Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/2.2
2.2 Wanneer is sprake van een criminal charge?
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Michiels en De Waard, Rechterlijke toetsing van bestuurlijke punitieve sancties (2007), p. 14.
EHRM 8 juni 1976, NJ 1978/223 (Engel).
EHRM 21 februari 1984, NJ 1988/937 (Ciztiirk).
EHRM 25 augustus 1987, NJ 1988/938 (Lutz).
In die lijn werd nadien ook geoordeeld dat het verminderen van het aantal dagen van de vervroegde invrijheidsstelling wegens een vergrijp tijdens detentie een nieuwe vrijheidsberoving oplevert die bestraffing beoogt. Zie EHRM 9 oktober 2001, EHRC 2003/90 (Ezeh en Conors) en 12 april 2005, EHRC 2005/51.
EHRM 24 februari 1994, NJ 1994/496 (Bendenoun).
EHRM 3 juni 2003, nr. 5459/00 (Morel).
EHRM 1 februari 2005, no. 61821/00 (Ziliberberg).
Zie met betrekking tot de betekenis van de vervangende hechtenis voor de vraag of sprake is van een criminal charge voorts EHRM 14 november 2000, EHRC 2000/94.
Zie ook Albers, Rechtsbescherming bij bestuurlijke boeten. Balanceren op een magische lijn? (2002), p. 84-120.
Treffende voorbeelden zijn EHRM 2 september 1998, no. 26138/95 (Lauko) en 1 februari 2005, no. 61821/00 (Ziliberberg).
EHRM 23 november 2006, AB 2007/51 (Jussila).
EHRM 5 oktober 2000, AB 2001/80 (Maaouia).
EHRM 12 juli 2001, BNB 2005/222 (Ferazzini).
EHRM 8 december 1999, NJ 2001/131 (Pellegrin).
EHRM 5 oktober 2000,AB 2001/80 (Maauouia) en 13 oktober 2009, AB 2010/126 (Panjeheighalehei).
EHRM 15 december 2009, JV 2010/29 (Gurguchiani). Voorts kunnen andere EVRM-rechten in geding zijn. Zie met betrekking tot art. 3 EVRM bijvoorbeeld EHRM 11 januari 2007, AB 2007/52 (Salah Seekh) en zie met betrekking tot art. 5 EVRM bijvoorbeeld EHRM 27 november 2003, JV 2004/31 (Shamsa).
Onder meer EHRM 23 november 2006, AB 2007/51 (Jussila).
Respectievelijk ABRvS 19 november 2003, JSV 2004/13 en CRvB 29 april 2004, AB 2004/452. Zie in dit licht de art. 1 en 34 EVRM en Barkhuysen, 'Het EVRM als integraal onderdeel van het Nederlandse materiële bestuursrecht', in: De betekenis van het EVRM voor het materiële bestuursrecht (2004), p. 34-37.
HR 8 juli 2005, AB 2006/17.
Zie par. 7 van de uitgebreide conclusie van A-G Waffel in LJN B05046.
EHRM 8 december 1999, NJ 2001/131 (Pellegrin).
EHRM 19 april 2007, NJ 2007/375 (Vilho Eskelinen).
CRvB 1 november 2001, TAR 2002/24 en 29 april 2004, TAR 2005/16.
Ik verwijs voor het begrip originaire rechtsbetrekking naar de omschrijving die Hartmann en Van Russen Groen daaraan geven in deel 1 van hun proefschrift, Contouren van het bestuursstrafrecht (1998), p. 83- 85. Ik onderschrijf echter niet ten volle de wijze waarop zij dit begrip toepassen bij de categorisering van sancties op p. 86-97. Het onderscheid tussen originaire en secundaire rechtsbetrekking lijkt vooral nuttig om bij een bestaande (of potentiële) financiële relatie tussen burger en overheid te kunnen onderscheiden tussen sancties binnen die sfeer (door korting of uitsluiting) en sancties buiten die sfeer (boeten). Denk aan het onderscheid tussen maatregelen en boeten in de sociale zekerheid (CRvB 21 december 1993, RSV 1994/132; 14 februari 2001, USZ 2001/97 en 30 juni 2004, RSV 2004/274), de korting op de vergoeding van huursubsidiekosten (ABRvS 20 november 2002, JB 2003/18 en JB 2003/19) het onderscheid tussen korting of uitsluiting van EG-steun en bestraffing (HvJ EG 11 juli 2002, AB 2002/392 en 6 april 2006, AB 2006/204) Voorts merk ik in dit verband nog op dat Bffiring in zijn noot onder CRvB 22 februari 2006, AB 2006/215 terecht stelt dat voor zover een herstelsanctie onevenredig is, daarmee niet het karakter van de sanctie wijzigt; een onrechtmatig besluit is niet bestraffend in zoverre het onrechtmatig is. Anders: ABRvS 8 september 2010, AB 2010/307. Ten slotte merk ik op dat het begrip originaire rechtsbetrekking niet samenvalt met de besloten context waarop de kabinetsnota over de uitgangspunten bij de keuze van een sanctiestelsel (Kamerstukken/2008/09, 31 700 VI, D) doelt. De kwalificatie besloten context wordt in die nota juist gehanteerd als indicatie voor het primaat van de bestuurlijke boete boven strafrechtelijke handhaving.
Zie ook Michiels en De Waard, Rechterlijke toetsing van bestuurlijke punitieve sancties (2007), P. 18.
EHRM 8 juni 1976, NJ 1978/223 (Engel).
Gewezen kan ook worden op EHRM 10 februari 2009, NJCM-Bulletin 2009/4, p. 373 (Sergey Zolotukhin). In die zaak die zag op bestuurlijke detentie had de Grote Kamer veel woorden nodig om de administratieve procedure die leidde tot die sanctie als penal procedure te kwalificeren in het licht van art. 4 van het Zevende Protocol (par. 52-57).
EHRM 6 juni 2000, JB 2000/266.
EHRM 7 juli 1989, Series A. vol. 159 (Tre Trakteirer).
In EHRM 8 november 2005, EHRC 2006/1 (Saliba) was alleen de klacht inzake schending van het Eerste Protocol ontvankelijk, terwijl in EHRM 27 november 2007, JB 2008/38 (Hamer) voorts werd geoordeeld dat de maatregel tot afbraak als een straf kan worden beschouwd. Mogelijk kwam het Hof in deze Begische zaak tot dit oordeel omdat het hier een aanvankelijk bijkomende veroordeling door de strafrechter betrof, maar in de Maltese zaak Salliba was dit eveneens het geval. Het Hof is dan ook gelet op par. 60 (`Eu égard aux considérations qui précèdent, la Cour considère que cette mesure de démolition peut être considérée comme une 'peine' au sens de la Convention.') en de daaraan voorafgaande overwegingen, weifelachtig en ongemotiveerd omgegaan. In elk geval moet voor ogen worden gehouden dat Hamer een naar Belgisch recht strafrechtelijke procedure betrof. Indien door een bestuursorgaan een last onder bestuurdwang of een last onder dwangsom wordt opgelegd zie ik het Hof daar dan ook niet snel het predicaat criminal charge op plakken. De uitspraak inzake Hamer geeft daartoe in elk geval onvoldoende aanleiding.
EHRM 23 september 1998, NJCM-Bulletin 2000/4 (Malige) en 29 juni 2007, AB 2008/234 (O'Halloran and Francis).
Vergelijk EHRM 28 oktober 1999, NJ 2001/593 (Escoubet) en 13 december 2005, AB 2006/285 (Nilsson).
EHRM 13 december 2005, AB 2006/285 (Nilsson).
EHRM 28 oktober 1999, NJ 2001/593 (Escoubet).
EHRM 5 juli 2001, EHRC 2001/56 (Phillips) en 5 juli 1005, no. 19581/04 (Van Offeren).
EHRM 1 juni 2007, no. 30810/03 (Geerings). Het komt er dus op neer dat in voordeelontnemingszaken de onschuldpresumptie alleen een rol speelt als die is geschonden omdat de ontneming voortborduurt op een vrijspraak.
Zie ook Michiels en De Waard, Rechterlijke toetsing van bestuurlijke punitieve sancties (2007), p. 19. Volgens hen zijn op herstel gerichte sancties en maatregelen uit de WED weliswaar niet als punitieve sancties te beschouwen, maar weer wel als een criminal charge. Gelet op EHRM 27 november 2007, J73 2008/38 (Hamer) valt zeker niet uit te sluiten dat dit het geval is, terwijl uit de jurisprudentie van het Hof — waaronder deze uitspraak — voorts volgt dat een maatregel tegelijkertijd een inbreuk op eigendomsrechten kan behelzen en een straf kan vormen.
Vooraf merk ik op dat deze paragraaf slechts handelt over de vraag welke sancties het resultaat zijn van een criminal charge. Het precieze aanvangsmoment van de charge die kan uitmonden in een bestraffende sanctie komt verderop bij de bespreking van de verdedigingsrechten aan bod. Indien een sanctie een criminal charge oplevert als bedoeld in art. 6 EVRM zijn alle waarborgen van dat artikel van toepassing alsmede van art. 7 EVRM. Voorts gelden dan de waarborgen van de art. 14 en 15 IVBPR. In beide verdragen komen namelijk de begrippen criminal charge, criminal offence en penalty voor.1 Hoewel de penalty het resultaat zal zijn van een criminal charge, is vooral het laatste begrip van belang. Dit is niet vreemd: art. 6 EVRM maakt immers een koppeling tussen verdedigingsrechten en toegang tot de rechter en het bestaan van een criminal charge. De beantwoording van de vraag welke sancties een dergelijke criminal charge behelzen, is derhalve van groot belang. Terecht merken Michiels en De Waard op dat de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake de vraag of een sanctieoplegging een criminal charge met zich brengt vooral ziet op vrijheidsstraffen en bestuurlijke boetes en nauwelijks op de intrekking van begunstigende beschildángen.2
In de zaken Engel,3 Őztürk4 en Lutz5 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens drie criteria aangelegd aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of overheidsoptreden een criminal charge oplevert. In die uitspraken oordeelde het EHRM dat een tuchtprocedure of een bestuurlijke sanctie als strafvervolging in de zin van art. 6 EVRM wordt beschouwd indien zij daarmee bepaalde kenmerken gemeen heeft. Die kenmerken zijn: (1) de classificatie naar nationaal recht, (2) de aard van het delict, en (3) de aard en zwaarte van de sanctie. Daarbij is overwogen dat de nationale classificatie maar een beperkte waarde heeft. Het tweede criterium (de wezenlijke aard van het vergrijp) mede bezien in samenhang met het derde criterium (de aard van de bijbehorende sanctie) weegt bij de beoordeling zwaarder. In de zaak Engel oordeelde het EHRM dat (een forse) vrijheidsberoving als tuchtmaatregel aan Nederlandse militairen reeds vanwege het karakter van de sanctie in een rechtsstaat tot de sfeer van het strafrecht behoort6 en in de zaak Coztiirk werd geoordeeld dat de oplegging van een bestuurlijke boete door de Duitse autoriteiten wegens een verkeersovertreding vanwege het karakter van de overtreding eveneens een criminal charge was, ook al ging het om een relatief lichte boete. Hier speelde voorts mee dat deze overtredingen voorheen strafrechtelijk werden afgedaan. De voormalige nationale classificatie gaf aldus inkleuring aan de aard van overtreding. In Lutz werd eveneens geoordeeld dat de aanvankelijke boeteoplegging door de Duitse autoriteiten wegens een verkeersovertreding als criminal charge moest worden aangemerkt. Daarbij werd overwogen dat de aard van de overtreding en van de sanctie niet cumulatieve maar alternatieve voorwaarden vormen.
In de zaak Bendenoun7 relativeerde het EHRM de laatste twee criteria door te stellen dat de aard en ernst van de opgelegde sanctie en het gebruik in de Franse fiscale wetgeving van de termen fiscale sancties en misleiding, in plaats van strafsancties en ontduiking, er toe zou kunnen leiden dat fiscale verhogingen geen strafvervolging opleveren, maar dat daar niettemin wel sprake van was op grond van een viertal samenhangende factoren, te weten: (1) de nationale wet spreekt niet een beperkte groep aan maar alle burgers als belastingplichtigen, (2) de verhogingen zijn niet bedoeld als compensatie voor geleden schade maar als straf om herhaling te voorkomen, (3) de verhogingen zijn opgelegd op basis van een algemene regel die zowel straf als afschrikking tot doel heeft en ten slotte (4) is sprake van zeer aanzienlijke verhogingen en riskeerde de klager bij niet-betaling oplegging van gevangenisstraf door de strafrechter. Hier lijkt dus naast het oogmerk van de sanctie ook van belang wie de normadressanten zijn en ook vooral de hoogte van de sanctie (met alternatieve gevangenisstraf als stok achter de deur). Nadien kwam het EHRM in de zaak Morel8 dan ook tot een niet-ontvankelijkverklaring van de klacht vanwege de geringe hoogte van de boete. In de zaak Ziliberberg9 lijkt het EHRM (ten dele) voort te borduren op de Bendenoun-criteria. Zo bleek van belang dat de boete niet diende als compensatie voor geleden schade maar als straf en dat de boete — omgerekend € 3,17 — in Moldavië het halve maandinkomen van betrokkene bedroeg, terwijl het ook strafrechters waren die over de zaak oordeelden en bij gebreke van betaling vervangende hechtenis mogelijk was.10
Zie ik het goed dan zijn de casuïstische benadering in combinatie met het zoeken naar consensus debet aan de onduidelijkheid van het criminal charge-begrip. Weliswaar heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens algemene criteria gegeven, maar daarmee werden in feite alleen de evidente gevallen voldoende afgekaderd.11 Zo hechtte het EHRM veel belang aan de wijze waarop de oplegging van lage boeten en de rechterlijke toetsing daarvan was ingekaderd in het nationale recht en aan de mogelijkheid van alternatieve hechtenis. Deze toetsing aan allerlei specifieke omstandigheden van het geval en aan het nationale recht, dat veelal uitmondde in een bevestigend antwoord op de vraag of sprake was van een criminal charge, was zowel zaaksgebonden als op consensus gericht. Er werden per zaak zoveel mogelijk omstandigheden bij gehaald om het antwoord te legitimeren dat sprake was van strafvervolging in de zin van art. 6 EVRM, terwijl het naar nationaal recht een bestuurlijke boete betrof.12 Dit riep de vraag op of ingeval geen sprake is van decriminalisering zoals bij lichte verkeersovertredingen, maar van geheel nieuw gecreëerde sanctiebevoegdheden van bestuursorganen, ook altijd sprake is van een criminal charge.
In de zaak Jussila is de Grote Kamer er aan te pas gekomen om de gewenste klaarheid te brengen omtrent de vraag of een fiscale boete van ongeveer € 300, die bovendien niet kon worden omgezet in een gevangenisstraf, niettemin een criminal charge opleverde. Dit bleek wel het geval te zijn. Ik haal hier de belangrijkste overwegingen aan inzake de vraag wanneer sprake is van een criminal charge:
`30. The Court's established case-law sets out three criteria to be considered in the assessment of the applicability of the criminal aspect. These criteria, sometimes referred to as the "Engel criteria" were most recently affirmed by the Grand Chamber in Ezeh and Connors v. the United Kingdom (...)
31. The second and third criteria are alternative and not necessarily cumulative. It is enough that the offence in question is by its nature to be regarded as criminal or that the offence renders the person liable to a penalty which by its nature and degree of severity belongs in the general criminal sphere (...). The relative lack of seriousness of the penalty cannot divest an offence of its inherently criminal character (...). This does not exclude a cumulative approach where separate analysis of each criterion does not make it possible to reach a clear conclusion as to the existence of a criminal charge (...).
32. The Court has considered whether its case-law supports a different approach in fiscal or tax cases. It recalls that in the Bendenoun judgment, which concerned the imposition of tax penalties or surcharge for evasion of tax (VAT and corporation tax in respect of the applicant' s company and his personal income tax liability), the Court did not refer expressly to Engel and listed four elements as being relevant to the applicability of Article 6 in that case (...) These factors may be regarded however in context as relevant in assessing the application of the second and third Engel criteria to the facts of the case, there being no indication that the Court was intending to deviate from previous case-law or to establish separate principles in the tax sphere. It must further be emphasised that the Court in Bendenoun did not consider any of the four elements as being in themselves decisive and took a cumulative approach in finding Article 6 applicable under its criminal head.
33. In Janosevic v. Sweden (...), the Court made no reference to Bendenoun or its particular approach but proceeded squarely on the basis of the Engel criteria identified above. While reference was made to the severity of the actual and potential penalty (...)
34. (.. ) Morel is an exception among the reported cases in that it relies on the lack of severity of the penalty as removing the case from the ambit of Article 6, although the other criteria (general mle, not compensatory in nature, deterrent and punitive purpose) had clearly been fulfilled.
35. The Grand Chamber agrees with the approach adopted in the Janosevic case, which gives a detailed analysis of the issues in a judgment on the merits after the benefit of hearing argument from the parties (cf. Morel which was a decision on inadmissibility). No established or authoritative basis has therefore emerged in the case-law for holding that the minor nature of the penalty, in taxation proceedings or otherwise, may be decisive in removing an offence, otherwise criminal by nature, from the scope of Article 6.
36. Furthermore, the Court is not persuaded that the nature of tax surcharge proceedings is such that they fall, or should fall, outside the protection of Article 6. Arguments to that effect have also failed in the context of prison disciplinary and minor traffic offences (.. ). While there is no doubt as to the importance of tax to the effective functioning of the State, the Court is not convinced that removing procedural safeguards in the imposition of punitive penalties in that sphere is necessary to maintain the efficacy of the fiscal system or indeed can be regarded as consonant with the spirit and purpose of the Convention. In this case the Court will therefore apply the Engel criteria as identified above.’13
Waar aan de voorkant de fiscale boete definitief het criminal charge-stempel heeft verkregen, meende het EHRM wel dat juist doordat het criminal charge-begrip een containerbegrip is geworden, onderscheid moet worden gemaakt tussen verschillende soorten criminal charges naar hun gewicht. Hardcore strafrecht is toch wat anders dan een bestuurlijke boete, vervolgt het Hof in Jusilla:
`43. While it may be noted that the above-mentioned cases in which an oral hearing was not considered necessary concerned proceedings falling under the civil head of Article 6 § 1 and that the requirements of a fair hearing are the most strict in the sphere of criminal law, the Court would not exclude that in the criminal sphere the nature of the issues to be dealt with before the tribunal or court may not require an oral hearing. Notwithstanding the consideration that a certain gravity attaches to criminal proceedings, which are concernel with the allocation of criminal responsibility and the imposition of a punitive and deterrent sanction, it is self-evident that there are criminal cases which do not carry any significant degree of stigma. There are clearly "criminal charges" of differing weight. What is more, the autonomous interpretation adopted by the Convention institutions of the notion of a "criminal charge" by applying the Engel criteria have underpinned a gradual broadening of the criminal head to cases not strictly belonging to the traditional categories of the criminal law, for example administrative penalties (...), prison disciplinary proceedings (...), customs law (...), competition law (.. ) and penalties imposed by a court with jurisdiction in financial matters (...). Tax surcharges differ from the hard core of criminal law; consequently, the criminal-head guarantees will not necessarily apply with their full stringency (…).’
Al met al kan uit de voorhanden jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden afgeleid dat vrijheidsberoving in een straf- of tuchtrechtelijke context en een bestuurlijke boete een criminal charge en een penalty opleveren. Er zijn echter een aantal strafrechtelijke, bestuurlijke en tuchtrechtelijke maatregelen die een bestraffend element in zich lijken te hebben, maar die niettemin niet als criminal charge kwalificeren, terwijl er ook sancties zijn die, hoewel die geen boete of vrijheidsontneming behelzen, door het Hof weer wel worden gerubriceerd als criminal charge. De vraag is daarbij ook of in die kwesties (tevens) sprake kan zijn van civil rights and obligations in de zin van art. 6 lid 1 EVRM.
Zo is er een aantal geschillen dat volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oudsher buiten de scope van de burgerlijke rechten en plichten valt: zoals geschillen over vreemdelingen,14 belastingheffing15 en ambtenarenrecht.16 Daarmee is echter niet gezegd dat waar in die deelgebieden sancties in het geding zijn geen sprake kan zijn van een strafvervolging in de zin van art. 6 EVRM. In vreemdelingenzaken is weliswaar door het EHRM overwogen dat het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen geen strafvervolging oplevert,17 maar waar het gaat om de omzetting van een vrijheidstraf in een maatregel tot uitzetting en ongewenstverklaring is art. 7 EVRM wel van toepassing verklaard.18 Met betrekking tot fiscale boetes is de vaste lijn dat die wel een bestraffing opleveren.19 De notie dat het EVRM niet van toepassing is op geschillen tussen overheden en die tussen ambtenaar en overheidswerkgever leek ook te zien op sancties.20 De Hoge Raad heeft echter bepaald dat een gemeente die met een fiscale boete wordt geconfronteerd aanspraak maakt op berechting binnen een redelijke termijn, want art. 6 lid 1 EVRM kent het in die bepaling neergelegde recht toe aan een ieder, derhalve ook aan een publiekrechtelijk lichaam.21 Deze redelijke termijnjurisprudentie zal naar het zich laat aanzien ook op gewone fiscale geschillen toepassing gaan vinden.22 Inmiddels heeft het EHRM geoordeeld dat het in de zaak Pellegrin23 gehanteerde criterium dat ambtenaren waar typische overheidstaken in het geding zijn geen beroep kunnen doen op art. 6 EVRM, tot teveel onduidelijkheid en onzekerheid heeft geleid. In de zaak Vilho Eskelinen heeft het EHRM daarom de rechtsregel geformuleerd dat ambtenaren in beginsel wel een beroep kunnen doen op art. 6 EVRM. Dit is slechts anders indien het nationale recht toegang tot de rechter uitsluit en voor die uitsluiting een rechtvaardiging (publiek belang) wordt aangedragen door de lidstaat.24 Dit brengt ons echter niet veel verder waar het gaat om sancties tegen ambtenaren, omdat Pellegrin en Vilho Eskelinen in feite zien op burgerlijke rechten en niet op bestraffing. Ik houd het er op dat het ambtenarentuchtrecht dan ook weliswaar ziet op burgerlijke rechten en plichten, maar in beginsel geen strafvervolging oplevert.25 Salariskortingen en strafontslag liggen wat mij betreft binnen de originaire rechtsbetrekking26 en zijn vergelijkbaar met sancties die plaatshebben binnen een gewone arbeidsovereenkomst. Daarmee is niet gezegd dat het niet gaat om punitieve sancties, maar wel dat die geen criminal charge opleveren en dus ook geen penalty als bedoeld in art. 7 EVRM.27 Bij militair tuchtrecht kan wel sprake zijn van strafvervolging. Gelet op de zaak Engel28 lijkt hier het onderscheidend criterium te zijn of sprake is van vrijheidsontneming.29
Een vrijheidsbeperkende maatregel zoals een zogenoemd veertiendagenbevel, dat was gebaseerd op art. 219 (thans art. 175) Gemeentewet, leverde volgens het Hof geen strafvervolging op. Hier werd een eerdere overtreder uit een oogpunt van openbare orde voor bepaalde duur de toegang tot een gebied ontzegd. Dat overtreding van het bevel tot strafvervolging kon leiden maakte dit niet anders.30 Uit de schaarse jurisprudentie van het EHRM hieromtrent kan worden afgeleid dat de intrekking van een vergunning tot de verkoop van alcohol in een restaurant op grond van ongeschiktheid van de houder wegens een gebrekkige boekhouding niet kon worden gezien als een bestraffende sanctie.31 Of bestuursdwang tegen een niet vergund bouwwerk als een bestraffing moet worden aangemerkt bestaat onduidelijkheid. In voorkomende zaken werd wel geoordeeld dat civil rights and obligations in geding waren, maar in één van de aan het Hof voorgelegde gevallen werd voorts geoordeeld dat daarnaast ook sprake was van een criminal charge.32De aftrek van rijbewijspunten is wel uitdrukkelijk als een bestraffing gezien.33 Hier speelde dat de verkeersdeelnemers door dit puntensysteem bij herhaaldelijke verkeersovertredingen kunnen worden getroffen door intrekking van het rijbewijs. Ook de duur van de sanctie kan daarbij een rol spelen. Zo werd de inbeslagname van een rijbewijs door de officier van justitie voor de duur van 15 dagen direct na aanhouding bij een ongeval niet en de intrekking van een rijbewijs voor de duur van 18 maanden in een bestuursrechtelijke procedure na een strafrechtelijke veroordeling wegens rijden onder invloed wel als een bestraffing aangemerkt.34In die laatste zaak overwoog het EHRM:
`(...) [T]he Court observes that, although the relevant offences of aggravated drunken driving and unlawful driving had occurred on 21 November 1998, it was not until 5 August 1999 that the County Administrative Board withdrew the applicant' s driving licence. Therefore, prevention and deterrence for the protection of the safety of road users could not have been the only purposes of the measure; retribution must also have been a major consideration. The measure was taken under Chapter 5 of the Driving Licence Act on the specific grounds of his conviction on 24 June 1999 by the District Court for aggravated drunken driving and unlawful driving, a criminal offence under sections 3(1) and 4A of the Traffic Offences Act. His conviction provided a sufficient ground for withdrawal of his licence. (...) In the light of the above, the Court agrees with the conclusion reached by the Swedish Supreme Administrative Court that, although under Swedish law the withdrawal of a driving licence had traditionally been regarded as an administrative measure designed to protect road safety, withdrawal on the ground of a criminal conviction, as in this case, constituted a "criminal" matter for the purpose of Article 4 of Protocol No. 7. Indeed, this finding was not disputed by the parties in the proceedings before the Court. What is more, in the view of the Court, the severity of the measure — suspension of the applicant' s driving licence for 18 months was in itself so significant, regardless of the context of his criminal conviction, that it could ordinarily be viewed as a criminal sanction (…).’35
De laatste overweging is opmerkelijk. De intrekking van een rijbewijs voor de duur van 18 maanden is volgens het EHRM in deze ontvankelijkheidsbeslissing met betrekking tot art. 4 lid 1 Zevende Protocol (ne bis in idem) reeds op zichzelf al een zo zware sanctie, dat die normaliter als een bestraffende sanctie moet worden aangemerkt, ook als die intrekking niet was gebaseerd op een strafrechtelijke veroordeling wegens rijden onder invloed. Hier lijkt aldus het zwaartecriterium doorslaggevend. Bedacht moet echter worden dat een dergelijke intrekking van een rijbewijs, net als de aftrek van rijbewijspunten, een reactie zal zijn op één of meer geconstateerde verkeersovertredingen. Dan is gelet op de zwaarte van de sanctie weliswaar niet van doorslaggevend belang dat er ook een strafrechtelijke procedure is geweest, maar is wel van belang dat het een reactie is op één of meer verkeersovertredingen. Voorts heeft het Hof in de zaak Nilsson overwogen dat gelet op het tijdsverloop tussen de overtreding en de intrekking ook leedtoevoeging moet zijn beoogd.
Hoe zit het nu met sancties die nationaalrechtelijk juist wel in een strafrechtelijke context plaatshebben? Zoals hierboven bleek heeft het EHRM de nationale kwalificatie slechts als beginpunt gehanteerd en niet als doorslaggevend. Dit was in de hiervoor besproken jurisprudentie vooral ingegeven om juist sancties die in het nationale recht als bestuurlijk of tuchtrechtelijk werden beschouwd onder het criminal charge-begrip van art. 6 EVRM te brengen. Indien naar nationaal recht via het strafrecht wordt opgetreden lijkt het aldus in de rede te liggen er in beginsel juist wel van uit te gaan dat sprake is van een criminal charge. Toch is dit niet zonder meer het geval. Zo bleek hiervoor al dat aan de inbeslagname van het rijbewijs direct na een ongeval voor korte duur door het openbaar ministerie dit etiket werd onthouden.36 Door de korte duur van de maatregel was er geen significant nadeel volgens het Hof. In de zaken Phillips en Van Offeren oordeelde het Hof dat een ontnemingsmaatregel weliswaar een penalty opleverde, maar dat in de ontnemingsprocedure geen beroep kon worden gedaan op de in art. 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie omdat de ontnemingsprocedure voortborduurt op een strafrechtelijke veroordeling.37 Wel werd in de zaak Phillips de klacht mede in het licht van art. 6 lid 1 EVRM beoordeeld omdat de ontnemingsmaatregel zelf een bijkomende strafoplegging behelsde en werd die maatregel tevens beoordeeld in het licht van art. 1 van het Eerste Protocol.38 Het gaat aldus wel om een bestraffing, maar er is geen sprake van een afzonderlijke charge. Toch is dit laatste niet altijd het geval. Zo leert de zaak Geerlings dat voordeel-ontneming met betrekking tot feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken wel in strijd komt met de in art. 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie.39 Indien op grond van de Wet OM-afdoening bij strafbeschikking de aanwijzing wordt gegeven de benadeelde te compenseren of de in strijd met de wet aangetrokken gelden terug te betalen aan de beleggers kan aldus ook de vraag worden gesteld of nog sprake is van een bestraffing. Een dergelijke sanctie is immers niet op leedtoevoeging gericht maar op schadeloosstelling. De link met civil rights and obligations is dan ook hier gauw gemaakt. Wel zal de strafbeschikking en de aanloop daartoe zelf wel steeds kwalificeren als een criminal charge.40Indien via de Wet OM-afdoening een boete wordt opgelegd of een vrijheidsbeperkende straf, zal dat zowel een criminal charge opleveren als een penalty. Uit het voorgaande volgt dat strafvervolging en bestraffing niet altijd in elkaars verlengde liggen.