NJB 2026/413:Begin van uitvoering bij poging tot uitvoer van cocaïne, art. 45 Sr jo. art. 1 lid 5 Opiumwet: ingevolge deze bepaling is ‘onder buiten het grondgebied van Nederland brengen’ mede begrepen het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden. Herhaling en toepassing uitgangspunten om te bepalen of er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. In casu hebben de verdachte en zijn mededader niet de beschikking over cocaïne gekregen omdat leveringen aan hen spaak liepen. Niettemin kon het hof oordelen dat het samenstel van hun gedragingen ‘naar hun uiterlijke verschijningsvorm concreet en rechtstreeks gericht was op een prompte voltooiing van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk één kilo cocaïne met bestemming naar het buitenland ten vervoer aan te bieden’ en dat dat samenstel daarmee kan worden beschouwd als een begin van uitvoering van dit voorgenomen misdrijf en een strafbare poging oplevert. Daarbij is van belang dat uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid dat de vastgestelde gedragingen van de verdachte en de mededader in tijd en plaats dicht lagen bij en concreet gericht waren op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf om cocaïne met bestemming naar het buitenland ten vervoer aan te bieden.