resultaat moet zijn van een ‘echte ontwerpactiviteit’ of ‘intellectuele inspanning’ (eerste deel van de eerste vraag en derde vraag)
19.
Het antwoord op de eerste vraag van de verwijzende rechter is naar mijn mening vrij duidelijk.
20.
Zoals ik in punt 17 van deze conclusie reeds heb toegelicht, kan een model slechts als ingeschreven of niet-ingeschreven gemeenschapsmodel bescherming genieten indien is voldaan aan twee voorwaarden, te weten de ‘nieuwheid’ en het ‘eigen karakter’ van het model.
21.
Deze twee voorwaarden zijn uitputtend en verordening nr. 6/2002 bevat geen enkele aanvullende voorwaarde dat een ‘echte ontwerpactiviteit’ moet plaatsvinden bij de vervaardiging van het model of dat het model moet worden verkregen door een ‘intellectuele inspanning’, om maar gebruik te maken van de verschillende begrippen die de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing bezigt. In feite erkennen zowel Mundorama Confort als Stay Design zelf voor de verwijzende rechter dat noch artikel 4, lid 1, van die verordening (waarin de beschermingsvoorwaarden zijn opgenomen), noch artikel 25, lid 1, onder b), ervan (dat betrekking heeft op de nietigheid van een gemeenschapsmodel omdat het niet voldoet aan die voorwaarden) verwijst naar dergelijke ‘echte ontwerpactiviteit’ of ‘intellectuele inspanning’.
22.
Daarnaast lijkt het mij dat de verwijzende rechter, door deze bewoordingen te gebruiken, in feite wil weten of een soortgelijke voorwaarde als ‘oorspronkelijkheid’ zoals die is beschreven in de rechtspraak van het Hof over de uitlegging van richtlijn 2001/29/EG van toepassing is bij de bescherming van gemeenschapsmodellen.10. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat om een voorwerp als oorspronkelijk te kunnen beschouwen en de bescherming van artikel 2, onder a), van die richtlijn te genieten, zowel noodzakelijk als voldoende is dat dit voorwerp de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije en creatieve keuzen van die auteur bij de totstandkoming ervan.11. De verschillende delen van een ‘werk’ worden dus beschermd, op voorwaarde dat zij bestanddelen bevatten die de uitdrukking zijn van de eigen intellectuele schepping van de auteur van dit werk.12.
23.
Mijns inziens is het echter duidelijk dat een model niet aan een soortgelijke voorwaarde hoeft te voldoen om als gemeenschapsmodel te worden beschermd. Het Hof heeft namelijk gepreciseerd dat de Uniewetgever heeft gemeend dat ‘voorwerpen die zijn beschermd als model in beginsel niet vergelijkbaar zijn met voorwerpen die werken vormen die zijn beschermd door richtlijn 2001/29’.13. Bovendien streven ‘modelbescherming enerzijds en auteursrechtelijke bescherming anderzijds fundamenteel verschillende doelstellingen [na] en [zijn] aan verschillende regelingen onderworpen […]’. Zoals het Hof heeft verduidelijkt, ‘heeft modelbescherming namelijk tot doel voorwerpen te beschermen die niet alleen nieuw en geïndividualiseerd zijn, maar daarnaast ook een utilitair karakter hebben en bedoeld zijn om op grote schaal te worden geproduceerd’, terwijl ‘de bescherming van het auteursrecht, waarvan de duur aanzienlijk langer is, […] daarentegen [is] voorbehouden aan voorwerpen die het verdienen om als werk te worden gekwalificeerd’.14.
24.
Met betrekking tot de vraag of de voorwaarden ‘nieuwheid’ en ‘eigen karakter’ zelf moeten worden uitgelegd in die zin dat zij vereisen dat de ontwerper een ‘echte ontwerpactiviteit’ heeft verricht of een ‘intellectuele inspanning’ heeft geleverd, merk ik om te beginnen op dat deze voorwaarden betrekking hebben op de uiterlijke kenmerken van het model, los van de wijze waarop het tot stand is gekomen en dus los van enige ‘intellectuele inspanning’ of creatieve activiteit van de ontwerper, zoals de Commissie en Deity Shoes in hun opmerkingen ook stellen. In artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002 wordt ‘model’ namelijk omschreven als ‘de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een onderdeel ervan, die wordt afgeleid uit de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan’.15.
25.
Zoals ik heb uitgelegd, betekent de voorwaarde met betrekking tot ‘nieuwheid’ bovendien alleen maar dat niet eerder een identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld. Hieruit volgt dat deze voorwaarde vereist dat het model waarvoor bescherming als gemeenschapsmodel wordt aangevraagd of waarvan de geldigheid wordt betwist, wordt vergeleken met het vormgevingserfgoed. Er hoeft niet te worden beoordeeld of het betrokken model het resultaat is van een bepaalde ‘intellectuele inspanning’ of van ‘echte ontwerpactiviteit’.
26.
Hetzelfde geldt voor de voorwaarde met betrekking tot het ‘eigen karakter’. In dat verband merk ik op dat overweging 14 van verordening (EG) nr. 6/2002 bepaalt dat ‘[h]et criterium voor de beoordeling van het eigen karakter van een model […] het duidelijke verschil [moet] zijn tussen de algemene indruk die wordt gewekt bij een geïnformeerde gebruiker die het model bekijkt, en die welke bij hem wordt gewekt door het vormgevingserfgoed, met inachtneming van de aard van het voortbrengsel waarop het model wordt toegepast of waarin het is verwerkt […]’.
27.
Ten eerste geeft die overweging ook aan dat bij het onderzoek of een model een ‘eigen karakter’ heeft, rekening moet worden gehouden met ‘de bedrijfstak waarmee het model verbonden is en de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling ervan’.16. Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 6/2002 bevat een soortgelijke formulering, aangezien het bepaalt dat ‘[b]ij de beoordeling van het eigen karakter […] rekening [wordt] gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model’. Dat zou redelijkerwijs kunnen betekenen dat de ‘echte ontwerpactiviteit’ of ‘intellectuele inspanning’ achter de ontwikkeling van het model in aanmerking moet worden genomen.
28.
Het is voor mij echter duidelijk dat de verwijzing naar de ‘vrijheid van de ontwerper’ in overweging 14 en artikel 6, lid 2, van verordening nr. 6/2002 niet in die zin kan worden uitgelegd, integendeel. De rechtspraak van het Gerecht die ik in de inleiding17. heb genoemd, illustreert in feite dat artikel 6, lid 2, aldus is opgevat dat bescherming als gemeenschapsmodel niet mag worden geweigerd op de enkele grond dat sommige kenmerken van het model worden bepaald door beperkingen die bijvoorbeeld verband houden met de technische functie van het voortbrengsel (ik zal hier in deel B op ingaan). Eenvoudig gezegd: een model van een schoen mag bescherming als gemeenschapsmodel niet worden geweigerd op de enkele grond dat de algemene vorm ervan op de vorm van een voet lijkt.
29.
Ten tweede merkt de verwijzende rechter in de derde vraag op dat artikel 14 van verordening nr. 6/2002 de ‘ontwerper’ omschrijft als degene die het model heeft ‘ontwikkeld’. In het licht van deze bepaling wenst die rechter te vernemen of het voor de bescherming van een model als gemeenschapsmodel noodzakelijk is dat de persoon die het heeft ontwikkeld een ‘echte ontwerpactiviteit’ heeft verricht of een ‘intellectuele inspanning’ heeft geleverd om als de ‘ontwerper’ ervan te worden beschouwd. Ook deze twijfels deel ik niet.
30.
Om te beginnen merk ik op dat in artikel 14, lid 1, van verordening nr. 6/2002, dat het opschrift ‘Recht op het gemeenschapsmodel’ heeft, wordt bepaald dat ‘[h]et recht op het gemeenschapsmodel [toekomt] aan de ontwerper of zijn rechtverkrijgende’. De leden 2 en 3 van die bepaling preciseren de regels die van toepassing zijn wanneer twee of meer personen het model gezamenlijk hebben ontwikkeld en ook wanneer het model ‘door een werknemer in de uitoefening van zijn functie of volgens de instructies van zijn werkgever wordt ontwikkeld’.
31.
In het licht van deze elementen is het voor mij duidelijk dat artikel 14 van verordening nr. 6/2002 ertoe strekt te bepalen aan welke persoon of entiteit het recht op het gemeenschapsmodel toekomt en niet om de ‘nieuwheid’ en het ‘eigen karakter’ van een model afhankelijk te stellen van een ‘echte ontwerpactiviteit’ of ‘intellectuele inspanning’ van de ontwerper.
32.
In dat verband wil ik er ook op wijzen dat het in deze bepaling gebruikte begrip ‘ontwerper’ niet mag worden verward met het begrip ‘auteur’ in richtlijn 2001/29, dat betrekking heeft op auteursrecht en naburige rechten. Bij de uitlegging van die richtlijn heeft het Hof het begrip ‘werk’ consequent gekoppeld aan het begrip ‘auteur’.18. In het kader van verordening nr. 6/2002 is echter geen sprake van een soortgelijk verband tussen ‘werk’ en ‘auteur’, of eigenlijk tussen ‘model’ en ‘ontwerper’. Bescherming als gemeenschapsmodel kan worden verleend zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met enige eigenschap van de ontwerper (zoals zijn of haar persoonlijkheid, creatieve keuzen of intellectuele schepping). Artikel 14 van verordening nr. 6/2002 maakt duidelijk dat de identiteit van de ontwerper van belang is om te bepalen aan welke persoon of entiteit bescherming moet worden verleend, en niet om te beoordelen of het model als gemeenschapsmodel kan worden beschermd. In die zin zijn de auteur van een werk krachtens richtlijn 2001/29 en de ontwerper van een gemeenschapsmodel krachtens verordening nr. 6/2002 aan andere normen gebonden: een auteur moet een oorspronkelijk werk voortbrengen, dat zijn persoonlijkheid moet weerspiegelen, terwijl een ontwerper alleen maar een model hoeft te ontwikkelen dat ‘nieuw’ is en een ‘eigen karakter’ heeft.
33.
Naar mijn mening volgt uit deze elementen dat een model krachtens verordening nr. 6/2002 bescherming als gemeenschapsmodel kan genieten zonder dat moet worden aangetoond dat een dergelijk model het resultaat is van een ‘echte ontwerpactiviteit’ of ‘intellectuele inspanning’ van de ontwerper. De persoon of entiteit die het model heeft ontwikkeld, hoeft ook geen ‘echte ontwerpactiviteit’ te hebben verricht of een ‘intellectuele inspanning’ te hebben geleverd om als de ‘ontwerper’ te worden beschouwd.
B. Relatieve betekenis van kleine verschillen tussen een model en een ouder model in een situatie waarin deze verschillen worden beïnvloed door modetrends (tweede deel van de eerste vraag en tweede en vierde vraag)
34.
De tweede vraag van de verwijzende rechter (in het tweede deel van de eerste vraag en de tweede en de vierde vraag) betreft meer bepaald het ‘eigen karakter’ van het model, dat in artikel 6 van verordening nr. 6/2002 is neergelegd.
35.
Om te beginnen herinner ik eraan dat, zoals het Gerecht heeft aangegeven, een model een ‘eigen karakter’ heeft indien het een algemene indruk wekt die, voor een geïnformeerde gebruiker, verschilt van alle voorgaande modellen of ten opzichte daarvan geen ‘déjà vu’-effect geeft, zonder dat rekening wordt gehouden met de verschillen die onvoldoende duidelijk zijn om die algemene indruk te beïnvloeden, maar met inaanmerkingneming van de verschillen die voldoende duidelijk zijn om een andere algemene indruk te wekken.19.
36.
Daarnaast moet bij die beoordeling rekening worden gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model, zoals ik in punt 27 hierboven heb uiteengezet. Het Gerecht heeft erkend dat in dat verband rekening moet worden gehouden met de beperkingen die worden opgelegd door de technische functie van het voortbrengsel (of een onderdeel ervan) en door de wettelijke voorschriften die voor het voortbrengsel gelden. Deze beperkingen leiden tot een standaardisering van bepaalde kenmerken die aldus gemeenschappelijk worden voor alle op het betrokken voortbrengsel toegepaste modellen.20.
37.
Het Gerecht heeft ook duidelijk gemaakt dat de vrijheid van de ontwerper eerder moet worden gezien als een factor die ertoe dient de beoordeling van het eigen karakter van het betrokken model te beschrijven dan als een onafhankelijke factor waarmee de vereiste mate van verschil tussen twee modellen wordt bepaald.21. Concreet betekent dit dat de volgende regel van ‘omgekeerde evenredigheid’22. van toepassing is: hoe kleiner de vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het betrokken model, des te groter de kans dat kleine verschillen volstaan om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken.
38.
Hieruit volgt dat een hoge mate van vrijheid voor de ontwerper de conclusie versterkt dat modellen zonder significante verschillen dezelfde algemene indruk wekken bij de geïnformeerde gebruiker en dat het betrokken model bijgevolg geen eigen karakter heeft. Omgekeerd wettigt een geringe vrijheid van de ontwerper de conclusie dat voldoende opvallende verschillen tussen de modellen bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekken en dat het betrokken model dus wel een eigen karakter heeft.23.
39.
Hoewel deze uitspraken van het Gerecht nog niet door het Hof zijn bevestigd, ben ik het er volledig mee eens.
40.
Ik wil even terugkomen op het voorbeeld dat ik eerder heb gebruikt en dat centraal staat in de onderhavige zaak. Een schoen is bedoeld om aan een voet te worden gedragen. Vanwege die technische functie moet het ontwerp van een schoen noodzakelijkerwijs lang genoeg zijn om de schoen aan een voet te laten passen. Die technische functie beperkt de vrijheid van de ontwerper zonder enige twijfel, en in die omstandigheden moet — op basis van de regel van ‘omgekeerde evenredigheid’ die ik zojuist heb toegelicht — bij de algemene indruk van het voortbrengsel meer belang worden gehecht aan minder significante verschillen verbonden aan bijvoorbeeld de hak (de hoogte en vorm ervan) of de vorm van de punt van de schoen (puntig, rond of vierkant).24.
41.
Naar mijn mening is het niet meer dan logisch om in deze omstandigheden meer belang te hechten aan deze minder significante verschillen. Om te beginnen is het in overeenstemming met het feit dat verordening nr. 6/2002 vereist dat de beoordeling van het ‘eigen karakter’ van het model vanuit het oogpunt van de ‘geïnformeerde gebruiker’ wordt uitgevoerd.25. Het Hof heeft gepreciseerd dat ‘[h]et bijvoeglijke naamwoord ‘geïnformeerde’ suggereert […] dat de gebruiker, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij gebruik ervan’.26. Een dergelijke gebruiker kan dus zien welke kenmerken van het model verband kunnen houden met de technische functie van het voortbrengsel of de standaardisering ervan als gevolg van toepasselijke wettelijke voorschriften en meer belang hechten aan kenmerken die niet binnen deze twee categorieën vallen.
42.
Wanneer de vrijheid van de ontwerper in dergelijke omstandigheden is beperkt en aan dergelijke minder significante verschillen niet genoeg gewicht wordt toegekend, zou het voor een model bovendien erg moeilijk zijn om bescherming te genieten in de Europese Unie. In wezen zou verordening nr. 6/2002 een marktdeelnemer (de eerste die bescherming voor een model van een bepaald voortbrengsel verkrijgt) in staat stellen een monopolie te verkrijgen op kenmerken die in de praktijk voor alle modellen van dat voortbrengsel gemeenschappelijk zijn. Zoals het Hof heeft uiteengezet, zou een ondernemer hierdoor voor dat voortbrengsel in de praktijk een exclusieve bescherming genieten die overeenkomt met de bescherming die door een octrooi wordt geboden, maar zonder dat de voorwaarden die gelden voor het verkrijgen van een octrooi worden toegepast, met als gevolg dat concurrenten een voortbrengsel met bepaalde functionele kenmerken niet kunnen aanbieden of dat er minder technische oplossingen mogelijk zijn.27. Dat zou in strijd zijn met de doelstellingen van het modellenrecht van de Unie, die volgens overweging 7 van die verordening erin bestaan ‘[e]en betere bescherming van industriële vormgeving’ te bieden en ‘ontwikkeling van nieuwe voortbrengselen en de investering in de productie ervan’ aan te moedigen. Het zou ook de volle werking ontnemen aan artikel 8, lid 1, van verordening nr. 6/2002, dat bepaalt dat ‘[e]en recht op een gemeenschapsmodel […] niet [geldt] voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie worden bepaald’.
43.
Na deze opmerkingen moet ik nog toelichten of ‘modetrends’ kunnen worden geacht de uiterlijke kenmerken van een model op dezelfde manier te beperken als de technische functie of standaardisatie van bepaalde kenmerken van het voortbrengsel. Indien dat het geval zou zijn, dan kunnen — zoals de verwijzende rechter in de vierde vraag uiteenzet — kleine (of minder significante) verschillen tussen het ingeschreven of niet-ingeschreven model in kwestie en een ouder model voldoende zijn voor het betrokken model om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken.
44.
In dat verband heeft het Gerecht geoordeeld dat de vraag of een model een algemene vormgevingstendens volgt, niet van belang is voor de beoordeling of er grenzen zijn aan de vrijheid van de ontwerper. Het Gerecht heeft dit voor het eerst toegelicht in het arrest Shenzhen Taiden/BHIM — Bosch Security Systems.28. In dat geval ging het om een model voor een conferentietoestel (dat wil zeggen het microfoonsysteem dat in een conferentieruimte gewoonlijk vooraan op elk bureau wordt geplaatst). Verzoeker had aangevoerd dat veel kenmerken van het model niet alleen werden bepaald door de technische functie van het toestel, maar ook door een algemene tendens waarbij de voorkeur wordt gegeven aan kleine, vlakke, rechthoekige toestellen, vaak met scharnierende elementen. Het Gerecht heeft dit argument echter verworpen. In een later arrest heeft het Gerecht toegelicht dat zijn weigering om een algemene vormgevingstendens te beschouwen als een factor die de vrijheid van de ontwerper beperkt, was gebaseerd op het feit dat het juist die vrijheid was die de ontwerper in staat stelt nieuwe vormen en nieuwe tendensen te ontdekken of vernieuwend te zijn in het kader van een bestaande tendens.29.
45.
Naar mijn mening biedt de onderhavige zaak het Hof de gelegenheid om die benadering te bevestigen.
46.
In de eerste plaats heeft verordening nr. 6/2002 weliswaar niet tot doel bescherming te verlenen aan kenmerken die verband houden met de technische functie van een voortbrengsel of de wettelijke voorschriften die erop van toepassing zijn, maar is deze verordening ingevoerd om bescherming mogelijk te maken van — onder andere — aan modetrends verbonden kenmerken als elementen van een gemeenschapsmodel.30. De modesector produceert een groot aantal ‘collecties’ met een relatief korte commerciële levensduur. Dat schept een vraag naar een efficiënte, kortetermijnbescherming van modellen, die in overeenstemming is met het systeem van die verordening.31.
47.
In de tweede plaats stimuleert bescherming van aan modetrends verbonden kenmerken innovatie, overeenkomstig de doelstelling van verordening nr. 6/2002, hetgeen ik in punt 42 hierboven in herinnering heb gebracht. Auteurs van modetijdschriften verwijzen nu bijvoorbeeld naar een trend waarbij veel soorten schoenen — waaronder ballerina's, sneakers en cowboylaarzen — worden ontworpen met de ‘Mary Jane’-gesp.32. Indien deze modellen onder het stelsel van het gemeenschapsmodel beschermd zijn, mogen andere marktdeelnemers of ontwerpers ze niet kopiëren en worden zij gestimuleerd om nieuwe ontwerpen te ontwikkelen.
48.
In de derde plaats verschillen kenmerken die aan modetrends zijn verbonden ook van kenmerken die zijn verbonden aan de technische functie van het voortbrengsel of de toepasselijke wettelijke voorschriften in zoverre dat die laatste zowel onvermijdelijk (in die zin dat alle ontwerpen van het betrokken voortbrengsel er noodzakelijkerwijs aan moeten voldoen) als permanent of duurzaam zijn. Ik zie niet in hoe een soortgelijke conclusie zou kunnen gelden voor aan modetrends verbonden kenmerken, die van nature vluchtig zijn.
49.
Ontwerptendensen zijn daarnaast intrinsiek verbonden met ‘marktverwachtingen’, die naar hun aard sterk wisselen. Het Gerecht heeft in dat verband reeds geoordeeld dat de verwachtingen van de consument geen beperking vormen die noodzakelijkerwijs de mate van vrijheid van een ontwerper beperkt, en dat het feit dat een algemene tendens aan de verwachtingen van de relevante consumenten kan voldoen, niet kan worden beschouwd als een factor die de vrijheid van de ontwerper beperkt, juist omdat die vrijheid de ontwerper in staat stelt nieuwe vormen en nieuwe lijnen te ontdekken of vernieuwend te zijn in het kader van een bestaande tendens. Bijgevolg wordt met ‘eventueel op de markt bestaande verwachtingen’ geen rekening gehouden bij het bepalen van de mate van vrijheid van de ontwerper.33.
50.
In het licht van deze elementen ben ik van mening dat modetrends niet kunnen worden beschouwd als een zodanige beperking van de vrijheid van de ontwerper dat kleine verschillen tussen oudere modellen en een niet-ingeschreven of ingeschreven model kunnen volstaan om te bewerkstelligen dat dat model een andere algemene indruk wekt dan die oudere modellen en dat model dus een ‘eigen karakter’ heeft in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002.
51.
Naar aanleiding hiervan breng ik in herinnering dat Mundorama Confort en Stay Design voor de verwijzende rechter van mening lijken te zijn dat de litigieuze modellen geen ‘eigen karakter’ hebben in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002, omdat zij zijn gebaseerd op oudere modellen in de catalogi van de leveranciers en slechts op ondergeschikte punten — die verband houden met aanpassing van bijvoorbeeld de zool, veters of gespen — van deze modellen verschillen.
52.
Het Hof heeft in wezen reeds geoordeeld dat een model zelfs in aanmerking kan komen voor bescherming als gemeenschapsmodel als het is samengesteld uit specifieke kenmerken of onderdelen van eerdere modellen, zolang het bij de gebruiker maar een verschillende algemene indruk wekt dan die individueel beschouwde en welbepaalde oudere modellen.34.
53.
Naar mijn mening mag een gemeenschapsmodel dus niet nietig worden verklaard op de enkele grond dat het bestaat uit een beperkte aanpassing van een of meer oudere modellen. Die conclusie is in overeenstemming met de doelstellingen van verordening nr. 6/2002 die ik in punt 42 hierboven heb gememoreerd.
C. Gevolgen voor het hoofdgeding
54.
De bevindingen die ik in het vorige deel heb gepresenteerd, brengen mij ertoe de volgende opmerkingen te formuleren met betrekking tot de zaak in het hoofdgeding.
55.
Aan de ene kant betekent het enkele feit dat de verschillen tussen de litigieuze modellen en de oudere modellen in de catalogi van de leveranciers van Deity Shoes (in casu aanpassingselementen met betrekking tot de zool, veters of gespen van de schoen die in de litigieuze modellen zijn verwerkt) op modetrends zijn gebaseerd, niet noodzakelijkerwijs dat aan deze elementen minder belang moet worden gehecht bij de beoordeling van de algemene indruk die deze modellen bij de ‘geïnformeerde gebruiker’ wekken, en dus bij de beoordeling van hun ‘eigen karakter’. Anders dan de technische functie van het voortbrengsel of de wettelijke voorschriften die voor het voortbrengsel kunnen gelden (die tot een zekere standaardisering van het voortbrengsel leiden) moeten modetrends niet worden gezien als een beperking of begrenzing van de vrijheid van de ontwerper. Zoals uit het in punt 47 genoemde voorbeeld van de ‘Mary Jane-ificatie’ van schoenen blijkt, kan het aanbrengen van een gesp op een schoen (soms) een grote rol spelen bij het creëren van een andere algemene indruk en dus bij het toekennen van een ‘eigen karakter’. Evenzo staat het enkele feit dat de litigieuze modellen het resultaat zijn van het aanpassen van oudere modellen niet in de weg aan de bescherming ervan als gemeenschapsmodel en mag dat feit op zichzelf niet tot nietigverklaring leiden.
56.
Of de litigieuze modellen een ‘eigen karakter’ hebben in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002 en in aanmerking komen voor bescherming als gemeenschapsmodel hangt er aan de andere kant nog steeds vanaf of de verschillen tussen die modellen en de oudere modellen voldoende opvallen of alleen betrekking hebben op onbelangrijke details — een beoordeling die aan de verwijzende rechter staat. In dat herinner ik er enkel aan dat verordening nr. 6/2002 er niet toe strekt een model als gemeenschapsmodel te beschermen dat, behoudens onbelangrijke verschillen, louter een ‘knip-en-plak-versie’ van een ouder model is en bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt dan zo'n ouder model.
V. Conclusie
57.
In het licht van alle voorgaande beschouwingen geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen
moet aldus worden uitgelegd dat
het voor de bescherming van een model als gemeenschapsmodel niet noodzakelijk is dat er sprake is van een ‘echte ontwerpactiviteit’ of dat het model het resultaat is van de ‘intellectuele inspanning’ van de ontwerper. De persoon of entiteit die het model heeft ontwikkeld, hoeft ook geen ‘echte ontwerpactiviteit’ te hebben verricht of een ‘intellectuele inspanning’ te hebben geleverd om als ‘ontwerper’ te worden beschouwd.
- 2)
Artikel 6 van verordening nr. 6/2002
moet aldus worden uitgelegd dat
modetrends — anders dan beperkingen die verband houden met de technische functie van een voortbrengsel of de daarop toepasselijke wettelijke voorschriften — niet kunnen worden geacht de vrijheid van de ontwerper zodanig te beperken dat kleine verschillen tussen een of meer oudere modellen en het model in kwestie volstaan om te bewerkstellingen dat dat model bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt dan die oudere modellen en dat model dus een ‘eigen karakter’ heeft in de zin van deze bepaling. Een model dat slechts in onbelangrijke, door modetrends beïnvloede details van een ouder model verschilt, kan bijgevolg een ‘eigen karakter’ in de zin van die bepaling ontberen en komt mogelijk niet voor bescherming als gemeenschapsmodel in aanmerking.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑06‑2025
Oorspronkelijke taal: Engels.
Uit het nummer ‘These boots are made for walkin’ van Nancy Sinatra (uitgebracht in 1966).
Verordening van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).
Zie in die zin arrest van 21 november 2013, El Hogar Perfecto del Siglo XXI/BHIM — Wenf International Advisers (Kurkentrekker) (T-337/12, EU:T:2013:601, punt 32). Zie ook arrest van 6 september 2023, Cayago Tec/EUIPO — iAqua (Shenzhen) (Waterscooters, motorboten) (T-377/22, EU:T:2023:504, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van verordening nr. 6/2002 wordt een model beschermd door een ‘niet-ingeschreven gemeenschapsmodel’ indien het op de bij die verordening bepaalde wijze voor het publiek beschikbaar is gesteld, en door een ‘ingeschreven gemeenschapsmodel’, indien het op de bij die verordening bepaalde wijze is ingeschreven. Het hoofdgeding in de onderhavige zaak betreft zowel ingeschreven als niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen.
Zie artikel 24, leden 1 en 3, van verordening nr. 6/2002, die in wezen bepalen dat een ingeschreven of niet-ingeschreven gemeenschapsmodel door een rechtbank voor het gemeenschapsmodel op reconventionele vordering in een inbreukprocedure nietig kan worden verklaard. In artikel 26 van die verordening worden de ‘Rechtsgevolgen van nietigheid’ gespecificeerd; lid 1 van die bepaling luidt dat ‘in de mate waarin het nietig is verklaard, een gemeenschapsmodel […] geacht [wordt] van de aanvang af geen rechtsgevolgen als bedoeld in deze verordening te hebben gehad’.
Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).
Zie arrest van 12 september 2019, Cofemel (C-683/17, EU:C:2019:721, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Cursivering van mij.
Zie arrest van 16 juli 2009, Infopaq International (C-5/08, EU:C:2009:465, punt 39). Cursivering van mij.
Zie arrest van 12 september 2019, Cofemel (C-683/17, EU:C:2019:721, punt 40).
Ibidem, punt 50. In datzelfde punt heeft het Hof daaraan toegevoegd dat ‘deze bescherming gewoonlijk gedurende een beperkte, maar voldoende lange periode van toepassing [is] om de investeringen die nodig zijn voor de creatie en vervaardiging van die voorwerpen te laten renderen, zonder de concurrentie echter al te zeer te belemmeren’.
Cursivering van mij.
Cursivering van mij.
Zie voetnoot 4.
Zoals ik in punt 22 hierboven reeds heb opgemerkt, heeft het Hof namelijk geoordeeld dat het begrip ‘werk’ in richtlijn 2001/29 impliceert dat het betrokken voorwerp oorspronkelijk is en een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan indien het voorwerp de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije creatieve keuzen van die auteur bij de totstandkoming ervan.
Zie arrest van 8 mei 2024, Puma/EUIPO — Road Star Group (Schoenen) (T-757/22, EU:T:2024:291, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie voetnoot 4.
Zie ook arrest van 6 september 2023, Cayago Tec/EUIPO — iAqua (Shenzhen) (Waterscooters, motorboten) (T-377/22, EU:T:2023:504, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ibidem, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak. Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak LEGO (Begrip geïnformeerde gebruiker van een model) (C-211/24, EU:C:2025:153, punt 36).
Zie arrest van 6 september 2023, Cayago Tec/EUIPO — iAqua (Shenzhen) (Waterscooters, motorboten) (T-377/22, EU:T:2023:504, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie voor andere voorbeelden Hartwig, H., ‘The concept of aesthetic creative freedom in design, copyright, and trademark law — a European perspective’, Design Law, Edward Elgar Publishing Cheltenham, UK (2024), blz. 562: ‘in [het] geval van fietsmanden wordt de creatieve vrijheid van de ontwerper slechts in zoverre beperkt door technische specificaties dat de manden moeten worden bevestigd aan de fiets en voorwerpen moeten kunnen bevatten zonder dat die er tijdens het fietsen uit vallen. De ontwerper kan echter kiezen uit tal van kleuren, materialen (bijvoorbeeld plastic, metaal, rotan of stof) en vormen (rond, ovaal of vierkant) van de mand.’
Zie artikel 6, lid 1, van die verordening.
Zie arrest van 20 oktober 2011, PepsiCo/Groep Promer Mon Graphic (C-281/10 P, EU:C:2011:679, punt 59).
Zie arrest van 8 maart 2018, DOCERAM (C-395/16, EU:C:2018:172, punt 30).
Zie arrest van 22 juni 2010, Shenzhen Taiden/BHIM — Bosch Security Systems (Communicatieapparatuur) (T-153/08, EU:T:2010:248, punt 58).
Arrest van 13 november 2012, Antrax It/THC (Radiatoren voor verwarming) (T-83/11 en T-84/11, EU:T:2012:592, punt 95).
Zie in dat verband Wennersten, U. et al., ‘Fashion and design law’, Design Law, Edward Elgar Publishing, Cheltenham, UK (2024), blz. 586.
Ibidem, blz. 589. Zoals deze auteurs uitleggen heeft ‘de inschrijving van gemeenschapsmodellen in de Unie een aantal unieke kenmerken [met name omdat er geen oppositietermijn is]. Dit maakt het inschrijvingsproces relatief snel, waarbij goedkeuringen zelfs op dezelfde dag mogelijk zijn.’ Zie ook blz. 594: ‘[i]n dit tijdperk van de vluchtige modebranche, waar trends snel veranderen, is de optie bescherming van een niet-ingeschreven model te verkrijgen [zoals verordening nr. 6/200 toestaat] gunstig voor de branche.’
Zie Jones, D., ‘Please, Can We Stop Mary Jane-ifying Everything?’, British Vogue, 11 februari 2025, beschikbaar op: https://www.vogue.co.uk/article/mary-jane-shoe-trend.
Zie arrest van 6 juni 2019, Porsche/EUIPO — Autec (Motorvoertuigen) (T-209/18, EU:T:2019:377, punten 57, 59 en 61).
Zie arrest van 19 juni 2014, Karen Millen Fashions (C-345/13, EU:C:2014:2013, punten 26 en 33).