Parketnummer 21-003622-22.
HR, 10-02-2026, nr. 24/02860
ECLI:NL:HR:2026:189
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-02-2026
- Zaaknummer
24/02860
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:189, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:710
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:4633
ECLI:NL:PHR:2025:710, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:189
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑01‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0058
Uitspraak 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Onderzoek Vidar. Medeplegen poging tot uitvoer van cocaïne (art. 2.A Opiumwet). Bewijsklacht poging, begin van uitvoering a.b.i. art. 45.1 Sr. Kan uit bewijsvoering begin van uitvoering van buiten grondgebied van Nederland brengen van cocaïne worden afgeleid? O.g.v. art. 1.5 Opiumwet is ‘onder buiten grondgebied van Nederland brengen’ a.b.i. art. 2.A Opiumwet mede begrepen het met bestemming naar buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden (vgl. HR:2004:AM2529). HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:388 en HR:2023:479 m.b.t. vereisten voor strafbare poging. Hof heeft vastgesteld dat verdachte en A-4110 afspraken dat zij op 4-9-2018 A-4133 zouden ontmoeten bij hotel in Leeuwarden. Bij die ontmoeting bestelde A-4133 1 kilo cocaïne bij verdachte en gaf daarbij te kennen dat hij cocaïne nog diezelfde avond zou willen afnemen en dat iemand anders cocaïne mee terug naar ‘huis’ zou nemen. Verdachte liet toen weten hierover met vriend (mededader) te willen spreken en cocaïne in Amsterdam te zullen gaan halen zodat hij deze nog dezelfde avond zou kunnen leveren. Mededader regelde met zijn broer dat er kilo cocaïne in Amsterdam zou klaarliggen. Verdachte en mededader spraken met afnemers A-4110 en A-4133 af dat zij hen in Amsterdam zouden ontmoeten met het oog op overdracht, waarbij A-4110 en A-4133 geld zouden meenemen. Later die avond vertrokken verdachte en mededader met auto naar Amsterdam en enige tijd daarna arriveerden zij daar vlakbij afgesproken locatie, terwijl A-4110 en A-4133 iets later arriveerden op die locatie. Vervolgens vertelde verdachte hun dat hij ‘het ding’ had gezien, dat het ‘niet goed’ was en dat hij het niet kon versturen. Verdachte en mededader hebben nog geprobeerd om via andere leverancier kilo cocaïne geleverd te krijgen voor A-4133. Dit is echter niet doorgegaan omdat cocaïne van tweede leverancier niet binnen afzienbare tijd beschikbaar zou zijn, en omdat A-4133 volgende dag verhinderd was om cocaïne op te halen. Op deze vaststellingen heeft hof zijn oordeel gebaseerd dat samenstel van gedragingen van verdachte en mededader “naar hun uiterlijke verschijningsvorm concreet en rechtstreeks gericht was op prompte voltooiing van voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk 1 kilo cocaïne met bestemming naar buitenland ten vervoer aan te bieden”, en dat dat samenstel daarmee kan worden beschouwd als begin van uitvoering van dit voorgenomen misdrijf en strafbare poging oplevert. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit ’s hofs bewijsvoering kan worden afgeleid dat vastgestelde gedragingen van verdachte en mededader in tijd en plaats dicht lagen bij en concreet gericht waren op voltooiing van voorgenomen misdrijf om cocaïne met bestemming naar buitenland ten vervoer aan te bieden. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02694, 24/02748, 24/02749 P, 24/02802, 24/02842 en 24/02918 en met 24/02861 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02860
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van 12 juli 2024, nummer 21-003622-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt, M.J. van Berlo en A.A. Boersma bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden Baumgardt en Van Berlo hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde poging tot het buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. Het voert daartoe aan dat uit de bewijsvoering niet een begin van uitvoering van dat misdrijf kan worden afgeleid.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij omstreeks 4 september 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, één kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, tezamen en in vereniging met die mededader,
- naar [A] in [plaats] is gereden en
- naar [plaats] is gereden (in de buurt van [station] ) en
- met een persoon contact heeft gehad om een kilo cocaïne aan te schaffen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.
2.2.2
De bewijsvoering is weergegeven in de uitspraak van het hof die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:4633. De bewijsvoering houdt onder meer in:
“Op 4 september 2018 krijgt [codenaam 1] de opdracht om samen met [codenaam 2] [verdachte] te ontmoeten in [A] te [plaats] . Daarbij krijgt [codenaam 1] de opdracht om maximaal één kilo cocaïne te kopen van [verdachte] voor een bedrag van maximaal € 30.000,00. Diezelfde dag, omstreeks 19.00 uur, vindt in [A] [plaats] een ontmoeting plaats tussen [codenaam 2] , [codenaam 1] en [verdachte] . (...)
[codenaam 1] verklaart over dit deel van de ontmoeting dat hij aan heeft gegeven dat hij één kilogram cocaïne van [verdachte] wil kopen. [verdachte] geeft aan dat dit mogelijk is, maar dat de prijs is gestegen. [verdachte] en [codenaam 2] spreken als prijs af een bedrag van € 30.000,00. Van dit bedrag krijgt [codenaam 2] van zowel [codenaam 1] als [verdachte] € 500,00 voor het introduceren.
[codenaam 1] geeft aan dat hij de aankoop bij voorkeur vanavond afrondt. [verdachte] kan de kilogram cocaïne niet van zijn gebruikelijke lokale leveranciers krijgen omdat er niets beschikbaar is. Hij moet de cocaïne daarom in de buurt van Schiphol (het hof begrijpt: [plaats] ) halen. [codenaam 1] heeft het geld bij zich. [verdachte] en [codenaam 1] spreken af dat [verdachte] met een vriend het een en ander gaat bespreken en dat hij probeert om de cocaïne geleverd te krijgen. [codenaam 2] en [codenaam 1] wachten in de lobby tot [verdachte] terugkomt.
Omstreeks 19.29 uur verlaat [verdachte] het hotel en stapt hij in een Volkswagen Polo. Deze Volkswagen is voorzien van [kenteken] . Om 19.30 uur vertrekt de Volkswagen vanaf [a-straat 1] te [plaats] . Op dit adres is [A] gevestigd. Tussen 19.30 uur en 19.45 uur rijdt de Volkswagen vanaf [A] naar [plaats] .
Het inschakelen van de hulp van [betrokkene]
Uit de tap op het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer 1] ) blijkt dat hij om 19.36 uur een telefoongesprek voert met een man met een Antilliaans accent ( [telefoonnummer 2] ). [verdachte] vraagt aan de man of hij thuis is. De man bevestigt dit. [verdachte] wil een bakje koffie komen drinken. [verdachte] vraagt aan de man of hij het vest van de club nog even moet hebben. De man antwoordt daarop bevestigend. [verdachte] en de man spreken af bij de carpool. De stem van de man wordt herkend als de stem van “ [betrokkene] ”.
(...)
Het briefje van [verdachte]
Op 2 maart 2020 wordt tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] een foto gemaakt van een handgeschreven briefje met daarop de woorden " [station] ", " [woonwijk] " en "29500". Deze woorden zijn geschreven op briefpapier van [A] . Aan [verdachte] wordt een foto van een briefje voorgehouden. [verdachte] verklaart over de geschreven tekst dat het zijn handschrift kan zijn.
De reis naar [plaats]
Omstreeks 21.20 uur verlaat [verdachte] de Volkswagen en loopt hij het hotel weer in.
Nadat [codenaam 1] de rekening heeft betaald gaat hij bij [codenaam 2] en [verdachte] staan, [codenaam 2] en [verdachte] hebben op dat moment al afgesproken waar ze elkaar in [plaats] gaan ontmoeten.
(...)
[codenaam 2] verklaart over dit deel van de ontmoeting dat [verdachte] aan zijn vriend zou vragen om een voorstel voor een plek waar ze elkaar zouden ontmoeten in [plaats] . De plaats waar de ontmoeting plaats zal vinden is [station] in [plaats] .
[codenaam 1] verklaart over dit deel van de ontmoeting dat [codenaam 1] [verdachte] € 29.500,00 zal betalen en [codenaam 2] € 1.000,00. [codenaam 1] verklaart verder dat [verdachte] een afspraak heeft gemaakt voor de levering van één kilogram cocaïne in [plaats] . [verdachte] en zijn vriend gaan daar eerst naartoe om het te controleren. [verdachte] ontmoet [codenaam 1] en [codenaam 2] dan daar in de buurt. [verdachte] neemt [codenaam 1] vervolgens mee naar het huis om de deal af te ronden. [codenaam 2] en [codenaam 1] verlaten het hotel en gaan op weg naar [plaats] .
Omstreeks 21.30 uur verlaat [verdachte] het hotel en stapt de Volkswagen in.
(...)
De Volkswagen rijdt via […] in de richting van […] . Omstreeks 22.20 uur staat de Volkswagen geparkeerd bij de [B] , gelegen aan de […] te [plaats] . Op het parkeerterrein voert de man met de haarzak (hierna: [betrokkene] ) nabij de Volkswagen een telefoongesprek. Te horen is dat [betrokkene] zegt: “Ik ben bijna in [plaats] . Met alles erop en eraan. Ik heb die mensen allemaal in laten stappen. Ik ben bijna bij jullie.” Om 22.34 uur vertrekt de Volkswagen vanaf de parkeerplaats bij de [B] gelegen aan de […] te [plaats] .
(...)
Omstreeks 23.30 uur bevinden [codenaam 2] en [codenaam 1] zich in de omgeving van [station] . Omstreeks 23.59 uur loopt [verdachte] [b-straat] op. Bij [station] vindt een ontmoeting plaats tussen [codenaam 2] , [codenaam 1] en [verdachte] . Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met een technisch hulpmiddel. De opname van dit gesprek is uitgewerkt. Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
[codenaam 1] : Wat is er aan de hand?
[verdachte] : Ik heb het ding gezien.
[verdachte] : Het was niet goed.
[verdachte] : Ik kan het niet versturen. Voor een keer is het goed genoeg maar dan zeggen ze: "nah." Maar nu zijn we ... naar iemand anders.
(...)
Omstreeks 0.34 uur bevindt de Volkswagen zich op het parkeerterrein van de [B] aan de [c-straat] te [plaats] . [verdachte] gaat de [B] in. In de [B] ontmoet [verdachte] [codenaam 2] en [codenaam 1] . Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met een technisch hulpmiddel. De opname van dit gesprek is uitgewerkt. Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
[verdachte] : Ik heb het voor nu afgezegd.
[codenaam 1] : Het duur te lang?
[verdachte] : Ja, het duurt te lang.
[verdachte] : Ik zei: “we gaan het niet forceren.”
[verdachte] : De man van de eerste, van die normaal heeft, zegt dat hij morgen een andere kan hebben.
[codenaam 1] : Ik denk dat ik morgen niet kan. Ik denk dat we elkaar gewoon de hand moeten schudden en weglopen. We proberen het een andere keer weer.
(...)
Het hof kan zich grotendeels met de bewijsoverwegingen van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overwegingen hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet nu ‘hof’ worden gelezen.
“Uit deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte en [betrokkene] voornemens waren om tezamen en in vereniging een kilo cocaïne aan te schaffen in [plaats] . Tussen [betrokkene] en verdachte is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het gezamenlijk uitvoeren van het gezamenlijk plan om voornoemd misdrijf te voltooien. Uit het samenstel van gedragingen van [betrokkene] en verdachte valt af te leiden dat zij samen al in vergaande mate feitelijk uitvoering hadden gegeven aan dit plan en dat de verwerkelijking van dit misdrijf bovendien nabij was, zowel in tijd als in plaats. De cocaïne was beschikbaar en [codenaam 1] bevond zich reeds, op aanwijzen van verdachte, in de nabije omgeving van [betrokkene] en verdachte (en de beschikbare cocaïne) met het geldbedrag dat aan verdachte betaald zou moeten worden bij de levering, zodat de levering prompt verwerkelijkt kon worden. De kwaliteit van de cocaïne bleek echter niet goed te zijn, waardoor de beschikbare cocaïne niet aan [codenaam 1] geleverd werd. Vervolgens hebben [betrokkene] en verdachte nog een poging gedaan om via een andere leverancier, diezelfde nacht, dan wel de volgende dag, een kilo cocaïne geleverd te krijgen voor [codenaam 1] . Dit is echter niet doorgegaan omdat de cocaïne van de tweede leverancier niet binnen afzienbare tijd (diezelfde nacht) beschikbaar zou zijn, en omdat [codenaam 1] de volgende dag verhinderd was om de cocaïne op te halen. Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat het samenstel van de gedragingen van [betrokkene] en verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm concreet en rechtstreeks gericht was op een prompte voltooiing van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk één kilo cocaïne met bestemming naar het buitenland ten vervoer aan te bieden. Het samenstel van deze gedragingen kan daarmee worden beschouwd als een begin van uitvoering van dit voorgenomen misdrijf en levert dus een strafbare poging op. De omstandigheid dat de cocaïne nog niet was aangekocht door [betrokkene] en verdachte doet hier niets aan af. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [betrokkene] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging om opzettelijk buiten het grondgebied van (de Hoge Raad begrijpt: Nederland) brengen van één kilo cocaïne. Het ten laste gelegde medeplegen bestond in de kern uit een gezamenlijke uitvoering van het feit.”
Dat verdachte die nacht enkel naar [plaats] is gereden om de schijn op te houden, zodat het leek alsof hij dienstig was aan [codenaam 2] teneinde [codenaam 2] van zich af te krijgen, acht het hof op grond van de bewijsmiddelen en de door verdachte verrichte handelingen en uitlatingen zoals die daaruit naar voren komen niet geloofwaardig. Van aanknopingspunten voor de stelling dat verdachte eigenlijk niet verder wilde en slechts een rol speelde is het hof niet gebleken. Ook in gesprekken met [betrokkene] die door hem ingeschakeld is, voor wie hij niet de schijn op hoefde te houden en van wie hij niets te vrezen had stelt verdachte zich actief op en is hij gericht op het doen slagen van de transactie en bovendien op toekomstige handel in verdovende middelen en de daarmee gepaard gaande verdiensten. Het hof overweegt voorts dat [verdachte] op 24 mei 2018 een gesprek heeft met [codenaam 2] . In dat gesprek geeft [codenaam 2] aan dat hij iemand heeft voor die ‘snelle’, Ieren. Verdachte vraagt vervolgens: “Willen ze het hier oppakken?” en zegt: “Beter is hier.” en “Ik wil aan deze kant blijven”. Het hof neemt voorts in aanmerking dat [betrokkene] in een telefoongesprek in de nacht van 4 op 5 september 2018 met NNM zegt: “Je maakt een afspraak en zegt tegen hen: Ik heb dat ding voor jou. Dan betalen die mensen hun tickets en zaken. Die mensen komen aan. Die mensen betalen voor een hotel. Die mensen betalen alles. (...) Elke dag dat die mensen hier blijven kost meer geld broer.” Uit deze gesprekken, in combinatie met de feitelijke handelingen in de nacht van 4 op 5 september 2018, leidt het hof af dat alles wat in de nacht van 4 op 5 september 2018 is gebeurd er op was gericht om de Ierse afnemer met een kilo cocaïne terug naar Ierland te laten gaan.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 1 lid 5 van de Opiumwet:
“Onder buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de artikelen 2, 2a, eerste lid, en 3, is begrepen:
het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden, het ten uitvoer dan wel ten wederuitvoer aangeven, daaronder begrepen het doen van een summiere aangifte bij uitgaan of het in kennis stellen van de wederuitvoer, in de zin van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) of het in, op of aan een naar het buitenland bestemd vaar-, voer- of luchtvaartuig aanwezig hebben van die middelen, of van die voorwerpen of goederen.”
- Artikel 2, aanhef en onder A, Opiumwet:
“Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen.”
- Artikel 45 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht:
“Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.”
2.4
Op grond van artikel 1 lid 5 Opiumwet is ‘onder buiten het grondgebied van Nederland brengen’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder A, Opiumwet mede begrepen het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden (vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2529).
2.5
Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven. Een belangrijke beoordelingsfactor is daarbij hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. (Vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388 en HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479).
2.6.1
Het hof heeft de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte en [codenaam 2] spraken af dat zij op 4 september 2018 [codenaam 1] (‘ [bijnaam] ’) zouden ontmoeten bij [A] in [plaats] . Bij die ontmoeting bestelde [codenaam 1] één kilo cocaïne bij de verdachte en gaf daarbij te kennen dat hij de cocaïne nog diezelfde avond zou willen afnemen en dat iemand anders de cocaïne mee terug naar ‘huis’ zou nemen. De verdachte liet toen weten hierover met een vriend (de mededader [betrokkene] ) te willen spreken en de cocaïne in [plaats] te zullen gaan halen zodat hij deze nog dezelfde avond zou kunnen leveren. [betrokkene] regelde met zijn broer dat er een kilo cocaïne in [plaats] zou klaarliggen. De verdachte en [betrokkene] spraken met de afnemers [codenaam 2] en [codenaam 1] af dat zij hen in [plaats] zouden ontmoeten met het oog op de overdracht, waarbij [codenaam 2] en [codenaam 1] het geld zouden meenemen. Later die avond vertrokken de verdachte en [betrokkene] met de auto naar [plaats] en enige tijd daarna arriveerden zij daar vlakbij [station] , terwijl [codenaam 2] en [codenaam 1] iets later arriveerden op de afgesproken locatie ( [station] ). Vervolgens vertelde de verdachte hun dat hij ‘het ding’ had gezien, dat het ‘niet goed’ was en dat hij het niet kon versturen. De verdachte en [betrokkene] hebben nog geprobeerd om via een andere leverancier een kilo cocaïne geleverd te krijgen voor [codenaam 1] . Dit is echter niet doorgegaan omdat de cocaïne van de tweede leverancier niet binnen afzienbare tijd beschikbaar zou zijn, en omdat [codenaam 1] de volgende dag verhinderd was om de cocaïne op te halen.
2.6.2
Op deze vaststellingen heeft het hof zijn oordeel gebaseerd dat het samenstel van de gedragingen van de verdachte en [betrokkene] “naar hun uiterlijke verschijningsvorm concreet en rechtstreeks gericht was op een prompte voltooiing van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk één kilo cocaïne met bestemming naar het buitenland ten vervoer aan te bieden”, en dat dat samenstel daarmee kan worden beschouwd als een begin van uitvoering van dit voorgenomen misdrijf en een strafbare poging oplevert. Dat oordeel getuigt in het licht van wat onder 2.4 en 2.5 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid dat de vastgestelde gedragingen van de verdachte en de mededader [betrokkene] in tijd en plaats dicht lagen bij en concreet gericht waren op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf om cocaïne met bestemming naar het buitenland ten vervoer aan te bieden.
2.7
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.
Conclusie 15‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Onderzoek Vidar. Medeplegen poging en daadwerkelijke uitvoer van verdovende middelen. Falende middelen over i) verwerping van verweer strekkende tot bewijsuitsluiting vanwege ‘uitlokking’ door criminele burgerinfiltrant en ii) ‘begin van uitvoering’ in het kader van poging uitvoer verdovende middelen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. (Samenhang met 24/02694, 24/02748, 24/02749P 24/02802, 24/02842 en 24/02918)
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02860
Zitting 15 juli 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 12 juli 2024 door het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden1.wegens onder 1 “medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer van een aantal inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen bevolen en de teruggave van een aantal andere voorwerpen gelast, zoals nader omschreven in het arrest.
1.2
Deze zaak is één van zeven samenhangende zaken (24/02694, 24/02748, 24/02749P, 24/02802, 24/02842, 24/02860 en 24/02918) waarin ik vandaag concludeer.2.Deze zaken komen allemaal voort uit het onderzoek ‘Vidar’ dat in 2018 is opgestart vanwege een concrete verdenking van internationale drugshandel door de verdachte, lid van motorclub Red Devils, een supportclub van de Hells Angels. De doelstelling van het onderzoek Vidar was het vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van leden van de Hells Angels, charter North Coast, in [plaats] bij de internationale handel in harddrugs. Gaandeweg dit onderzoek is voor het eerst sinds de totstandkoming van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (die het gevolg was van de IRT-affaire) weer een criminele burgerinfiltrant in een Nederlands opsporingsonderzoek ingezet.
1.3
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting in verband met de uitlokking van de verdachte door de criminele burgerinfiltrant A-4110 en de daarmee samenhangende schending van art. 6 EVRM.
2.2
Aan de verdachte is tenlastegelegd:
“1.ZD-01 hij op of omstreeks 4 september 2018 in [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer een kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tezamen en in vereniging met die mededader(s),
- naar [A] hotel in [plaats] is gereden en/of
- naar [plaats] is gereden (in de buurt van [B] ) en/of
- met één of meer personen contact heeft gezocht/gehad om een kilo cocaïne aan te schaffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.ZD-02, ZD-03, ZD-04, ZD-05, ZD-06 hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2018 tot en met 1 april 2019 in [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk, meermalen, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, te weten
- op of omstreeks 14/15 oktober 2018 ongeveer 987,41 gram van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 99,75 gram van een materiaal bevattende cocaïne (ZD-02) en/of - op of omstreeks 12 november 2018 ongeveer 4980,6 gram van een materiaal bevattende amfetamine (ZD-03) en/of
- op of omstreeks 11 december 2018 ongeveer 8315,88 gram van een materiaal bevattende amfetamine (ZD-04) en/of - op of omstreeks 14 februari 2019 ongeveer 9893,1 gram van een materiaal bevattende amfetamine (ZD-05) en/of
- in de periode van 24 maart 2019 tot en met 1 april 2019 ongeveer 12227,58 gram van een materiaal bevattende amfetamine en/of 964,29 gram van een materiaal bevattende MDMA (ZD-06)
zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”
2.3
Ten aanzien van de verwerping van het door de verdediging gedane beroep op bewijsuitsluiting wegens uitlokking heeft het hof het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
"Traject [verdachte]
Redelijk vermoeden van schuld Ingevolge artikel 27, eerste lid, Sv dient vóórdat de vervolging is aangevangen als verdachte aangemerkt te worden degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. Daarom kan, ook als (nog) niet vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.
De verdenking Uit het dossier volgt dat het onderzoek van de politie is gestart op basis van de verdenking dat verdachte [verdachte] zich zou bezighouden met de internationale handel in harddrugs. Deze verdenking is gebaseerd op het proces-verbaal van politie d.d. 20 april 2018.
Als feitelijke aanleiding wordt in voornoemd proces-verbaal het volgende vermeld:Vanuit hun functie als begeleider bij het team Werken onder Dekmantel hebben B-2820 en B-2821 dinsdag 9 januari 2018 contact gehad met A-4110. Deze laatste staat ingeschreven in het register van het Team Burger in Opsporing van de Landelijke Eenheid. A-4110 gaf in dat gesprek aan dat hij benaderd was door - een voor de begeleiders onbekende - [verdachte] .
A-4110 vertelde dat [verdachte] hem had gevraagd of A-4110 'nog wat doet'. [verdachte] vroeg hem na een kort gesprek of A-4110 binnenkort nog eens langs zou komen. A-4110 vertelde de begeleiders B-2820 en B-2821 dat hij [verdachte] al jaren kent en dat hij lid is van de Red Devils in [plaats] . Deze Red Devils zouden volgens A-4110 goede contacten hebben met de Hells Angels in [plaats] . Op 16 januari 2018 vertelde A-4110 de begeleiders dat hij [verdachte] opnieuw gesproken had. [verdachte] had hem gevraagd om een afnemer van speed, het liefst uit het buitenland.
Over deze gang van zaken is een proces-verbaal van bevindingen door B-2820 en B-2821 opgemaakt. Daaruit volgt onder meer dat de door A-4110 gegeven informatie door B-2820 en B-2821 op 16 januari 2018 is doorgegeven aan het Openbaar Ministerie. Uit het bovengenoemde proces-verbaal van verdenking volgt dat op 22 februari 2018 door de officier van justitie is beslist tot het horen van A-4110 als getuige. Diezelfde dag hoorden verbalisanten B-2820 en B-2821 getuige A-4110. Van dat verhoor is een proces-verbaal van verhoor opgemaakt. A-4110 verklaarde – samengevat – dat:Hij op woensdag 3 januari 2018 aan de [a-straat] in [plaats] werd aangesproken door [verdachte] . Hij zei: "Hoi hoe is het alles goed met je?” Getuige vertelde dat hij net op vakantie was geweest. [verdachte] vroeg hem vervolgens: "doe je nog weleens wat? Getuige weet dat [verdachte] hiermee bedoelt, wapens handelen, drugs handelen, getuige zegt dat [verdachte] weet dat getuige altijd mee liep met [betrokkene 1] . Getuige bevestigde [verdachte] vraag en [verdachte] , die met vrouw of vriendin was, zei vervolgens: "kom eens bij me langs misschien kunnen we wat doen". Getuige sprak met [verdachte] af dat hij bij hem langs zou komen. Op 11 januari 2018 is getuige langs de woning van [verdachte] gereden in [plaats] . Hij heeft een vriend van [verdachte] gebeld, genaamd [betrokkene 2] , om te vragen of [verdachte] nog in [plaats] woonde. Getuige kreeg via [betrokkene 2] het telefoonnummer van [verdachte] . Getuige heeft – hij denkt op 12 januari 2018 – [verdachte] gebeld. [verdachte] zei naar hem toe te komen op de [b-straat] . [verdachte] is bij getuige in de auto gestapt en zij hebben een gesprek gehad. Getuige zei tegen [verdachte] : "wat zoek je". [verdachte] zei: "ik zoek iemand voor speed, liever iemand uit het buitenland dan iemand uit Nederland". "Speed kost weinig investering en levert wel wat op" vertelde [verdachte] getuige. Getuige vroeg [verdachte] of hij nog wat met transport deed. [verdachte] zei: "de vorige keer dat we daar over spraken vertrouwde je mij niet". Getuige vroeg hem: "hoezo". [verdachte] zei: Je keek mij zo raar aan". Dit gesprek was aldus getuige bij [betrokkene 3] in [plaats] , daar hadden zij een gesprek over het vervoer van cocaïne met boten. Getuige had [verdachte] had toen voorgesteld bij [betrokkene 3] in [plaats] , [verdachte] was daar met een Hindoestaanse jongen die nu ook bij de Red Devils is. Getuige denkt dat dit voorzover hij weet niets is geworden. [verdachte] zei dat hij altijd nog belang bij transport heeft, hij zei: "alleen cocaïne kost te veel inkoop, dan moet je teveel investeren". Hij zei dat hij liever speed deed, dit is voorhanden. [verdachte] zei dat de jongens met die hesjes er niet bij komen. [verdachte] zei: we hebben afgesproken dat we bij zaken doen geen hesjes meer aan doen" Hij zei verder dat die jongens met speed niets te maken hebben. Getuige heeft tegen [verdachte] gezegd dat hij gaat kijken of hij iemand kent. Getuige heeft verder niets over speed of cocaïne gezegd. Getuige zegt dat [verdachte] wel weet wel dat getuige van vroeger contacten in Denemarken heeft. Getuige kent deze [verdachte] meer dan 10 jaar, weet zijn achternaam niet. [verdachte] is aldus getuige ergens in de 30 jaar oud. [verdachte] wil zich graag profileren in de bovenwereld als de maffia. Hij reed eerder als chauffeur van [betrokkene 4] , dit is een van de rijksten van Friesland. Toen getuige hem in het begin kende had hij meerdere wapens in de verkoop. Getuige weet dat [verdachte] lid is van de Red Devils. Deze Red Devils is een supportclub van de Hells Angels in [plaats] . [verdachte] is full member, welke rang weet hij niet. De Hindoestaan die zijn kameraad is zit in de wit. [verdachte] doet van alles als het maar geld oplevert, drugshandel, wapenhandel. In [plaats] is het algemeen bekend dat [verdachte] goede contacten heeft met de Hells Angels in [plaats] . Getuige weet dat [verdachte] een vriendin heeft die uit [plaats] komt. De vader van die vriendin heeft een [C] in [plaats] ".
Uit het bovengenoemd proces-verbaal van verdenking volgt dat uit een zoekslag in de politiesystemen vervolgens naar voren komt dat ene [verdachte] , 32 jaar, sergeant at arms is van de Red Devils in [plaats] .
Een check van de gegevens van de Kamer van Koophandel wijst uit dat [verdachte] vennoot is van [C] , [c-straat] in [plaats] . Voor zover bij politie bekend zijn er aldus het proces-verbaal van verdenking bij de Red Devils geen andere leden die [verdachte] heten.
Uit een zogenoemd TOOI (Team Openbare Orde Inlichtingen) rapport volgt dat een contact van [verdachte] de president van de Red Devils is: [betrokkene 5] , geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] .
Geconcludeerd wordt in het bovengenoemde proces-verbaal van verdenking dat de ' [verdachte] ' waarover getuige A-4110 spreekt, moet zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] .
Uit een op ambtsbelofte opgemaakt afscherm proces-verbaal van TCI d.d. 13 april 2018 volgt nog dat uit een in Nederland onder leiding van een officier van justitie ander lopend opsporingsonderzoek informatie is ontvangen – samengevat - inhoudende dat:[verdachte] sergeant at arms is van de outlaw motorcycle gang Red Devils in [plaats] , een supportclub van de Hells Angels, charter Northcoast in [plaats] . [verdachte] heeft contact met de kaderleden van de [D] Hells Angels, te weten: [betrokkene 6] , president; [medeverdachte 2] , vice-president; [betrokkene 7] , treasurer; [betrokkene 8] , sergeant at arms; [betrokkene 9] , sergeant at arms. Ook zijn er aanwijzingen dat [verdachte] zich vermoedelijk bezighoudt met cryptocurrency. In dit proces-verbaal worden de geboortedata en vermoedelijk door hen gebruikte telefoonnummers beschreven.
Samenvattende conclusie uit het proces-verbaal van verdenking d.d. 20 april 2018 is dat [verdachte] zich, al dan niet samen met anderen, vermoedelijk bezig houdt met internationale handel in harddrugs.
Beoordeling van de verdenking
Het hof betrekt het bovenstaande bij de beoordeling van de verdenking. Het hof overweegt dat de verdenking van verdachte [verdachte] op 20 april 2018 in de kern aanvankelijk is gebaseerd op verklaringen van A-4110 die gaan over de ontmoetingen die hij heeft gehad met [verdachte] op 3 januari en 12 januari 2018. Uit het dossier volgt dat in de aanloop van het proces-verbaal van verdenking is getracht de inhoud van de door A-4110 gegeven informatie te checken. Resultaat daarvan is dat diverse onderdelen van de verklaringen van A-4110 bevestiging vinden in andere bronnen. Daarmee staan de verklaringen van A-4110 niet op zich maar worden zij ingebed in andere gegevens. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de met opsporing belaste autoriteiten uit de inhoud van die verklaringen in samenhang bezien met hetgeen in het proces-verbaal van verdenkingen de andere bovengenoemde processen-verbaal is bevestigd, ten aanzien van verdachte in redelijkheid een vermoeden van schuld hebben kunnen afleiden ten aanzien van (medeplegen) van (voorbereidingshandelingen voor) de opzettelijke uitvoer van harddrugs. De rechtbank merkt naar het oordeel van het hof terecht op dat geen rechtsregel er aan in de weg staat dat een verdenking kan worden gebaseerd op slechts één verklaring. Waar het om gaat is dat de verdenking is gebaseerd op voldoende objectieve, concrete en controleerbare feiten en omstandigheden. Het hof is van oordeel dat daarvan sprake was.Het hof stelt vast dat op basis van deze verdenking zoals neergelegd in het proces-verbaal van 20 april 2018 ten aanzien van verdachte [verdachte] een opsporingsonderzoek met de naam Vidar is gestart. Over die start en de daaraan voorafgaande periode zijn meerdere getuigen gehoord. A-4110 heeft in die verhoren verklaard hoe de contacten met [verdachte] in de beginperiode verliepen. De WOD begeleiders hebben daarover ook verklaringen afgelegd. Het hof stelt op basis van de inhoud van het dossier, waaronder die verklaringen van B-2820 en B-2821, vast dat het opsporingsonderzoek in de zaak daadwerkelijk is aangevangen nadat het proces-verbaal van verdenking was opgemaakt en de officier van justitie daarover een beslissing had genomen. De uitleg van de beide WOD-begeleiders van A-4110 maakt duidelijk dat in de beginperiode tussen 9 januari 2018 (het eerste moment dat zij van A-4110 vernamen dat ene [verdachte] en A 4110 een ontmoeting hadden gehad) en het moment dat het opsporingsonderzoek en evenmin daarvóór, geen instructie aan A-4110 is gegeven in de richting van [verdachte] . Helder is geworden dat er contact bestond tussen de WOD-begeleiding en A-4110 in die tijd, dat vond evenwel plaats in de afbouwfase van een eerder onderzoek. De WOD-begeleiders hebben uitgelegd dat tegen A-4110 in die beginperiode voorafgaand aan de start van het opsporingsonderzoek niet anders is gezegd dat A-4110 in zijn contact met [verdachte] , een bekende van A-4110, kon doen wat hij altijd doet en dat dat zijn eigen keuze was. Het hof acht dat navolgbaar.
Dit leidt ertoe dat het hof de verdediging niet volgt in haar verweer dat het politieonderzoek op een eerder moment is gestart, zonder dat sprake was van een redelijke vermoeden van schuld.Uitlokking?
Het strafrechtelijk onderzoek start voorzover hier relevant met een eerste inzet van A-4110 op 22 mei 2018 op basis van een overeenkomst tot burgerpseudokoop/-dienstverlening. Opdracht van A-4110 was een buitenlandse burger en/of opsporingsambtenaar te introduceren en deze te faciliteren in zijn contacten met verdachte [verdachte] . Van die eerste inzet op 22 mei 2018 zijn door middel van door A-4110 meegedragen apparatuur OVC geluidsopnamen gemaakt.
Bij de beoordeling van de vraag of verdachte [verdachte] door A-4110 is uitgelokt strafbare feiten te plegen heeft het hof onder meer de inhoud van de verklaringen van verdachte [verdachte] , de verklaringen van A-4110 afgelegd tegenover zijn begeleiders, de OVC’s van gesprekken waaraan onder meer verdachte [verdachte] en A-4110 deelnamen, maar ook in een auto afgeluisterde gesprekken en andere hieronder aan te duiden onderzoeksresultaten in aanmerking genomen. Het hof heeft bij zijn afweging ook betrokken hetgeen bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris gehoorde getuigen, waaronder de WOD-begeleiders van A-4110, hebben verklaard.
Verdachte [verdachte] stelt - samengevat - door toedoen en onder druk van A-4110 het wilsbesluit te hebben genomen in zee te gaan met A-4110. Ten tijde van zijn zesde politieverhoor op 3 augustus 2018 stelt verdachte [verdachte] dat er sprake was van een dwingende en dreigende situatie vanuit A-4110, dat hij (verdachte [verdachte] ) voor hemzelf belastende uitspraken heeft gedaan en drugs heeft verkocht in die situatie omdat hij werd gepusht en meende het niet anders te kunnen doen.
Voor de beoordeling van deze door verdachte [verdachte] beschreven gang van zaken is onder meer relevant in hoeverre kan worden afgegaan op hetgeen A-4110 en verdachte [verdachte] over hun gezamenlijke contacten en de aanloop er naar toe verklaren.
Het hof stelt allereerst vast dat A-4110 en verdachte [verdachte] – hoe dan ook – op 3 januari 2018 een ontmoeting hebben gehad waarbij – naar het hof uit beider verklaringen begrijpt – kort over duistere zaken zoals drugshandel is gesproken. A-4110 heeft verklaard als vervolg van de tijdens die ontmoeting gemaakte afspraak verdachte [verdachte] nadien te hebben gezocht en op 12 januari 2018 uiteindelijk via een gezamenlijke kennis, [betrokkene 2] , het telefoonnummer van verdachte [verdachte] te hebben verkregen. Door de politie is uitgezocht hoe het leggen van dit telefonisch contact is verlopen. Uit het proces-verbaal van analyse eerste contacten januari 2018 A-4110 en [verdachte] volgt dat [betrokkene 2] verdachte [verdachte] (op 12 januari 2018 om 12:06 uur) meedeelt dat A- 4110 het telefoonnummer van [verdachte] ff moet hebben. Verdachte [verdachte] appt zijn telefoonnummer naar [betrokkene 2] om 12:37 uur direct gevolgd door een duimpje omhoog van verdachte [verdachte] . Volgens de telefoongegevens van verdachte [verdachte] belt A-4110 diezelfde dag om 14:00 uur met verdachte [verdachte] en – volgens zowel de verklaring van verdachte [verdachte] en A-4110 –rijdt A-4110 kort daarna naar [verdachte] die bij A-4110 in de auto plaatsneemt. In de geparkeerde auto voeren beiden een gesprek. Dat gesprek op 12 januari 2018 gaat in de visie van A-4110 en verdachte [verdachte] - hoe dan ook - over drugs.
Verdachte [verdachte] heeft namelijk over dat gesprek in de auto op 12 januari 2018 tijdens zijn zesde verhoor bij de politie verklaard dat het onderwerp drugs was en dat A-4110 geld wilde verdienen. A-4110 heeft over dat gesprek op 16 januari 2018 tegenover zijn WOD begeleiders verklaard dat verdachte [verdachte] – kort gezegd – had gezegd dat hij op zoek was naar een buitenlandse afnemer van drugs. Tijdens zijn verhoor op 22 februari 2018 verklaart A-4110 daar ook aldus over. Tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris heeft A-4110 zijn verklaring herhaald en uitleg gegeven op vragen over de ontmoetingen met verdachte [verdachte] begin januari 2018. Desgevraagd zegt A-4110 tijdens het verhoor van de rechter-commissaris: U houdt mij voor dat ik zeg (pag. 1264: het hof begrijpt tijdens de eerste gearrangeerde (OVC) ontmoeting op 24 mei 2018) dat ik iemand had voor die snelle, maar dat ik eerder heb gezegd dat [verdachte] daarmee moet komen. U maakt er wat anders van. Er was afgesproken dat ik een klant voor hem zou zoeken, daarom zei ik dat ik iemand voor die snelle heb. Ja klopt, dit was dus een vervolg op een eerder gesprek. U vraagt mij wie de leiding had in die gesprekken. Wij samen, het moet bij hem weg komen niet bij mij. Ik kan niet leveren, bij [verdachte] moeten de drugs weg komen. U vraagt mij of ik de leiding had in de gesprekken. Nee dat denk ik niet. [verdachte] is mondig genoeg.
Het hof heeft gekeken hoe het eerste (OVC) gesprek tussen verdachte [verdachte] en A-4110 op 22 mei 2018 tot stand is gekomen. Uit het dossier leidt het hof af dat A-4110 op 22 mei 2018 om 19:01 uur telefonisch contact zoekt met [verdachte] om een afspraak te maken. Dat is conform de afspraak in het kader van de WOD-inzet van A-4110. In dat gesprek wordt het volgende tussen A-4110 en verdachte [verdachte] uitgewisseld:
[verdachte] wordt gebeld door NNman (het hof begrijpt: A-4110).
NNma zegt dat [verdachte] laatst vroeg om een onderdeel voor zijn Harley. NNman zegt dat hij die nu heeft. [verdachte] vraagt waar NNman nu is. NNman zegt dat hij wel naar [verdachte] toe kan kome straks. [verdachte] zegt dat hij nu onderweg is. NNman zit nu ergens in [plaats] en gaat straks weer naar huis. [verdachte] zegt dat hij even na moet denken want hij heeft meerdere onderdelen nodig gehad voor zijn auto. [verdachte] bedoelt zijn motor zegt hij. [verdachte] vraagt of NNman morgen in de stad is. NNman is daar wel maar vraagt aan [verdachte] of [verdachte] donderdag ook kan. [verdachte] zegt dat hij donderdag wel in [plaats] is. Hij heeft wel een paar afspraken. Ze spreken donderdag af. Dan weet NNman alles.
Het hof duidt dit telefonische gesprek tussen A-4110 en verdachte [verdachte] als een gesprek waarin met behulp van versluierend taalgebruik over drugsactiviteiten wordt gesproken. Het gesprek past naar het oordeel van het hof bij een logisch vervolg op hetgeen eerder tussen beiden is besproken.Het hof stelt vast dat vervolgens op donderdag 24 mei 2018 om 15:24 uur verdachte [verdachte] telefonisch contact opneemt met A-4110 en een afspraak maakt elkaar kort erna te ontmoeten.
[verdachte] belt uit met NNM (het hof begrijpt: A 4110).
[verdachte] zegt dat hij weer in [plaats] is. Hij loopt met zijn kinderen vlakbij de centrale. NNM zit bij Welgelegen, bij zich thuis. [verdachte] loopt naar [a-straat] . NNM gaat ook naar [a-straat] en dan zien ze elkaar zo bij de Coffeeshop daar.
Het hof stelt vast dat in de geluidsopnamen van het gesprek van 24 mei 2018 hoorbaar is dat na een korte inleiding door A-4110 tegen verdachte [verdachte] wordt gezegd iemand te hebben voor die snelle.
A: lk had iemand.
J:Waarvoor?
A: Voor die snelle
J:Oke
A: NTV
J: Ja, ie moet die hebben?
A:Wat?
J: Moet ie hebben?
A: Ja, dat ligt er aan, ..NTV..
J: Die jongens zitten vast man, net opgepakt. lk kan wel kijken of hij, NTV. Maar ja dat maakt niet zo veel uit natuurlijk, hij zit vast dus
A: Die Ieren
J: Dat is goed toch
A: Dat is Ierland.
J: Ze willen het hier oppakken?
A: Hé?
J: Willen ze 't hier oppakken of ?
A: Dat moest met hun beprate, ik laat hun hier komme
J:Oh, oke.
A: Wat seist der van? Goed toch? .. NTV..
J: Beter is hier.
A: Ja. We motte maar even kieke.
J: ..NTV.. lk wil eigenlijk wel aan deze kant blijven.
A:Wat?
J: lk wil wel aan deze kant blijven
A:Ja,ja...
J: .. NTV..komt eraan.
(Noot verbalisant: Er loopt vermoedelijk iemand voorbij. Voorbijganger vraagt [verdachte] hoe het is. [verdachte] antwoord dat goed met hem gaat.)
A: Oké joh..
J: Ja laat maar gebeure
Het hof is allereerst van oordeel dat de aanvang van dit gesprek op 24 mei 2018 waar
A-4110 meedeelt iemand te hebben voor die snelle, inhoudelijk aansluit op het telefoongesprek dat beiden voerden voor het maken van de afspraak voor het gesprek op 24 mei 2018. De aanvang van het aan het versluierende telefoongesprek, waar wordt gezegd: NNman (A-4110) zegt dat [verdachte] laatst vroeg om een onderdeel voor zijn Harley. NNman zegt dat hij die nu heeft, kan weer logisch passen bij hetgeen A-4110 heeft verklaard over wat eerder op 16 januari 2018 in de auto tussen verdachte en A-4110 is besproken, namelijk dat verdachte [verdachte] een - liefst buitenlandse - afnemer zoekt. Dit maakt dat het hof eerder bevestiging ziet van hetgeen A-4110 over de aanloop in januari 2018 verklaart dan dat het hof twijfel heeft over hetgeen A-4110 verklaart. Het hof zal hieronder de (niet door middel van OVC vastgelegde) verklaringen van A-4110 over de aanloop in januari 2018, verder beoordelen.
Vraag die in dat kader ook beantwoord moet worden, is of in het gesprek in mei 2018 en de daarop volgende gesprekken en andere contacten tussen A-4110 en verdachte [verdachte] , sprake is van het door verdachte [verdachte] beweerde pushen, dwingen en dreigen van A-4110. Het hof zal hieronder uitleggen waarom daar naar het oordeel van het hof geen sprake van is.
Het hof zal hieronder een korte samenvatting geven van een aantal gesprekken tussen A-4110 en verdachte [verdachte] gevoerde gesprekken. Alle gesprekken zijn door middel van OVC vastgelegd.
Gesprek 14 juni 2018
Het hof stelt vast dat verdachte [verdachte] en A-4110 op 14 juni 2018 weer een afspraak hebben met elkaar. In de aanloop naar die afspraak belt A-4110 op 14 juni 2018 naar verdachte [verdachte] om 11:39 uur.
[verdachte] wordt gebeld door NNman (het hof begrijpt: A-4110).
[verdachte] vraagt waar NNman is. NNman zegt dat hij even de stad uit is. [verdachte] is zo dadelijk in de.stad. NNman zegt 13:00, dan bén ik er. [verdachte] zegt dat NNman rustig aan moet doen en maar moet laten weten als hij weer de stad in gaat.
Het volgende telefoongesprek vindt plaats diezelfde dag om 13:20 uur. [verdachte] wordt gebeld door NNman (het hof begrijpt: A-4110).
NNman vraagt waar [verdachte] is. [verdachte] zegt dat hij bij [F] is. NNman komt eraan.
Dit gesprek op 14 juni 2018 vindt plaats bij [E] in [plaats] vanaf 13:33 uur. Verdachte [verdachte] legt uit dat die jongen in Duitsland vastzit en dat hij bang is bij andere jongens geen goede kwaliteit te kunnen halen. Verdachte [verdachte] vertelt A-4110 dat het beter is niet te bieden maar te vragen wat ze willen. Verdachte [verdachte] vertelt A-4110 in de loop van het gesprek over de mogelijkheid wellicht een paar keer mee te kunnen gooien. Verdachte [verdachte] zegt dat ze het in [plaats] op moeten halen, dan is er controle. Op dit moment betaalt verdachte [verdachte] 26, een koopje, maar niemand weet dat. Verdachte [verdachte] zegt dat als ze echt willen gooien, de prijs weer omhoog gaat lopen, dat we 30 vragen.
Gesprek 5 juli 2018 (ook met A-4133)
Op 5 juli introduceert A-4110 zijn zogenoemde Ierse contact bij verdachte [verdachte] . Verdachte [verdachte] wil niet praten in het café en evenmin op het terras, geeft aan paranoia te zijn vanwege het feit dat de locatie per SMS was verstuurd en stelt voor naar buiten te gaan. A-4133 legde uit dat A-4110 hem had verteld dat [verdachte] op zoek was naar nieuwe klanten, hetgeen [verdachte] bevestigde.
A-4133 informeerde naar wat [verdachte] voor A-4133 kon doen en verdachte [verdachte] maakte in eerste instantie twee handgebaren. Bij de eerste bracht hij zijn hand naar zijn neus, waarbij hij snuiven nadeed terwijl het tweede leek op het nadoen van een maken van een lijntje. Toen A-4133 verdachte [verdachte] vroeg om duidelijk te maken wat hij bedoelde noemde [verdachte] cocaïne en speed. [verdachte] en A-4133 gaven beide de wens aan om zaken te doen, maar rustig aan. [verdachte] ging verder en vertelde A-4133 dat hij 1 kg cocaïne kon leveren voor € 28.000 en dat speed € 1000 zou kosten voor 1 kilo, daarbij uitleggend dat het [verdachte] € 800 per kg kost. [verdachte] vertelde A-4133 ook dat zijn belangrijkste leverancier van speed was gearresteerd in Duitsland maar bevestigde dat hij het nog steeds kon leveren. [verdachte] garandeerde A-4133 dat de kwaliteit van beide drugs hoog was omdat hij geen klachten wilde van klanten en niet wilde dat het terugkwam als het product van slechte kwaliteit was. [verdachte] besprak hoe de cocaïne op een aantal manieren en in verschillende formaten het land in kwam, waaronder in repen, kleinere pakketjes die werden ingeslikt door koeriers of vermengd met andere producten waarbij het vervolgens eruit wordt gehaald door 'koks' maar dat kan een nasmaak of geur achterlaten. A-4133 vroeg welke omvang aan toekomstige zendingen verdachte [verdachte] zou kunnen leveren en stelde 10 of 20 kg voor als voorbeeld, en [verdachte] zei dat alles mogelijk was. [verdachte] bevestigde verder dat hij ook XTC kon leveren en zei dat hij geen heroïne of crystal meth leverde. Toen A-4133 vroeg naar het tijdsbestek voor de levering van toekomstige bestellingen verklaarde verdachte [verdachte] dat het kon variëren van een paar uur tot een paar dagen, afhankelijk van de gestelde termijn en de beschikbaarheid. A-4133 gaf aan dat hij mogelijk geïnteresseerd zou zijn in het kopen van 1 kg cocaïne as een proefmonster en [verdachte] gaf aan dat dit mogelijk was. Men stelde vast dat de prijs € 28.000 was en toen A-4133 het vroeg verklaarde verdachte [verdachte] dat het hem € 26.000 kostte.
Gesprek 31 juli 2018
Op 31 juli 2018 spreken verdachte [verdachte] en A-4110 vervolgens af en hebben ze bij verdachte [verdachte] die avond thuis een ontmoeting. In dit gesprek wordt samengevat door A-4110 aangegeven dat ze veel interesse hebben en dat ze gelijk een kilo willen hebben en dat er meer komt. Verdachte [verdachte] reageert dat dat toch goed is. Verdachte [verdachte] vraagt of ze de vakantie willen afwachten, dat iedereen die goed in de handel zit weet dat er nu niets gebeurt. Verdachte [verdachte] oppert dat we gewoon wat met speed doen. A-4110 vraagt verduidelijking en zegt dat ze wel belang hebben bij wit natuurlijk. A-4110 zegt dat je op speed toch niks verdient. Verdachte [verdachte] zegt eerst even 10 kilo speed in te kopen voor 700 en dat weg te zetten voor een rooitje. Verdachte [verdachte] zegt dat het nu vakantietijd is. Dat het niet goed is te happerig te zijn. Verdachte [verdachte] en A-4110 hebben het over september. Verdachte [verdachte] zegt dat we dan wel kunnen. Verdachte [verdachte] stelt voor dat A-4110 nou gewoon zegt tegen hem (het hof begrijpt: de afnemer) dat het nu vakantie periode is. En dat alles mogelijk is.
Gesprek 10 september 2018
Op 10 september 2018 evalueren verdachte [verdachte] en A-4110 de mislukte deal voor de afnemer van 4 september 2018 in [plaats] . Verdachte [verdachte] vertelt in dat gesprek dat hij die rommel niet kon leveren. Ze zouden anders niet terugkomen. Verdachte [verdachte] vertelt ook dat het ’m niet werd die avond. Dat hij hem heeft gezegd dat hij weer teruggaat met die poen. Verdachte [verdachte] wil de vakantie van drie weken van A-4110 afwachten. Verdachte [verdachte] zegt het apart te vinden dat hij rechtstreeks buiten A-4110 zaken zou doen. Verdachte [verdachte] wil dat A-4110 er tussen blijft en zegt A-4110 dat het over de vakantie van drie weken van A-4110 heen wordt getild.
Gesprek 10 oktober 2018 Op 10 oktober 2018 spreken verdachte [verdachte] en A-4110 elkaar opnieuw. Een ophanden zijnde levering in de week erop wordt besproken. Verdachte [verdachte] neemt door dat de prijzen voor blokken skyhigh zijn, vraagt A-4110 of het ook in stukken mag. Verdachte [verdachte] vraagt A-4110 zondagavond even bij hem te komen. A-4110 vraagt of het droog is. Verdachte [verdachte] reageert op A-4110 dat het wel kapot is en dat natte wel het beste is. Dat hij gewoon natte heeft, wat net gemaakt is. Dat hij zijn best nog gaat doen voor droge, maar dat dit (natte) in de vriezer ligt. Dat het moet stinken.
Gesprek 14 oktober 2018
Op 14 oktober 2018 vindt er zoals gevraagd door verdachte [verdachte] een ontmoeting plaats tussen verdachte [verdachte] en A-4110 met het oog op de komst van de afnemer op de volgende dag. Verdachte [verdachte] vertelt bij een ander te hebben gekocht nu hij niet meer dan een kilo heeft gekocht. Zegt dat hij normaal per tien kilo koopt. Verdachte [verdachte] zegt dat het wel natte is, maar niet heel natte. Verdachte [verdachte] stelt voor dat A-4110 de speed naar [plaats] rijdt, hetgeen A-4110 niet wil doen. Verdachte [verdachte] zegt vervolgens tegen A-4110 de dag erop eerst bij hem in de bakkerij te komen en dat A-4110 vervolgens de afnemer op gaat halen. Aldus wordt afgesproken.
Vervolg beoordeling hof van de gesprekken
Het hof heeft de inhoud van de onderlinge communicatie nauwkeurig in ogenschouw genomen. Het hof duidt de rol van verdachte in de onderlinge communicatie veeleer als dominant en bepalend over wat er gaat gebeuren, wanneer en in de wijze waarop. Verdachte [verdachte] zijn aanvankelijke aarzeling te leveren is niet gelegen in het niet willen leveren van drugs, maar door omstandigheden tijdelijk niet kunnen leveren omdat zijn vaste toeleverancier van speed gevangen is genomen. Daarbij zegt verdachte in het eerste gesprek op 24 mei 2018 dat hij A-4110 eerst nog één keer wil zien en vraagt daar bevestiging van, zegt daarbij ook dat hij zich wel even moet indekken en niemand wil passeren, en dat het leuk en top is dat A-4110 weer helemaal terug is en zegt lachend aan A-4110: Je mutte weer wat verdiene hier of niet? Het hof kan in het verloop van dit gesprek op geen enkele manier het door verdachte beweerde pushen en dwingen van A-4110 ontwaren. In zijn verhoren bij de rechter-commissaris heeft A-4110 ook uitleg gegeven over de wijze waarop het gesprek liep. Die uitleg over de gebruikte woorden in hun onderlinge communicatie acht het hof navolgbaar. A-4110 heeft ook op overtuigende wijze uitleg gegeven dat hij niet in de positie was jegens verdachte [verdachte] dominant te zijn. Die uitleg van A-4110 wordt ook ondersteund door de inhoud van de onderlinge communicatie zoals die door middel van OVC is vastgelegd. Zoals hierboven overwogen was het verdachte [verdachte] die initiatief in het gesprek nam en bepaalde wat er gebeurde en hoe dat zou gaan.
In het gesprek waarin kennis werd gemaakt met A-4133 als beoogd afnemer van drugs bevestigt verdachte [verdachte] tegenover A-4133 dat hij op zoek is naar nieuwe klanten en vertelt [verdachte] over prijzen, kenmerken en beschikbaarheid van verschillende soorten drugs. Het hof heeft ook het verloop van de vervolgafspraken over het leveren van speed of cocaïne in ogenschouw genomen. Het hof stelt vast dat verdachte [verdachte] in die gesprekken telkens informatie verstrekt die erop duidt dat hij vaker handelt in drugs, goed bekend is met de specifieke eigenschappen van speed, het bewaren daarvan of het verloop vanwege het seizoen in de vraag naar drugs en de schommeling in prijzen. Het hof stelt ook vast dat verdachte in één van de gesprekken vertelt in plaats van de gebruikelijke 10 kilo bij een vaste afnemer te kopen, naar een ander is gegaan voor één kilo speed.
Het hof stelt daarnaast vast dat de verklaring van verdachte [verdachte] dat A-4110 dwingend en dreigend in zijn richting was, geenszins is te herleiden uit de inhoud en het verloop van de onderlinge conversaties zoals die in tap - de OVC-gesprekken zijn vastgelegd. Het is verdachte [verdachte] die aangeeft hoe, waar en wanneer het moet gebeuren. Het is anders dan verdachte [verdachte] vertelt, niet A-4110, maar verdachte [verdachte] zelf die in hun gesprek op 14 juni 2018 begint over meegooien. Zijn stelling dat A-4110 niet gepasseerd wilde worden, wordt weersproken door de inhoud van het gesprek op 10 september 2018. Hij reageert op de suggestie van A-4110 dat verdachte [verdachte] rechtstreeks met de afnemer zaken zou kunnen doen, dat hij juist niet wil dat A-4110 er tussenuit gaat.
Conclusie van dit alles is dat het hof van oordeel is dat verdachte [verdachte] niet is uitgelokt tot het plegen van de hem verweten feiten.Het hof is daarnaast van oordeel dat het hof voor wat betreft de aanloop in januari 2018 tot het eerste gesprek uit kan gaan van hetgeen A-4110 daarover heeft verklaard. Die verklaringen van A-4110 worden zoals hierboven weergegeven op relevante wijze ondersteund door het bovenomschreven versluierende taalgebruik in het telefoongesprek, het inhoudelijke verloop van de onderlinge gesprekken en ook andere onderdelen van het dossier, waaronder hetgeen verdachte [verdachte] met verdachte [medeverdachte 1] heeft besproken ten tijde van de eerste poging tot levering van drugs en andere door verdachte onderhouden contacten met de beoogd afnemer.
Het hof is derhalve met de rechtbank van oordeel dat verdachte [verdachte] niet is uitgelokt tot het begaan van de hem verweten feiten.
Het hof acht de afwegingen van de rechtbank op dit onderdeel juist. Het hof verenigt zich daarom ook met de hieronder cursief weergegeven overwegingen uit het vonnis van verdachte [verdachte] .“Uit de hierna, onder het kopje "Bewijs". genoemde bewijsmiddelen kan afgeleid worden dat verdachte reeds in januari 2018 de wil had om opzettelijk harddrugs buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Verdachte heeft deze wil nadien in de gesprekken met A-4110 en/of A-4133 en/of verdachte in de periode van mei 2018 tot en met oktober 2018 meermalen tot uitdrukking gebracht. Verdachte heeft in de aanloop naar het onder 1 ten laste gelegde feit bovendien op geen enkel moment aangegeven zich te willen distantiëren van handel in verdovende middelen. De bewijsmiddelen geven daarentegen blijk van een zekere gretigheid aan de zijde van verdachte om verdovende middelen te leveren en om zaken te doen op de langere termijn. Verdachte wilde geld verdienen. Uit de bewijsmiddelen volgt eerder dat de wil van verdachte ten tijde van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten nog onverkort aanwezig was.
De bewijsmiddelen geven er eerder blijk van dat verdachte zich voor het eerste contact met A-4110 ook al bezig hield met de (internationale) handel in harddrugs. Dit blijkt expliciet uit verdachte zijn eigen woorden, maar eveneens uit de volgende feiten en omstandigheden die indicatief zijn voor voornoemde vaststelling:
- Verdachte bedient zich in de communicatie met A-4110 en/of A-4133 en/of verdachte, daar waar het gaat over de handel in verdovende middelen, van versluierend taalgebruik kennelijk met de bedoeling om over dit onderwerp te spreken zonder dat dit concreet uit de communicatie blijkt. Voor de deelnemers aan de communicatie is het immers duidelijk waarover wordt gesproken, maar op basis van de letterlijke tekst van de gesprekken is dat voor een buitenstaander niet per definitie het geval.
- Het is een feit van algemene bekendheid dat betrokkenen bij de handel in verdovende middelen zich niet zelden bedienen van dergelijk versluierend taalgebruik om identificatie en crimineel handelen te verbergen en om uit het zich van politie en justitie te blijven, en de opsporing te bemoeilijken en om eventueel "meeluisterende" opsporingsinstanties zand in de ogen te strooien. Verdachte hield daarnaast rekening met de mogelijkheid dat hij afgeluisterd of gevolgd of betrapt zou kunnen worden en richtte zijn gedrag daarop in. Dit duidt op een geraffineerde en professionele manier van handelen.
- Verdachte is bekend met de actuele prijzen voor cocaïne en speed en de beschikbaarheid van deze middelen.
- Verdachte heeft kennis van de kwaliteitseisen van cocaïne en amfetamine.
- Verdachte heeft kennis van de handel in verdovende middelen en de daarmee gepaard gaande risico's.
- Verdachte beschikt over het vermogen en de relaties om op relatief korte termijn aan een handelshoeveelheid cocaïne te komen.
De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande een objectieve verdenking kan worden gedestilleerd dat verdachte zich reeds eerder bezighield met criminele activiteiten op het gebied van de Opiumwet en dat hij de predispositie had om soortgelijke strafbare feiten te plegen. De rechtbank acht het in het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden dan ook niet aannemelijk geworden dat A-4110 verdachte heeft gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
De rechtbank acht het daarnaast niet aannemelijk geworden dat A-4110 verdachte in de periode van 3 januari 2018 tot en met 4 september 2018 (tijdens niet-geverbaliseerde en niet-opgenomen contactmomenten)) door middel van bedreiging /intimidatie/dwang/(ontoelaatbare) druk heeft bewogen tot het plegen van de strafbare feiten. Het procesdossier bevat onvoldoende (concrete en objectieve) aanknopingspunten voor (verificatie van) de juistheid van dit scenario.
De in dit verband door getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen over diens eigen ervaringen net A-4110 kunnen niet als dergelijke aanknopingspunten worden beschouwd. [getuige 1] heeft immers niet zelf waargenomen of ondervonden op welke wijze A-4110 zich tegenover verdachte heeft gedragen maar baseert zich slechts op zijn eigen ervaringen ('op een slinkse manier onder druk gezet'). Die eigen ervaringen wenst hij kennelijk te extrapoleren richting de verhouding tussen A-4110 en verdachte. Dat levert echter niet neer op dan een gissing waaraan de rechtbank voorbij zal gaan. Daar komt nog bij dat voor de inhoud van [getuige 1] 's verklaringen geen enkele ondersteuning is te vinden in het dossier.”
2.4
Uit de toelichting op het middel leid ik af dat het de stellers van het middel erom gaat dat A-4110 al sinds januari 2018 contact had met verdachte [verdachte] , terwijl de overeenkomst burgerpseudokoop/dienstverlening met A-4110, het bevel tot het sluiten van een overeenkomst stelselmatige informatie-inwinning met A-4110 met betrekking tot de verdachte en NN-betrokkene(n) en het proces-verbaal waarin aan de officier van justitie is verzocht een overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie af te sluiten met A-4110 dateren van respectievelijk 15 mei 2018, 3 juli 2018 en 27 februari 2019. Pas vanaf de inzet van deze bijzondere opsporingsmethoden is begonnen met het opnemen van gesprekken tussen de A-4110 en de verdachte. Dit heeft ertoe geleid dat in de periode van begin januari tot en met 22 mei 2018 geen gesprekken tussen A-4110 en de verdachte zijn opgenomen en dus niet controleerbaar is of A-4110 druk heeft uitgeoefend op de verdachte om drugstransporten op touw te zetten. Tegen deze achtergrond is het onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat is voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit art. 6 EVRM.
Juridisch kader uitlokking
2.5
Het uitlokkingsverbod wordt in de rechtspraak van de Hoge Raad al aanvaard sinds het Tallon-arrest van 4 december 1979.3.Uit dit arrest volgt dat sprake is van uitlokking als de verdachte “is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds was gericht”. Inmiddels is dit verbod ook gecodificeerd in het Wetboek van Strafvordering.4.Diverse artikelen waarin bijzondere opsporingsbevoegdheden worden geformuleerd, zijn voorzien van een artikellid waarin degene die de bevoegdheid toekomt, wordt verboden een persoon te brengen tot (het plegen of beramen van) “andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht”. Het verbod richt zich tot zowel een opsporingsambtenaar als een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is.5.Voorts blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat het verbod op uitlokking dient te worden uitgelegd in overeenstemming met de rechtspraak van het EHRM betreffende het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht van de verdachte op een eerlijk proces.6.
2.6
Deze rechtspraak van het EHRM omtrent art. 6 EVRM staat er in beginsel niet aan in de weg dat bewijs dat is verkregen door middel van undercoveroperaties (zowel uitgevoerd door opsporingsambtenaren als personen die door hen worden aangestuurd) wordt gebezigd in een strafzaak. Wel is van belang dat niet wordt ‘aangezet’ tot het plegen van strafbare feiten.7.Het EHRM hanteert een tweestappentoets om te onderzoeken of sprake is geweest van ‘entrapment’: een materiële (‘substantive’) en formele (‘procedural’) toets.8.
2.7
Bij de materiële (substantive) toets beoordeelt het EHRM of op basis van het voorhanden materiaal kan worden vastgesteld of het strafbare feit zou zijn gepleegd zonder de interventie van de opsporingsautoriteiten.9.Daarbij wordt getoetst aan de volgende factoren: i) de redenen voor het opstarten van de operatie en ii) de manier waarop deze is uitgevoerd. Bij het eerste punt toetst het hof of voordat de undercoveroperatie op touw is gezet een objectieve verdenking bestond dat de verdachte zich bezighield met criminele activiteiten of dat hij was gepredisponeerd strafbare feiten te plegen.10.Hoewel er jurisprudentie van het EHRM bestaat waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hiervoor is vereist dat er concreet en objectief bewijs moet zijn “that initial steps have been taken to commit the acts constituting the offence for which the applicant is subsequently prosecuted”, hetgeen de indruk wekt dat de verdachte een begin moet hebben gemaakt met de uitvoering van het concrete feit waarvoor hij uiteindelijk is veroordeeld,11.leid ik uit andere jurisprudentie af dat slechts is vereist dat de verdachte gedragingen heeft begaan die duiden op een criminal predisposition om een strafbaar feit te plegen, soortgelijk als waarvoor de verdachte uiteindelijk is veroordeeld.12.Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een criminal predisposition kunnen ook omstandigheden die pas blijken tijdens de undercoveroperatie worden betrokken.13.Nauw verbonden met de vraag of er, objectief gezien, sprake was van een verdenking is het moment waarop de autoriteiten hun undercoveroperatie zijn begonnen; van belang hierbij is of de infiltrant zich enkel heeft aangesloten bij het begaan van strafbare handelingen van de verdachte (hetgeen is toegestaan) of dat ze de verdachte hiertoe hebben aangezet (hetgeen verboden is).14.Inzake het gedrag van de opsporingsautoriteiten of personen die door hen worden aangestuurd gedurende de uitvoering van de operatie is van belang dat het Straatsburgse hof toetst of de verdachte onder druk is gezet om het feit te plegen. Hierbij speelt onder meer een rol van betekenis of de undercoveragenten het initiatief hebben genomen om de verdachte te contacteren, ze het aanbod hernieuwd hebben ondanks initiële weigering van de verdachte, ze herhaaldelijk hebben aangedrongen op een verkoop en of ze een hogere prijs hebben geboden dan gangbaar was.15.
2.8
Inzake pseudokoop is verder nog van belang dat toepassing van deze methode in het bijzonder moet worden gerechtvaardigd. Ook moet de pseudokoop onderhevig zijn aan een strikte autorisatieprocedure, welke moet worden gedocumenteerd op een wijze die het mogelijk maakt om het gedrag van degene die de verkoop uitvoert achteraf aan controle te kunnen onderwerpen.16.Als het gaat om meerdere transacties in dezelfde zaak moet hier een geldige reden voor zijn, zoals bijvoorbeeld “the need to ensure sufficient evidence to obtain a conviction, to obtain a greater understanding of the nature and scope of the suspect’s criminal activity, or to uncover a larger criminal circle”.17.Als geen geldige reden aanwezig is voor het voortduren van de operatie doet de mogelijkheid zich voor dat de staat zich bezig heeft gehouden met activiteiten “which improperly enlarge the scope or scale of the crime”. In zo’n geval is een veroordeling niet in strijd met art. 6 EVRM, maar mag de verdachte niet worden gestraft voor het deel van de criminele activiteiten die het resultaat zijn van het ‘onjuiste’ handelen van de autoriteiten.18.
2.9
Behoudens uitzonderlijke gevallen waarin op basis van enkel de materiële toets kan worden geconcludeerd dat sprake is geweest van entrapment, zal het hof ook onderzoeken of, en zo ja hoe, de nationale rechter verdachtes beroep hierop heeft behandeld.19.Dit betreft de formele (procedural) toets. Het ligt op de weg van de opsporingsautoriteiten om te bewijzen dat geen sprake is geweest van uitlokking, tenzij de aantijgingen van de verdachte met betrekking tot de uitlokking wholly improbable zijn. Is het openbaar ministerie niet in staat dergelijk bewijs te leveren dan is de nationale rechter verplicht om nauwgezet onderzoek te doen naar een entrapment-verweer, waarbij in ieder geval acht moet worden geslagen op (i) de redenen voor de undercoveroperatie, (ii) de mate waarin de opsporingsautoriteiten betrokken waren bij het strafbare handelen en (iii) de aard van de uitlokking of druk waaraan de verdachte is blootgesteld.20.Hierbij geldt als uitgangspunt dat zowel degene die de undercoveractie heeft uitgevoerd als andere getuigen die kunnen verklaren over de vermeende uitlokking moeten kunnen worden ondervraagd door de verdediging.21.Als de nationale rechter tot het oordeel komt dat inderdaad sprake is geweest van entrapment zal al het materiaal dat als gevolg hiervan is verkregen, moeten worden uitgesloten van het bewijs wil het proces in zijn geheel nog als eerlijk kunnen worden aangemerkt.22.
Bespreking van het eerste middel
2.10
Het hof heeft - in responsie op het daarop geënte verweer van de verdediging - uitvoerig gemotiveerd dat en waarom het tot het oordeel is gekomen dat van uitlokking geen sprake is geweest en heeft hierbij acht geslagen op de periode van begin januari tot en met 22 mei 2018 waarin de tussen A-4110 en de verdachte gevoerde gesprekken niet zijn opgenomen. Het hof is op basis van de verslaglegging van A-4110 omtrent de eerdere ontmoetingen – die op punten steun vindt in hetgeen de verdachte zelf over deze ontmoetingen heeft verklaard – en de later opgenomen gesprekken tussen hen – waaruit het beeld naar voren komt dat de verdachte dominant en bepalend overkomt en dat zijn eerdere aarzeling te maken had met het feit dat hij tijdelijk niet kon leveren, omdat zijn vaste leverancier gevangen was genomen en niet dat hij niet wilde leveren – geoordeeld dat de door de verdachte beweerde dwang van de zijde van A-4110 op geen enkele manier is gebleken. Dit oordeel acht ik in het geheel niet onbegrijpelijk gelet op de overwegingen van het hof die zijn weergegeven onder randnummer 2.3 van deze conclusie. Hieruit blijkt immers dat de verdachte naast A-4110 ook andere klanten had, dat zijn ‘belangrijkste leverancier’ was gearresteerd, maar dat hij desalniettemin kon leveren, dat hij goed op de hoogte was van de wijze waarop de drugssmokkel in zijn werk ging alsmede op de hoogte was van de prijzen van de verschillende soorten drugs, dat hij naar eigen zeggen ‘normaal’ tien kilo speed kocht, dat hij, daarnaar gevraagd, zelf heeft verklaard in staat te zijn tien tot twintig kilo drugs te leveren en dat toekomstige bestellingen in een paar uur tot een paar dagen geleverd zouden kunnen worden. Kortom, uit de bewijsvoering blijkt, enerzijds, dat de verdachte geroutineerd was in drugshandel voordat hij werd benaderd door A-4110 terwijl, anderzijds, geen enkel aanknopingspunt bestaat voor de stelling dat druk op hem is uitgeoefend door A-4110. Aan de materiële eisen die het EHRM stelt aan de beoordeling van een uitlokkingsverweer, is derhalve voldaan.
2.11
Ook aan de procedurele eisen die het EHRM in het kader van art. 6 EVRM stelt aan de beoordeling van een uitlokkingsverweer door de nationale rechter is mijns inziens voldaan. Het uitlokkingverweer is uitgebreid door het hof onderzocht. Zowel de WOD-begeleiders als de criminele burgerinfiltrant A-4110 zijn door de rechter-commissaris verhoord over het undercovertraject. Bij de verhoren van A-4110 is de raadsman van de verdachte steeds in de gelegenheid gesteld aanwezig te zijn en vragen te stellen aan de A-4110.
2.12
Voor zover het middel verder nog klaagt dat het EHRM eist dat sprake is “van een rechterlijke controle vooraf of tijdens de inzet” van een undercoveroperatie stelt het een eis die het recht niet kent.23.
2.13
Tot slot keert het middel zich met deelklachten tegen het oordeel van het hof dat A-4110 niet is ingezet als groei-infiltrant en het oordeel dat geen afbreuk is gedaan aan de integriteit van de opsporing onbegrijpelijk zijn.
2.14
Het hof heeft in dit verband het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van een groei-infiltrantHet hof is van oordeel dat de rechtbank op dit onderdeel een juiste afweging heeft gemaakt. De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen.“In de Aanwijzing wordt bij de zin "De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van groei-infiltranten" in een voetnoot expliciet verwezen naar een uitlating van Minister Opstelten hieromtrent ("Zie pag. 20, Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 195"). De rechtbank leidt hieruit af dat het College daarmee tot uitdrukking brengt dat aan voornoemde voorwaarde de volgende uitleg gegeven dient te worden: Minister Opstelten: (...) Het tweede punt betreft het korte traject. Het gaat er daarbij niet alleen om dat het een kort traject in tijd is. Het gaat primair om het doel van de inzet. Het moet een direct te bereiken doel zijn, zonder te veel tussenstappen. Dat wordt er ook mee aangegeven. De inzet leidt direct tot het verzamelen van het benodigde bewijs, bijvoorbeeld over een drugsdeal. Het gaat om een eenmalige inzet. Dat is hierbij het punt. Dit staat tegenover de niet toegestane langere trajecten, waarin meerdere stadia worden doorlopen om het doel te bereiken. Ik noem als voorbeeld: eerst een kleine drugsdeal organiseren, dan een iets grotere en daarna de grote klapper waarmee de hoofddader in beeld komt. Dat kan dus niet. Dan heb je een groeitraject.
De rechtbank constateert hier dat de Minister een striktere definitie hanteert van "groeiinfiltrant" dan de Enquêtecommissie (de commissie-Van Traa, hierna: Van Traa) in haar verslag van 22 november 1994 destijds heeft gedaan. De Enquêtecommissie definieerde een groei-infiltrant namelijk als een burgerinfiltrant die een belangrijke positie gegeven wordt ten opzichte van de organisatie waarin hij gaat infiltreren, opdat het mogelijk wordt dat hij vertrouwen wint bij de top van de criminele organisatie. Om de infiltrant te laten "groeien", moeten soms partijen drugs worden doorgelaten.
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat door het Openbaar Ministerie niet is voldaan aan de genoemde randvoorwaarde. In het onderzoek Vidar is geen sprake geweest van een kortstondig traject en een eenmalige inzet. Ook was het hoofddoel - vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van (leden van) de Hells Angels bij de internationale handel in harddrugs - niet direct te bereiken. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel kan bovendien worden afgeleid dat het Openbaar Ministerie met de inzet zicht wilde krijgen op de opbouw en structuur van de organisatie en de personen die "boven" [medeverdachte 2] stonden, en/of de betrokkenheid van andere leden van de Hells Angels. Daartoe zijn meerdere stadia doorlopen om A-4110 de organisatie binnen te laten dringen en daarin te laten groeien als compagnon van [medeverdachte 3] (traject- Finland/Australië en traject-Finland/Denemarken). De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie zich niet aan zijn eigen regelgeving heeft gehouden. Dit levert een vormverzuim op ex artikel 359a Sv.
De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden aan
dit vormverzuim. Zij overweegt hierover het volgende.
Om te beginnen valt de interpretatie die de Minister (en daarmee het Openbaar Ministerie) geeft aan het begrip groei-infiltrant niet geheel te rijmen met de aanleiding voor en het doel van het opheffen van het verbod, namelijk het doordringen tot criminele groepen zodat informatie kan worden verkregen vanuit de kern van de criminele groepering zelf: over de hoofdrolspelers, hun criminele activiteiten en over hun geldstromen, opdat deze hoofdrolspelers en criminele groeperingen aangepakt kunnen worden. Inherent aan infiltratie is dat sprake zal zijn van beïnvloeding van de groepering. Om geloofwaardig te zijn dient de infiltrant vaak een actieve rol te spelen in de groep. Hij dient betrokken te raken bij de groep van personen of de criminele organisatie om er vervolgens deel van uit te gaan maken, zodat hij informatie en bewijsmateriaal kan vergaren die nodig is in het belang van het onderzoek. Daartoe zal hij in meer of mindere mate in de groepering moeten groeien. Deze ongerijmdheid relativeert de hardheid van de door het Openbaar Ministerie gekozen lage drempel voor het begrip "groei-infiltrant" enigszins. De rechtbank merkt in dit verband op dat de veel hogere drempel van Van Traa's definitie van de groei-infiltrant bij lange na niet is gehaald.
Van groot belang is verder dat verdachten door het geconstateerde vormverzuim niet daadwerkelijk in hun verdediging zijn geschaad. Achterliggend belang van het "verbod" op criminele groei-infiltranten is namelijk dat geen afbreuk wordt gedaan aan de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing. Daarvan is, zoals uit het voorgaande mag blijken, geen sprake geweest. Anders dan bij de IRT-affaire is de opsporing niet "ontspoord" en evenmin zijn er onder verantwoordelijkheid van een officier van justitie (grote) hoeveelheden drugs op de markt terecht gekomen, zoals ten tijde van de IRT-affaire. Ten slotte kan niet worden gezegd dat door de wijze waarop en de mate waarin A-4110 is ingezet in strijd is gehandeld met het proportionaliteitsbeginsel.”
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne. Aanvullend overweegt het hof het volgende. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat bij infiltratie aan het begrip ‘kort’ en ‘kortdurend’ geen vastomlijnde of eenduidige betekenis kan worden gegeven. Het hof heeft in acht genomen naar welke definitie van de Minister in de Aanwijzing wordt verwezen. Daarnaast heeft het hof ook gezien dat in de Tweede Kamer is gedebatteerd over welke tijdsduur een infiltratietraject zou moeten hebben en dat er in het Kamerdebat verschillende beschrijvingen zijn gegeven waar het gaat om infiltratie. Of een inzet ‘kortdurend’ is zal afhangen van diverse factoren omdat een infiltrant tijd nodig heeft om te infiltreren. Een infiltrant moet vertrouwd raken met zijn rol en de omgeving waarin hij infiltreert wil zijn inzet functioneren. Hoe snel een en ander zal gaan zal ook afhangen van de (on)doorzichtigheid van een organisatie waarin wordt geïnfiltreerd. Voorgaande omstandigheden maken dat de definitie van kort in elke zaak een andere betekenis zal hebben. Veeleer zal met burgerinfiltratie de nodige tijd gemoeid zijn. Een en ander zal mede worden bepaald door de concrete omstandigheden van de specifieke zaak. Al het voorgaande bezien heeft de rechtbank een juiste afweging gemaakt en volgt het hof de rechtbank in haar conclusie.
Wat betreft de term groei-infiltrant overweegt het hof het volgende. Ook hier heeft het hof gezien dat de Minister een beperkte definitie heeft gegeven. Uit het Tweede Kamer debat zoals dat is gevoerd in het kader van de motie Recourt blijkt dat verschillende definities van een groei-infiltrant aan de orde zijn geweest waarbij de lengte van de inzet of het maken van ‘carrière’ onder meer onderwerp van het debat is geweest. Naar het oordeel van het hof is het belangrijk om ook hier te kijken naar het wezen en traject van de infiltratie. Bijvoorbeeld naar de tijd die is gemoeid met het vertrouwd raken met de organisatie, het vertrouwen winnen, maar ook de ondoorzichtigheid van de organisatie met eigen kenmerken, is een belangrijke factor. Gelet op die omstandigheden is het hof van oordeel dat de definitie en uitspraken van de Minister moeilijk vallen te rijmen met de uitvoeringspraktijk.
Desalniettemin heeft het Openbaar Ministerie er voor gekozen om de beperkte definitie in de aanwijzing op te nemen, zodat de rechtbank en ook het hof daaraan gebonden zijn en daaraan toetsen.
Deze toetsing verdient op grond van het bovenstaande evenwel een zekere nuancering
Uit het dossier blijkt dat A-4110 een jaar heeft gefungeerd als infiltrant. Er lopen op dat moment meerdere drugs-exporttrajecten naast elkaar waarin A-4110 weliswaar meedraaide, maar op een beperkte manier. Hij verzamelde vooral informatie en verleende her en der hand- en spandiensten. In de criminele organisatie is hij niet opgeklommen. Zijn rol bleef beperkt tot een bijrol. Hij blijft bezig met het vergaren van informatie. De Minister heeft beschreven dat infiltratie beperkt dient te blijven tot de opsporing van een eenmalig concreet feit. Vastgesteld kan worden dat het daar in deze zaak niet om draait. Het gaat om een concrete verdenking, namelijk van de internationale handel in harddrugs, waarvoor in het kader van opsporing meer zicht op de criminele groepering van belang is. Bij het inzetten van A-4110 bestonden er aanwijzingen en verdenkingen dat diverse activiteiten werden ontwikkeld voor harddrugslijnen naar verschillende landen. Het onderzoek richtte zich op een organisatie waarin verschillende trajecten naast elkaar liepen en waarbij het de opdracht was van de criminele burgerinfiltrant om informatie te verkrijgen over hoe de verhoudingen lagen en hoe de taken binnen de groep waren verdeeld, ook om zicht te krijgen op alle betrokken personen. Al die tijd bleef de rol van A-4110 in de kern hetzelfde, hij vervulde een bijrol. Hoewel hij wel directer met de drugs in aanraking kwam, zo heeft hij drugs aangepakt en drugs verpakt, is hij niet opgeklommen in de organisatie. Hij liep mee met verdachte [medeverdachte 3] , was vaak diens chauffeur, en A-4110 deelde de contacten die van belang konden zijn voor de drugshandel. In het proces-verbaal aanvraag verlenging overeenkomst burgerinfiltratie blijkt dat A-4110 een faciliterende en bemiddelende rol zal innemen. De rol van de criminele burgerinfiltrant wordt telkens consequent beschreven. Vastgesteld kan worden dat aan de rol van A-4110 in de laatste aanvraag voor een verlenging uitgebreider vorm wordt gegeven. Dit valt vooral te verklaren uit het feit dat er op dat moment meer activiteit is binnen de groep waarin wordt geïnfiltreerd. De verdenkingen breiden zich daarbij uit naar meerdere personen. A-4110 verleent op dat moment bijstand en medewerking aan de groep en indien nodig bemiddelt hij in contacten. Het hof stelt ook vast dat uit de diverse processen-verbaal van aanvraag van burgerinfiltratie volgt dat het steeds de bedoeling is geweest en werd geprobeerd om de rol van A-4110 kleiner te maken of hem uit het infiltratietraject te halen, maar dat dat door het vertrouwen dat binnen de organisatie in A-4110 werd gesteld telkens vanwege uitlatingen of gedragingen van betrokkenen in die organisatie, niet lukte.
Deze aanvullende overwegingen maken dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat – zoals hierboven overwogen - het Openbaar Ministerie zich niet aan zijn eigen regelgeving heeft gehouden en dat dit in die zin een vormverzuim op ex artikel 359a Sv oplevert. Het hof is, op de hierboven door van de rechtbank aangehaalde gronden, van oordeel dat daaraan geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden.”
2.15
De klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat A-4110 niet is ingezet als groei-infiltrant faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft juist geoordeeld dat A-4110 naar de definitie van de minister (waarnaar de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden verwijst) wel heeft gefungeerd als groei-infiltrant, hetgeen een vormverzuim oplevert, maar dat dit vormverzuim gelet op de omstandigheden van het geval kan worden geconstateerd zonder rechtsgevolg. De klacht inzake het oordeel van het hof dat geen afbreuk is gedaan aan de integriteit van de opsporing nu de opsporing niet is ontspoord, faalt eveneens. Deze klacht is enkel onderbouwd door er – kort gezegd – op te wijzen dat A-4110 als criminele burgerinfiltrant deel heeft genomen aan drugshandel. Dit brengt echter nog niet mee dat de integriteit van de opsporing onherstelbare schade heeft opgelopen. Inzet van een criminele burgerinfiltrant is immers, als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, een rechtmatig bijzonder opsporingsmiddel. Ik wijs in dit verband naar de conclusie in de samenhangende zaak24.(randnummers 2.24-2.30) waarin ik vandaag ook concludeer. De schriftuur geeft vanwege een gebrek aan (nadere) onderbouwing ook geen aanleiding om daar in de onderhavige zaak op in te gaan of daarover anders te oordelen.
2.16
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
3. Het tweede middel
3.1
Het tweede middel keert zich tegen het onder 1 bewezenverklaarde. Het klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een begin van uitvoering, zoals is vereist bij een bewezenverklaring van poging tot uitvoer van verdovende middelen.
3.2
Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 4 september 2018 in [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer één kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tezamen en in vereniging met die mededader(s),
- naar [A] hotel in [plaats] is gereden en/of
- naar [plaats] is gereden (in de buurt van [B] ) en/of
- met één of meer personen contact heeft gezocht/gehad om een kilo cocaïne aan te schaffen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
3.3
Bij gelegenheid van pleidooi heeft de verdediging bepleit dat de verdachte van het hem onder 1 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is bepleit dat de gedragingen van de verdachte niet kunnen worden gekwalificeerd als een begin van uitvoering van de tenlastegelegde uitvoer van één kilo cocaïne.
3.4
Het hof heeft het namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak verworpen en daartoe – voor zover hier van belang – het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Zoals het hof eerder in dit arrest heeft overwogen acht het de verklaring van A-4110 bruikbaar voor het bewijs. Het hof stelt vast dat de verklaringen van A-4110 – voor zover deze voor het bewijs zijn gebruikt – zijn ingebed door de overige onderzoeksresultaten zoals die uit het dossier blijken, waaronder de letterlijk uitgewerkte OVC-gesprekken. Daarnaast heeft het hof voor het bewijs onder meer gebruik gemaakt van de verklaringen van A-4133 en forensisch technisch bewijs, die de verklaring van A-4110 op onderdelen ondersteunt.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Bij de vraag of sprake is van zulke gedragingen, komt het aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
Het hof kan zich grotendeels met de bewijsoverwegingen van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overwegingen hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet nu ‘hof’ worden gelezen.
“Uit deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte en [medeverdachte 1] voornemens waren om tezamen en in vereniging een kilo cocaïne aan te schaffen in [plaats] . Tussen [medeverdachte 1] en verdachte is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het gezamenlijk uitvoeren van het gezamenlijk plan om voornoemd misdrijf te voltooien. Uit het samenstel van gedragingen van [medeverdachte 1] en verdachte valt af te leiden dat zij samen al in vergaande mate feitelijk uitvoering hadden gegeven aan dit plan en dat de verwerkelijking van dit misdrijf bovendien nabij was, zowel in tijd als in plaats. De cocaïne was beschikbaar en A-4133 bevond zich reeds, op aanwijzen van verdachte, in de nabije omgeving van [medeverdachte 1] en verdachte (en de beschikbare cocaïne) met het geldbedrag dat aan verdachte betaald zou moeten worden bij de levering, zodat de levering prompt verwerkelijkt kon worden. De kwaliteit van de cocaïne bleek echter niet goed te zijn, waardoor de beschikbare cocaïne niet aan A-4133 geleverd werd. Vervolgens hebben [medeverdachte 1] en verdachte nog een poging gedaan om via een andere leverancier, diezelfde nacht, dan wel de volgende dag, een kilo cocaïne geleverd te krijgen voor A-4133. Dit is echter niet doorgegaan omdat de cocaïne van de tweede leverancier niet binnen afzienbare tijd (diezelfde nacht) beschikbaar zou zijn en omdat A-4133 de volgende dag verhinderd was om de cocaïne op te halen. Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat het samenstel van de gedragingen van [medeverdachte 1] en verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm concreet en rechtstreeks gericht was op een prompte voltooiing van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk één kilo cocaïne met bestemming naar het buitenland ten vervoer aan te bieden. Het samenstel van deze gedragingen kan daarmee worden beschouwd als een begin van uitvoering van dit voorgenomen misdrijf en levert dus een strafbare poging op. De omstandigheid dat de cocaïne nog niet was aangekocht door [medeverdachte 1] en verdachte doet hier niets aan af. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging om opzettelijk buiten het grondgebied van brengen van één kilo cocaïne. Het ten laste gelegde medeplegen bestond in de kern uit een gezamenlijke uitvoering van het feit.”
Dat verdachte die nacht enkel naar [plaats] is gereden om de schijn op te houden, zodat het leek alsof hij dienstig was aan A-4110 teneinde A-4110 van zich af te krijgen, acht het hof op grond van de bewijsmiddelen en de door verdachte verrichte handelingen en uitlatingen zoals die daaruit naar voren komen niet geloofwaardig. Van aanknopingspunten voor de stelling dat verdachte eigenlijk niet verder wilde en slechts een rol speelde is het hof niet gebleken. Ook in gesprekken met medeverdachte [medeverdachte 1] die door hem ingeschakeld is, voor wie hij niet de schijn op hoefde te houden en van wie hij niets te vrezen had stelt verdachte zich actief op en is hij gericht op het doen slagen van de transactie en bovendien op toekomstige handel in verdovende middelen en de daarmee gepaard gaande verdiensten.
Het hof overweegt voorts dat [verdachte] op 24 mei 2018 een gesprek heeft met A-4110. In dat gesprek geeft A-4110 aan dat hij iemand heeft voor die ‘snelle’, Ieren. Verdachte vraagt vervolgens: “Willen ze het hier oppakken?” en zegt: “Beter is hier.” en ”Ik wil aan deze kant blijven”. Het hof neemt voorts in aanmerking dat medeverdachte [medeverdachte 1] in een telefoongesprek in de nacht van 4 op 5 september 2018 met NNM zegt; "Je maakt een afspraak en zegt tegen hen: Ik heb dat ding voor jou. Dan betalen die mensen hun tickets en zaken. Die mensen komen aan. Die mensen betalen voor een hotel. Die mensen betalen alles. (…) Elke dag dat die mensen hier blijven kost meer geld broer." Uit deze gesprekken, in combinatie met de feitelijke handelingen in de nacht van 4 op 5 september 2018, leidt het hof af dat alles wat in de nacht van 4 op 5 september 2018 is gebeurd er op was gericht om de Ierse afnemer met een kilo cocaïne terug naar Ierland te laten gaan.”
Juridisch kader
3.5
Art. 1 lid 5 van de Opiumwet luidt als volgt:
“Onder buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, is begrepen: het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden, het ten uitvoer dan wel ten wederuitvoer aangeven, daaronder begrepen het doen van een summiere aangifte bij uitgaan of het in kennis stellen van de wederuitvoer, in de zin van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) of het in, op of aan een naar het buitenland bestemd vaar-, voer- of luchtvaartuig aanwezig hebben van die middelen, of van die voorwerpen of goederen.”
3.6
De Opiumwet kent een door de wetgever gecodificeerde extensieve interpretatie van onder meer het bestanddeel ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’. Hiermee is beoogd de internationale export van verdovende middelen tegen te gaan.25.Een extensieve interpretatie is niet alleen vereist ten behoeve van effectieve aanpak van de export van verdovende middelen, maar dient ook ter voorkoming van jurisdictiegeschillen. De definitie die art. 1 lid 5 Opiumwet geeft, maakt dat bepaalde handelingen die in beginsel slechts een voorbereidingshandeling of een strafbare poging zouden opleveren, nu een voltooid delict opleveren.26.
3.7
Op grond van art. 45 lid 1 Sr is poging tot misdrijf strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad geldt als algemeen criterium voor strafbare poging of de gedragingen van de dader(s) naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.27.De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Uit eerdere rechtspraak kan wel het volgende worden afgeleid. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd.28.
3.8
Of in het concrete geval sprake is van een uitvoeringshandeling, hangt af van het betreffende delict; zo kan inklimming voor diefstal een uitvoeringshandeling zijn, maar voor doodslag nog slechts een voorbereidingshandeling.29.Bij een formeel omschreven delict, zoals het buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen, is sprake van een begin van uitvoering als de dader begonnen is met de in de in de delictsomschrijving neergelegde handeling. De Hullu en Van Kempen achten causale nabijheid in het algemeen een wezenlijk belangrijkere factor dan temporele- en geografische nabijheid, die in hun ogen op zichzelf regelmatig weinig bepalend zijn.30.Voor een begin van uitvoering kan soms een complex van diverse, met elkaar samenhangende gedragingen van belang zijn, waarin de gedragingen van de betrokken deelnemers ook een rol kunnen spelen.31.Dat wordt nog versterkt bij deelneming aan poging, wanneer meerdere personen bij de poging zijn betrokken. In dat geval kunnen diverse handelingen ‘in samenhang met elkaar en met de gemaakte afspraken’ aan het criterium van de uiterlijke verschijningsvorm voldoen.32.
3.9
De voorliggende zaak vertoont parallellen met enkele zaken waarin de Hoge Raad eerder arrest heeft gewezen, welke ik hieronder zal bespreken.33.
3.10
Allereerst de zaak die leidde tot een arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2009. In die zaak ging het om het volgende.34.De verdachte en zijn medeverdachte hadden contact met een Engelse afnemer van wiet. De medeverdachte had een tussenpersoon benaderd met het verzoek om 200 kg wiet te regelen. Die wilde daartoe pas overgaan na een aanbetaling van 10%. Nadat de aanbetaling was gedaan, had de tussenpersoon 200 kg wiet bij twee anderen besteld. Die gaven aan dat het al veel was als ze 100 kg zouden kunnen krijgen. Met de Engelse afnemer werd afgesproken dat hij eerst 100 kg zou krijgen en de volgende morgen nog eens 100 kg. Uiteindelijk werd het maar (iets meer dan) 40 kg. Deze 40 kg wiet werd afgeleverd in een garage in [plaats] en daar overgeladen in een bus. Met die bus werd naar een parkeerplaats gereden, waar ook de verdachte aanwezig was. De bus werd geplaatst naast een andere bus, met een Engels kenteken. De wiet werd in die (Engelse) bus overgeladen. Op dat moment kwam de politie ter plaatse. De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld wegens een poging tot medeplegen tot het buiten het grondgebied brengen van 200 kg wiet. Naar aanleiding van het daartegen ingediende middel van cassatie concludeerde mijn voormalig ambtgenoot Knigge tot vernietiging. Knigge overwoog dat het misschien anders was geweest als de verdachten daadwerkelijk de beschikking hadden gehad over een partij van 200 kg weed en als met betrekking tot die partij concrete afspraken waren gemaakt over een gefaseerde aflevering, waarbij het vervoer en de overdracht van de eerste 40,5 kg dan als het begin van uitvoering van het totale plan zou kunnen worden aangemerkt. De Hoge Raad casseerde, nu ‘mede’ in het licht van de vaststellingen van het hof diens oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte en zijn mededaders naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf om 200 kg wiet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, niet naar de eis der wet met redenen omkleed was.
3.11
In een eerdere zaak die leidde tot een arrest van 17 april 2007 en waarin het ging om een poging tot vervoer van cocaïne deed het volgens de Hoge Raad niet terzake dat na het testen van verdovende middelen de koop daarvan (letterlijk en figuurlijk) werd afgeblazen door een schietpartij, nu het handelen van de verdachte gericht was op het na aankoop vervoeren van de cocaïne.35.
3.12
In de zaak die heeft geleid tot een arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2020,36.casseerde de Hoge Raad de uitspraak van het gerechtshof Den Haag. Het ging in die zaak om de vraag of er sprake was van een begin van uitvoering van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van 250 kg cocaïne. Het hof had vastgesteld dat de verdachte en/of zijn medeverdachte contact had gezocht met een leverancier van cocaïne en met hem heeft onderhandeld over een concrete hoeveelheid te leveren cocaïne, waarbij tevens een prijs was overeengekomen. De verdachte en/of zijn medeverdachte hebben telkens contact onderhouden met de afnemers van de cocaïne in Nederland, waarbij een bedrag dat de verdachte voor zijn bemiddelende diensten zou ontvangen, was vastgesteld. Verder hebben de verdachte en/of zijn medeverdachte twee ontmoetingen gehad met een pseudodienstverlener. Tijdens de tweede ontmoeting zou door middel van het tonen van een bepaald geldbedrag de kredietwaardigheid van de verdachte en/of zijn medeverdachte worden aangetoond, in verband waarmee een geldtelmachine aanwezig was. Tot slot was vastgesteld dat de partij cocaïne reeds op zee dreef en dus al onderweg was naar Nederland. De Hoge Raad overwoog in deze zaak als volgt:
“2.3Voor zover het hof heeft vastgesteld dat de te leveren partij cocaïne “al onderweg was naar Nederland”, is dit niet zonder meer begrijpelijk nu uit de bewijsvoering niet meer kan worden afgeleid dan dat de partij op zee lag voor de kust van het land van herkomst. Uit de bewijsvoering van het hof volgt verder dat de kredietwaardigheid van de afnemers nog moest worden aangetoond, voordat de invoer van de cocaïne in Nederland daadwerkelijk (verder) in gang zou worden gezet. In het licht daarvan is het oordeel van het hof dat sprake was van een begin van uitvoering van het binnen Nederland brengen van cocaïne ook niet zonder meer begrijpelijk.”
3.13
In zijn conclusie van 9 februari 2021 in de zogenaamde ‘helikopterzaak’ is mijn toenmalige ambtgenoot Bleichrodt uitvoerig ingegaan op het leerstuk poging en heeft hij geprobeerd nadere duiding te geven aan het criterium ‘begin van uitvoering’. In zijn ogen is daarbij het volgende van belang:
“Uiteindelijk zal het bij de beoordeling of sprake is van een begin van uitvoering aankomen op de vraag hoe ver de bewezen verklaarde gedragingen zijn verwijderd van de voltooiing van het misdrijf. De enkele (naar uiterlijke verschijningsvorm) gerichtheid (Curs. D.P.) op die voltooiing heeft in dit verband weinig onderscheidende betekenis. Het gaat om de nabijheid van de verwerkelijking van het misdrijf. Er moet sprake zijn van een situatie waarin de gedragingen zijn gericht op dadelijke realisering van de voltooiing van het misdrijf. In minder statige, aan de Duitse jurisprudentie ontleende bewoordingen, kan het momentum worden omschreven als: ‘jetzt geht es los’. Oftewel: de gedragingen zullen in voldoende concrete mate, rechtstreeks moeten zijn gericht op een prompte verwerkelijking van het misdrijf.”37.
3.14
De Hoge Raad overwoog in diezelfde zaak op 30 maart 2021 als volgt:
“Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf (vgl. HR 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373). De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven.
Uit eerdere rechtspraak kan wel het volgende worden afgeleid. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.”38.
Bespreking van het middel
3.15
Het middel van cassatie keert zich tegen bewezenverklaring van feit 1 en klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een poging tot uitvoer van één kilo cocaïne.
3.16
Ten laste van de verdachte is onder feit 1 bewezenverklaard dat:
“hij omstreeks 4 september 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, één kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, tezamen en in vereniging met die mededader,
- naar [A] hotel in [plaats] is gereden en
- naar [plaats] is gereden (in de buurt van [B] ) en
- met een persoon contact heeft gehad om een kilo cocaïne aan te schaffen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
3.17
Uit de bewijsvoering blijkt het volgende. A-4110 heeft samen met A-4133 (die zich voor heeft gedaan als Ier) en de verdachte op 4 september 2018 afgesproken in [A] in [plaats] . A-4133 heeft daar één kilo cocaïne besteld bij de verdachte. A-4133 heeft toen gezegd dat hij de cocaïne bij voorkeur diezelfde avond nog zou ontvangen en dat iemand anders het voor hem mee zou nemen naar ‘huis’ (naar Ierland dus, D.P.). De verdachte heeft toen – nadat hij te kennen gaf een en ander met een vriend te bespreken, welke vriend de medeverdachte [medeverdachte 1] bleek te zijn – aangegeven dat hij de cocaïne in [plaats] zal gaan halen, om die drugs diezelfde avond nog te leveren. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft met zijn broer geregeld dat er ‘één’ (kilo, D.P.) in [plaats] klaar zou liggen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben met de afnemers afgesproken dat zij in [plaats] met hen een ontmoeting ter overdracht zullen hebben, waarbij A-4110 en A-4133 het geld zouden meenemen. Omstreeks 21.30 uur zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] in de auto naar [plaats] vertrokken. Omstreeks 23:18 uur arriveerden de verdachte en zijn medeverdachte in [plaats] vlakbij [B] , terwijl A-4110 en A-4133 omstreeks 23:30 uur arriveerden op de afgesproken locatie in [plaats] ( [B] in [plaats] ). Omstreeks 23.59 uur deelde de verdachte, A-4110 en A-4133 mede dat het ‘niet goed’ was. De verdachte heeft de overdracht toen afgezegd en met A-4110 en A-4133 afgesproken het een andere keer te doen.
3.18
In de bewijsvoering van het hof ligt besloten dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachte, te weten het (op 4 september 2018) naar [A] hotel in [plaats] rijden, het vervolgens naar [plaats] in de buurt van [B] rijden en het met een persoon contact hebben om één kilo cocaïne aan te schaffen, dicht lagen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf van het omstreeks 4 september 2018 op de locatie [B] opzettelijk ten uitvoer aanbieden van één kilo cocaïne. Het oordeel van het hof dat het samenstel van de gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm concreet en rechtstreeks gericht was op een prompte voltooiing van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk één kilo cocaïne met bestemming naar het buitenland ten vervoer aan te bieden, getuigt daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel evenmin onbegrijpelijk is. Daaraan doet niet af dat de aankoop van de cocaïne, iets later, niet is doorgegaan omdat de kwaliteit niet goed genoeg bleek.
3.19
Het middel faalt.
4. Slotsom
4.1
Beide middelen falen en het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑07‑2025
In de zaak 24/02861 is reeds arrest gewezen. Het cassatieberoep in de zaak 24/02874 is ingetrokken.
HR 4 december 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7429, NJ 1980/356 m.nt. Th.W. van Veen, r.o. 8.
In de MvT van het Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing en wijziging van enige andere bepalingen (bijzondere opsporingsbevoegdheden) wordt het ‘Tallon-arrest’ aangehaald (Zie Kamerstukken II, 1996/97, 25403, nr. 3, p. 31).
HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 2.5 (noot onder NJ 2010/442).
HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:155, r.o. 3.3.
Zie onder meer EHRM 26 oktober 2006, nr. 59696/00 (Khudobin t. Rusland), par. 128 en EHRM 20 februari 2018, nr. 55146/14 (Ramanauskas t. Lithouwen), par. 55.
EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06 (Bannikova t. Rusland), par. 37 en 51.
EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06 (Bannikova t. Rusland), par. 37.
EHRM 15 oktober 2020, nrs. 40495/15, 37273/15 en 40913/15 (Akbay e.a. t. Duitsland), par. 114.
Zie EHRM 2 oktober 2012, nrs. 23200/10, 24009/07 en 556/10 (Vesolov e.a. t. Rusland), par. 90.
Zie bijvoorbeeld EHRM 1 juli 2008, nr. 10071/04 (Malininas t. Lithouwen), par. 36 waar het hof in Vesolov (par. 90) ook naar verwijst. Uit dit arrest kan mijns inziens worden afgeleid dat het moet gaan om soortgelijke strafbare feiten. Het hof overweegt immers het volgende: “There was no evidence that the applicant had committed any drug offences beforehand. No objective, judicially verified materials have been presented to the Court to demonstrate that the authorities had had good reason to suspect the applicant of drug dealing or of being pre-disposed to commit such an [DP: mijn cursivering] offence until approached by Officer V. The Government did not contend that the applicant had a previous criminal record and no testimony was presented at the applicant’s trial to show prior involvement in this illegal trade.” Zie in dit verband ook de conclusie van AG Knigge (randnummer 5.13) voor HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:155, NJ 2018/96.
EHRM 14 april 2015, nr. 43873/10 (Toran en Schymik t. Roemenië), waarin van belang was dat de verdachte in staat was om op korte termijn een groot grensoverstijgend drugstransport op te zetten; ook de professionele wijze van het transport en de aflevering was doorslaggevend voor het aannemen van een ‘pre-existing criminal activity’, ondanks dat de verdachte geen strafblad had en de undercoveroperatie was opgezet op basis van niet geverifieerde verklaringen van een kennis die was gedetineerd uit hoofde van een verdenking van overtreding van drugswetgeving (zie par. 58). Zie in dit verband ook EHRM 6 april 2004, nr. 67537/01 (Shannon t. het Verenigd Koninkrijk) waarin de klacht dat de verdachte was uitgelokt niet-ontvankelijk werd verklaard, omdat in de nationale procedure was komen vast te staan dat hij op de hoogte was van de toenmalige prijs van heroïne en bekend was met het sluiten van drugsdeals, zoals bleek uit het feit dat hij binnen vijftien minuten een deal op poten kon zetten en dat hij, ondanks het feit dat hij een aantal mogelijkheden had om zich terug te trekken, dit niet had gedaan en hierbij financiële voordelen voor ogen hield. Tot slot wijs ik op EHRM 18 december 2014, nr. 14212/10 (Scholer t. Duitsland), par. 86 waarin de verdachte het aanbod van de undercoveragent meteen accepteerde, bekend was met de toenmalige marktprijzen en een monster in zijn garage aanwezig had die hij op eigen initiatief overhandigde toen de undercoveragent voor het eerst informeerde naar de mogelijkheid om drugs van de verdachte te kopen. Ook was van belang dat de verdachte er (bij de derde transactie) blijk van heeft gegeven dat hij in staat was op korte termijn grote hoeveelheden drugs te leveren.
EHRM 14 februari 2017, nr. 7600/09 (Pătrascu t. Roemenië), par. 35.
EHRM 15 oktober 2020, nrs. 40495/15, 37273/15 en 40913/15 (Akbay e.a. t. Duitsland), par.116.
EHRM 4 april 2017, nr. 2742/12 (Matanović t. Kroatië), par. 124.
EHRM 23 november 2017, nr. 47074/12 (Grba t. Kroatië), par. 101 (zie in dit verband ook par. 99).
EHRM 23 november 2017, nr. 47074/12 (Grba t. Kroatië), par. 101-103.
EHRM 14 februari 2017, nr. 7600/09 (Pătrascu t. Roemenië), par. 36.
EHRM 14 februari 2017, nr. 7600/09 (Pătrascu t. Roemenië), par. 38-40.
EHRM 14 februari 2017, nr. 7600/09 (Pătrascu t. Roemenië), par. 41.
Zie onder meer EHRM 15 oktober 2020, nrs. 40495/15 37273/15 40913/15 (Akbay e.a. t. Duitsland), par. 124.
EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06 (Bannikova t. Rusland), par. 50.
Conclusie in de zaak tegen [medeverdachte 2] (24/02694) van 15 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:705.
R.C.P. Haentjens en D.R.A. Uges, ‘De middelen van de Opiumwet’, in: H.G.M. Krabbé, Facetten van strafrechtspleging 8. De Opiumwet, Alphen aan den Rijn: Samsom H.D. Tjeenk Willink 1989, p. 93.
Een poging tot uitvoer is niet uitgesloten. Vgl. de conclusie van AG Wortel, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2120, NJ 2001/256, randnummer 12: “Deze uitspraak staat, naar ik begrijp, in het teken van de afscheiding tussen uitvoeringshandelingen en hetgeen daaraan vooraf gaat. Zij moet naar mijn inzicht aldus worden begrepen dat, nu in het vijfde lid van art. 1 Ow een aantal handelingen is aangemerkt als 'buiten het grondgebied van Nederland brengen' die zonder deze wettelijke aanwijzing niet noodzakelijk als de uitvoering van dat feit zouden kunnen worden aangemerkt, gedragingen die buiten deze opsomming vallen – zoals het enkele voorhanden hebben van een voertuig, ook al beoogt de verdachte dat daarmee drugs naar het buitenland gesmokkeld worden – niet gelijkgesteld mogen worden met het daadwerkelijk uitvoeren van verdovende middelen.”
J. de Hullu en P.H.P.H.M.C van Kempen, Materieel Strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer, p. 425 e.v. Zie voorts HR 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373, NJ 1979/52 m.nt. Th. W. van Veen (uitzendbureau Cito) en HR 8 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0501, NJ 1988/612 m.nt. A.C. ’t Hart (Grenswisselkantoor).
HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:389, NJ 2021/228 m.nt. A.J. Machielse.
J. de Hullu en P.H.P.H.M.C van Kempen, Materieel Strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer, p. 431. Zie tevens de noot van P.A.M. Mevis onder HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:579, NJ 2017/290.
J. de Hullu en P.H.P.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 432.
Vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388, NJ 2021/227, 228 en 389 m.nt. A.J. Machielse.
HR 18 november 1986, ECLI 1986:AC9559, NJ 1987/276 m.nt. A.C. t Hart.
Zie voor een analyse van de rechtspraak over het invoeren en uitvoeren van verdovende middelen ook S.S. Arendse, De uiterlijke verschijningsvorm in het strafrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2020, p. 94-103.
HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:BH5707.
HR 17 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6131, NJ 2007/436 m.nt. J.M. Reijntjes.
HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:975.
Zie PHR 9 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:111, randnummer 33.
HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:389, NJ 2021/228 m.nt. A.J. Machielse.
Beroepschrift 23‑01‑2025
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, en A.A. Boersma, advocaat te Amsterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het namens [verdachte] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 12 juli 2024, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot 5 jaren gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen.
Waar het hier om gaat
In onderzoek Vidar (eerste helft 2018 — 2 maart 2020) gaat het om onderzoek naar onder meer (internationale) drughandel in het noorden van het land en de betrokkenheid daarbij van de Chapter van de Hell Angels in [d-plaats], of een supportsclub van de Hells Angels, de Red Devils MC [a-plaats]. In dit onderzoek is gebruik gemaakt van (zware) bijzondere opsporingsmethoden, waarbij het meest in het oog springt de inzet van een criminele burgerinfiltrant (A-4110, kennelijk een oud gediende in het Leeuwardense criminele milieu). Daarnaast is ook een andere burgerinfiltrant ingezet (A-4133, kennelijk een oud agent uit het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, de ‘buitenlandse afnemer’), en een (buitenlandse) politiële infiltrant (A-2369, de ‘baas’ van A-4133). Voorts is gebruik gemaakt van pseudokoop, pseudodienstverlening en stelselmatige informatie-inwinning, alsmede van het middel OVC.
Verdachte zou lid zijn van deze Red Devils. Verdachte staat in contact met A-4110 waarna een en ander is gaan rollen.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 6 en 13 EVRM, 126i, 126j, 126v, 126w, 126ij, 126z, 140a en 415 Sv alsmede 131 Wet RO, en wel omdat het verweer inhoudende dat (beknopt weergegeven) bewijsmateriaal moet worden uitgesloten voor het bewijs nu sprake is geweest van uitlokking door de criminele burgerinfiltrant A-4110 en gesprekken tussen de medeverdachte en A-4110 in die bewuste periode (voor mei 2018) niet zijn opgenomen op onjuiste althans ontoereikende gronden is verworpen. Meer in het bijzonder is het uit het arrest blijkende oordeel van het hof dat voldaan is aan de uit art. 6 EVRM voortvloeiende eisen ook zonder dat sprake is geweest van een rechterlijke controle vooraf en tijdens de inzet dan ook onjuist althans onbegrijpelijk.
Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is tenlastegelegd, dat:
- ‘1.
ZD-01 hij op of omstreeks 4 september 2018 in [a-plaats] en/of [b-plaats], in élk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het voorgenomen.misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te bréngen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer een kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tezamen en in vereniging met dié mededader(s), — naar het [A] hotel in [a-plaats] is gereden en/of
- —
— naar [b-plaats] is gereden (in de buurt van [B]) en/of
- —
met één of meer personen contact heeft gezocht/gehad om een kilo cocaïne aan te schaffen, terwij1 de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- 2.
ZD-02, ZD-03, ZD-04, ZD-05, ZD-Q6 hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2018 tot en met 1 april 2019 in [a-plaats] en/of [c-plaats] en/of [b-plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk, meermalen, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, te weten — op of omstreeks 14/15 oktober 2018 ongeveer 987,41 gram van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 99,75 gram van een materiaal bevattende cocaïne (ZD-02) en/of — op of omstreeks 12 november 2018 ongeveer 4980,6 gram van een materiaal bevattende amfetamine (ZD-03) en/of
- —
op of omstreeks 11 december 2018 ongeveer 8315,88 gram van een materiaal bevattende amfetamine (ZD-04) en/of — op of omstreeks 14 februari 2019 ongeveer 9893,1 gram van een materiaal bevattende amfetamine (ZD-05) en/of
- —
in de periode van 24 maart 2019 tot en met 1 april 2019 ongeveer 12227,58 gram van een materiaal bevattende amfetamine en/of 964,29 gram van een materiaal bevattende MDMA (ZD-06)
zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel3a van die wet.’
1.2
Zoals hierboven al beknopt weergegeven is in deze zaak, onderzoek ‘Vidar’ (onderzoek gedaan naar onder meer (internationale) drughandel in het noorden van het land en de betrokkenheid daarbij van de Chapter van de Hell Angels in [d-plaats], of een supportsclub van de Hells Angels, de Red Devils MC [a-plaats]. In dit onderzoek is gebruik gemaakt van (zware) bijzondere opsporingsmethoden, zoals de inzet van een criminele burgerinfiltrant (A-4110), inzet van een buitenlandse burgerinfiltrant (A-4133, kennelijk een oud agent uit het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, de ‘buitenlandse afnemer’), en een (buitenlandse) politiële infiltrant (A-2369, de ‘baas’ van A-4133). Voorts is gebruik gemaakt van pseudokoop, pseudodienstverlening en stelselmatige informatie-inwinning, alsmede van het middel OVC.
1.2
Uit het arrest en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat reeds in 2018 jegens verdachte (in ieder geval) pseudokoop en pseudodienstverlening is ingezet. Doel daarvan was volgens het hof:
‘De doelstelling van het onderzoek Vidar is het vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van leden van de Hells Angels, charter North Coast, in [d-plaats] bij de internationale handel in harddrugs.’
1.3
Door de verdediging zijn verweren gevoerd. Zo is aangevoerd dat sprake is van diverse vormverzuimen hetgeen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel bewijsuitsluiting dan wel strafmatiging. Door de verdediging is voorts aangevoerd dat verdachte door A-4110 uitgelokt de feiten te plegen. Zo is aangevoerd:
‘1.1.
Het is voor eenieder zonder meer duidelijk waarom er hoger beroep is ingesteld. Dat is niet omdat er door cliënt geen verdovende middelen zijn geleverd aan A-4110. Dat staat vast, en wordt ook niet ontkend. Waar het de verdediging met name omgaat is de aanleiding van en aanloop naar de leveringen van die verdovende middelen. Want, zoals bekend, staan de verklaringen van A-4110 en die van cliënt lijnrecht tegenover elkaar.
1.2.
Cliënt zegt dat het initiatief bij A-4110 lag. Sterker nog, dat hij er niet alleen over begonnen is, op heeft aangedrongen maar zelfs druk heeft uitgeoefend om cliënt te bewegen die strafbare feiten te plegen, dit terwijl zijn opzet daar van tevoren niet op gericht was. Cliënt heeft dit herhaaldelijk verklaard. Zowel bij de Politie, tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg als tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Ik ga die verklaringen niet allemaal voorhouden, de kern daarvan is duidelijk.
1.3.
A-4110 zegt het tegenovergestelde; het initiatief lag bij cliënt, hij was enthousiast en wilde graag. Daar komt het in de kern op neer. Die verklaring wordt mijns inziens weersproken door de inhoud van het dossier. Want als cliënt zo graag wilde en zo enthousiast was: waarom ligt dan het initiatief tot het nemen van contact telkens bij A-41 10? Dat geldt niet alleen voor de periode 3 januari — 22 mei 2018, waarin vaststaat dat A-4110 na de ogenschijnlijk toevallige ontmoeting op 3 januari 2018 degene is die op zoek gaat naar cliënt. Actief op zoek. Niet alleen laat hij een briefje achter in de brievenbus bij een oud adres van cliënt, heeft hij vrienden van cliënt benaderd voor zijn telefoonnummer, maar is hij ook degene geweest die met cliënt contact opneemt voor een tweede ontmoeting in januari 2018.4 Het geldt ook voor de periode vanaf de eerste officiële inzet op 22 mei 2018. Want het uit dossier volgt dat de contactmomenten vanaf dat moment nagenoeg allemaal worden afgesloten met de afspraak dat cliënt weer contact op zou nemen met A-41 10, terwijl vervolgens het omgekeerde plaatsvond. Als het initiatief dan daadwerkelijk bij cliënt zou liggen, waarom neemt hij dan zelf geen contact op?
1.4.
Bovendien is in hoger beroep nu gebleken dat A-4110 heeft verklaard dat cliënt weldegelijk bangig was en geen held was.5 Enerzijds is deze verklaring geheel tegenstrijdig met de eerdere verklaring van A-41 10, anderzijds is het een verankering voor de verklaringen van cliënt.
1.5.
De aanleiding, aanloop en het initiatief zijn één van de punten waar de Rechtbank naar onze mening te gemakkelijk overheen is gestapt. Datzelfde geldt voor enkele andere formele verweren en het materiële verweer ten aanzien van het eerste tenlastegelegde feit.
(…)
Ontmoeting op de [e-plaats] — 3 januari 2018
- 57.
Dan 3 januari 2018. Zoals u weet staan de verklaringen van [verdachte] lijnrecht tegenover de verklaringen van A-4110. [verdachte] heeft te kennen gegeven dat het A-4110 was die op dat moment heeft aangegeven ‘doe je nog weleens waf’.
- 58.
[verdachte] heeft hier herhaaldelijk over verklaard. Bij zowel de Politie als bij uw Rechtbank. Niet alleen op de inhoudelijke behandeling, maar ook bij verschillende pro forma's. Wij gaan die verklaringen niet helemaal voorhouden. De verklaringen zijn namelijk consistent. In de kern komt het erop neer dat [verdachte] vóór zijn ontmoetingen met A-4110 nooit in drugs heeft gehandeld, dat A-4110 degene was die consequent aanstüürde op handel in harddrugs, dat daarbij door A-4110 verschillende keren druk is gezet, dat hij door A-4110 veel vaker is opgezocht dan uit het dossier blijkt en dat hij zonder toedoen van A-4110 nimmer voor u had gezeten.17
- 59.
De verklaringen van A-4110 staan haaks op die van [verdachte]. Over 3 januari heeft hij verklaard dat het juist [verdachte] was die zei ‘doe je 9 nog weleens wat’.181
- 60.
Niemand van ons, behalve [verdachte], is daarbij geweest. Het was een 1-op- 1 situatie. Derhalve doemt de vraag op wie moet worden geloofd. Voor het beantwoorden van deze vraag kan gekeken worden naar de overige bevindingen in het dossier, waaronder de verklaringen van zowel [verdachte] als A-4110.1
- 61.
Vooropgesteld zij dat op geen enkel moment de verklaringen van [verdachte] zijn gefalsificeerd. Nergens volgt uit dat hij op enig moment onjuist dan wel leugenachtig zou hebben verklaard over zijn contacten met A- 4110. Sterker nog, verschillende onderdelen van zijn verklaringen worden verankerd door de inhoud van het dossier. Dat geldt uitdrukkelijk niet voor verschillende onderdelen van de verklaringen van A-4110. Daar komen wij zo op terug.
(…)
- 66.
Vervolgens gaat A-4110 naar zijn begeleiders. Van belang is dat dit contactmoment plaatsvindt naar aanleiding van het contact met [verdachte] op 3 januari 2018.
- 67.
En dan wordt het interessant. A-4110 bespreekt de ontmoeting met zijn begeleiders en die geven aan dat het zijn eigen keuze is om contact op te nemen met [verdachte].22 Voorzitter, leden van de Rechtbank, hoezo eigen keuze? A-4110 wendt zich toch ter zake dit voorval tot zijn begeleiders. Dat doet hij toch niet voor niets. Kennelijk vindt A-4110 het relevant genoeg om te melden. En kennelijk vinden de begeleiders het interessant genoeg om door te koppelen aan het Openbaar Ministerie. Dat hebben zij zelf verklaard.23 Sterker nog, zij zagen daar wel een kans in.24
- 68.
Over die ‘eigen keuze" staan de begeleiders lijnrecht tegenover A- 411.0. Dat blijkt uit de RC-horen.
- 69.
A-4110 heeft bij de RC herhaaldelijk én op verschillende momenten verklaard dat ‘alles’ wat hij heeft gedaan na 3 januari 2018 in opdracht was: van zijn begeleiders van de Politie. A-4110 heeft daarover o.a. het volgende verklaard:
‘Alles wat ik gedaan heb met [verdachte] is wat ze tegen mij hebben gezegd. (…)
U vraagt of ik mijn begeleiders op de hoogte heb gebracht van dat ik [naam 1] ging bellen en dat ik naar de woning zou gaan. Ja dat heb ik verteld toen ik achter de [a-straat] stond. Ik heb gezegd ik kan hem niet vinden. Misschien waren ze er wel, maar dat weet ik niet meer. Ik heb ze gebeld. Ik weet niet of ze daar een verslag van hebben gemaakt.
/
U vraagt mij of ik een specifieke opdracht van mijn begeleiders had voor het contact met [verdachte]. Ik moest [verdachte] opzoeken, weten waar hij woonde en. een afspraak met hem maken.
(…)
U vraagt mij wanner ik de informatie van de tweede ontmoeting van 16 januari aan mijn begeleiders heb verteld. Ze wisten al vanaf het begin van die afspraak."25
- 70.
De begeleiders verklaren op dit punt dus geheel anders. Uit hun verklaringen blijkt o.a. het volgende:
B-2820 :
‘U vraagt of ik A-4110 op dat moment instructies heb meegegeven voor- als hij [verdachte] opnieuw zou tegenkomen voordat wij berichten’ hadden van de .Officier van Justitie. Nee, wij hebben geen bevel dus mogen niet sturen dan wel debriefen of een. doelstelling meegeven. Wij hebben gezegd, het is aan jou om dat natuurlijk te doen zoals, je altijd doet, het is niet in ons belang op dat moment om hem. daar naartoe te sturen. Dat is pas later gekomen toen de Officier van Justitie een bevel heeft gegeven. U houdt mij voor dat u leest in het proces-verbaal van 19 april 20.18 dat het zijn eigen keus is om contact .op. te nemen met [verdachte] en vraagt mij hoe u die zin moet lezen. Het is niet aan. ons. om te bepalen of hij dat wel of niet moet doen. U houdt mij voor dat A-4110 dan rustig contact kan opnemen met [verdachte]. Ja als hij’ dat wil… Ik ben niet op dé hoogte van hoe vaak hij hem zag, volgens mij was het een békende van em. Als A-4110 contact met [verdachte] wil opnemen dan is dat zijn- eigen keuze. Hij heeft contact met. meerdere criminelen, niet specifiek met [verdachte]. U vraagt mij of ik wist van de tweede ontmoeting met [verdachte]. Pas achteraf. 26
(…)
Wij hebben tegen A-4110 gezegd jij .moét doen wat je goed lijkt en je moet je eigen keuzes maken. Wij rapporteren dit aan hei OM en dan moeten we maar kijken wat er gaat gebeuren.’
B-2821
‘U houdt mij voor dat A-4110 een tweede ontmoeting heeft gehad met [verdachte] en vraagt mij of hij daarvoor instructies had gekregen… .De eerste keer dat hij sprak over [verdachte] hebben wij gezegd, dat het hem vrijstaat om contact met [verdachte] te hebben maar dat het niet vanuit ons kwam, er was geen bevel. Hij heeft dit niet op onze aanwijzing gedaan. (.-)
U houdt mij voor dat A-4110 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij wel een opdracht had. Dat is niet juist. Wij beseffen heel goed dat je zonder bevel en zonder onderzoek niet een burger op een mogelijke verdachte af kunt sturen. Er is expliciet vermeld in het proces-verbaal dat het zijn eigen keuze was. Dus dit was niet juist. U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat wij A-4110 nooit op een leugen of een onjuistheid hébben kunnen betrappen en vraagt mij of dit dan het enige is. Hij zal vast wel eens een foutje hebben gemaakt, verkeerde kleur van een auto, of zo of een verkeerd kenteken. Maar een leugen?’28
- 71.
Voorzitter, we hebben het over het prille begin en gelijk al gaat het mis. Wie moeten we nou geloven? A-4110, die volgens de begeleiders zeer geloofwaardig was en wie ze nooit op een leugen hebben kunnen betrappen, of de begeleiders die hun bevindingen van januari 2018 pas in april 2018 hebben geverbaliseerd in een proces-verbaal:?
- 72.
Wij gaan op dit punt uit van de verklaring van A-4110, omdat die gedetailleerder is. Niet alleen heeft hij er bij de RC herhaaldelijk over verklaard, ook heeft hij aangegeven dat hij zijn begeleiders nog heeft gebeld voor de ontmoeting op de [a-straat] (12 januari 2018). Dat zou dus betekenen dat A-4110 door de WOD op [verdachte] is afgestuurd, terwijl er geen bevel was, maar belangrijker nog: geen enkele controle was.
(…)
- 76.
En of dat nader onderzoek heeft plaatsgehad. A-4110 is gaan jagen op [verdachte]. Hij is langs geweest bij oude adressen en heeft vrienden benaderd voor het nummer van [verdachte]. Dit volgt niet alleen uit het dossier, maar ook het RC-verhoor van A-4110. Hij bevestigt daar dat hij langs de deur is geweest in Deinem.30
(…)
- 83.
Wederom dus een verankering voor de verklaring van [verdachte]. Bij de. RC heeft A-4110 ook niet ontkracht dat hij [verdachte] vaker gezien zou hebben. Volgens A-4110 zou het kunnen dat hij [verdachte] inderdaad vaker heeft gezien, zoals [verdachte] heeft verklaard.36
- 84.
En hoe zit het eigenlijk met Tallon in deze periode? Is A-4110 daar bewust van gemaakt voor het geval hij. contact zou opnemen met [verdachte]? Dit ligt wel in de rede ‘hu [verdachte]‘ toentertijd kennelijk al als ‘mogelijke verdachte’ werd bestempeld. Droevig genoeg is het antwoord daarop néé’.
- 85.
Dit volgt herhaaldelijk uit het vérhoor van B-2821 bij .de RC. Dé begeleiders meenden dat er geen risico op uitlokking was… ‘Overigens zonder uit dé doeken te doen waarom. Maar het wordt nog erger. Kennelijk gold Tallon helemaal niet in deze periode. Er was immérs geen sprake van opsporing:
‘U vraagt mij of het Tallon-criterium geldt .als het iemand vrijstaat om contact op’ te nemen. Wij zitten dan niet in de opsporing. Het was gewoon een sociaal contact van hem, ik dénk niét dat hij aan het Tallon-criterium gedacht, heeft. U vraagt mij of tijdensdit organische gesprek, dat het zijn eigen, keuze was om contact op te nemen, nog is gesproken over uitlokken. Dat weet ik niet meer.’
- 86.
Voorzitter, of we per zake de contacten, na 3 januari 2018 nou uitgaan van de lezing van A-4110 of de lezing van de begeleiders, beide zijn volstrekt ontoelaatbaar. Linksom of rechtsom is [verdachte] door de Politie vogelvrij verklaard, en daar is actief gebruik van gemaakt.
(…)
- 104.
Dit alles is relevant, omdat [verdachte] heeft verklaard dat A-4110 hem veelvuldig heeft opgezocht in de periode tussen 3 januari en 22 mei 2018. Waarbij A-4110 telkens heeft aangedrongen op drugshandel. We hebben al geconstateerd dat A-4110 buiten het dossier om bij de bakkerij is geweest. Dit dus terwijl A-4110 al in een heel vroeg stadium (maanden vóór 22 mei 2018) op de hoogte was dat hij zou worden ingezet.
- 105.
A-4110 heeft een belang gehad bij deze ontmoetingen met [verdachte]. Hij wist immers dat er een scenario werd gebouwd in welk scenario hij betaald zou worden. De succesfactor van zijn inzet, en daarmee zijn betalingen, was afhankelijk van [verdachte]. In die zin is het niet gek dat hij [verdachte] in de periode verschillende keren heeft opgezocht.
(…)
- 108.
Heeft er dan controle op A-4110 plaatsgehad in de periode vanaf het moment dat hij wist dat hij zou worden ingezet? Het antwoord daarop is ronduit nee. Ook dit volgt uit de RC-verhoren van de begeleiders:
‘Als zo iemand contact met hem opneemt, dan zijn wij de eerste die hij belt. Wij krijgen als eerste door als er een contactmoment is geweest.
Als dat er was geweest dan hadden wij dit op papier gezet. U vraagt mij of dit nog gecontroleerd is. Op dat moment niet, later zijn er een aantal controlemogelijkheden ingebracht.‘49’
(…)
- 110.
Het is des te meer frappant als we bedenken dat het nu juist de Politie en het Openbaar Ministerie zijn die aangeven dat A-4110 zich in criminele kringen bevond en om die reden contacten had met onder andere [verdachte].50 Dan zou men toch juist controle moeten uitoefenen in zo'n belangrijke periode. De kans was immers toch aanwezig dat hij de crimineel [verdachte] weer zou treffen ? Al was het toevallig. Waarom niet de telefoon tappen van A-4110? Waarom geen baken in zijn auto? Het zijn simpele controlemiddelen die over de voet van de verdenking tegen [verdachte] gemakkelijk op A-4110 hadden kunnen worden ingezet.
(…)’
1.4
In het arrest heeft het hof ten aanzien van het verloop van de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden onder meer overwogen/geoordeeld:
‘In verband met verdenkingen van internationale handel in harddrugs, in georganiseerd verband, het produceren van harddrugs, witwassen en vuurwapenbezit is in de eerste helft van 2018 het onderzoek Vidar opgestart vanwege een concrete verdenking van internationale drugshandel door [verdachte], lid van motorclub Red Devils, een supportclub van de Hells Angels. De doelstelling van het onderzoek Vidar is het vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van leden van de Hells Angels, charter North Coast, in [d-plaats] bij de internationale handel in harddrugs.
In het onderzoek lopen op een gegeven moment twee onderzoeks-trajecten naast elkaar. Dat zijn het traject ‘[verdachte]’, gestart in april 2018 en geëindigd in 2019, en het traject ‘[medeverdachte 2]’, gestart in april 2019 en geëindigd in maart 2020.
(…)
Uit het proces-verbaal aanvraag overeenkomst criminele burgerinfiltratie blijkt het volgende. 46 In april 2018 is een onderzoek gestart onder de naam Vidar. Dit onderzoek is gestart naar aanleiding van contact tussen verdachte [verdachte] en A-4110. Naar aanleiding van dat contact is de verdenking ontstaan dat verdachte [verdachte] zich, al dan niet samen met anderen, bezighoudt met internationale handel in harddrugs. Gebleken is dat [verdachte] lid is van de Red Devils in [a-plaats], een supportclub van de Hells Angels, en dat hij persoonlijk contact onderhoudt met kaderleden van de [motorclub 2] ([motorclub 2]) in [d-plaats]. Naar aanleiding daarvan is door officier van justitie met A-4110 een overeenkomst burgerpseudokoop/burgerpseudodienstverlening aangegaan. A-4110 heeft de opdracht gekregen een door het begeleidingsteam van de WOD van de Landelijke Eenheid aangewezen (buitenlandse) burger, A-4133, te introduceren en deze te faciliteren in zijn contacten met [verdachte]. Ook is een bevel stelselmatige informatie-inwinning afgegeven. Daarnaast zijn nog andere bijzondere opsporingsmiddelen ingezet, waaronder: opnemen van telecommunicatie met een daartoe strekkende machtiging van de rechter-commissaris bij verdachten [verdachte] en [medeverdachte 3] en het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de voertuigen in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte 3].
(…)
Wat blijkt uit het dossier?
Op grond van de in houd van het dossier stelt het hof het volgende vast.
Burgerpseudokoop/burgerpseudodienstverlening
Op 15 mei 2018 is in het onderzoek jegens verdachte [verdachte] door middel van een proces-verbaal een overeenkomst burger pseudokoop/burgerpseudodienstverlening met A- 4110 aangevraagd.69 Op 17 mei 2018 is de eerste overeenkomst tot stand gekomen voor de duur van drie maanden. De te verlenen bijstand bestaat uit de introductie door A-4110 bij verdachte [verdachte] van een door het WOD begeleidingsteam aangewezen (buitenlandse) burger en/of (buitenlandse) opsporingsambtenaar en het faciliteren in zijn contacten met [verdachte].
Het doel van deze introductie is te komen tot:
- —
de pseudokoop van een hoeveelheid harddrugs en/of de pseudodienstverlening met betrekking tot handelingen die betrekking hebben op het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben en/of vervaardigen van harddrugs;
- —
het winnen van vertrouwen van [verdachte] en
- —
het zicht krijgen op de vermoedelijke contacten van [verdachte] met kaderleden van de Hells Angels, charter Northcoast.
(…)
Op 14 augustus 2018 is in een proces-verbaal een aanvraag ingediend ten einde de hiervoor aangehaalde overeenkomst te verlengen. De reden daarvoor is de volgende. Sinds het afsluiten van de bedoelde overeenkomst hebben er vier geregisseerde en drie spontane ontmoetingen plaatsgevonden tussen [verdachte] en A-4110. Hieruit blijkt dat de verschillende doelen uit de eerdere aanvraag gerealiseerd lijken te worden. Tot dan toe is het volgende gebleken:
- —
gezien de reacties van [verdachte] kan blijken dat hij zich bezighoudt met de handel in verdovende middelen en dat een burgerpseudokoop van harddrugs in de maak is.
- —
A-4110 lijkt het vertrouwen van [verdachte] gewonnen te hebben en is bezig de getuige A-4133 te introduceren.
- —
Uit de bij proces-verbaal van bevindingen vastgelegde ontmoeting, die [verdachte] met A-41 10 op 24 mei 2018 heeft gehad, blijkt dat [verdachte] met betrekking tot de handel in harddrugs niet zelfstandig kan handelen. Tijdens deze ontmoeting zegt [verdachte] dat hij overleg moet plegen met een derde persoon en mensen niet kan passeren.
- —
Na de tweede ontmoeting is de volgende dag contact met [medeverdachte 3], vicepresident bij de [motorclub 2] te [d-plaats].
- —
Bij de derde ontmoeting heeft A-41 10 [verdachte] met de buitenlandse A-4133 laten kennismaken en is een vervolg hiervan op handen.
- —
Vrijwel direct na de derde geregisseerde ontmoeting op 5 juli 2018, rijdt [verdachte] naar de woning van [medeverdachte 3] in [f-plaats].
- —
Op 30 juli 2018 is een spontane ontmoeting geweest tussen [verdachte] en A-41 10. Tijdens deze ontmoeting is een afspraak gemaakt voor de volgende dag.
- —
Op 31 juli 2018 heeft een geregisseerde ontmoeting plaatsgevonden en daarbij zijn nadere, plannen gemaakt voor de burgerpseudokoop door getuige A-4133. In de eerste week van september 2018 zal getuige A-4133 weer naar Nederland komen om tot de pseudokoop te komen.
Er blijkt aldus dat een aanstaande burgerpseudokoop/-dienstverlening op handen is waar A-4110 onderdeel vanuit maakt op grond waarvan wordt verzocht de overeenkomst met A-4110 te verlengen. 71 Uit het dossier blijkt dat de overeenkomst op 15 augustus 2018 is verlengd voor de duur van 12 weken en eindigt op 15 november 2018.72
(…)’
1.5
Ten aanzien van de inzet van de criminele burgerinfiltrant (art. 126w Sv) heeft het hof vastgesteld dat ten aanzien van het moment en de wijze waarop toestemming aan het College van P.G.'s moest worden gevraagd en de Minister moest worden betrokken vormverzuimen hebben plaatsgevonden maar dat deze niet tot niet ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting of strafverlaging leiden. In het arrest heeft het hof daartoe overwogen/geoordeeld:
‘Voorafgaande instemming van het College
De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat het College heeft ingestemd mét een overeenkomst tot burgerinfiltratie als bedoeld in artikel 126w Sv. Deze instemming is echter pas op 6 maart 2019 gegeven. De overeenkomst tot burgerinfiltratie was ‘toen al in werking getreden, te weten met ingang van 1 maart 2019.40 De rechtbank constateert dat hier sprake is geweest van een vormverzuim.’
Conform het standpunt van de advocaten-generaal en de verdediging kan het hof zich verenigen met hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, inhoudende dat er op dit punt sprake is van een vormverzuim. Het hof maakt de voorgaande overwegingen van de rechtbank tot de zijne.
In kennisstellen van de Minister van Justitie
Met betrekking tot de voorwaarden of het Minister van Justitie tijdig op dé hoogte is gebracht heeft de rechtbank het volgende overwogen.
‘De rechtbank stelt verder vast dat niet is gebleken dat het College de Minister tijdig op de hoogte heeft gesteld van de beslissing tot inzet van de criminele burgerinfiltrant. Reeds in de periode van 1 maart 2(919 tot en met 21 maart 2019 is A-4110 al ingezet als burgerinfiltrant. Dit terwijl de Minister pas op 21 maart 2019 op de hoogte is: gesteld van die inzet. De rechtbank constateert dat ook hier sprake is geweest van een vorm verzuim.’
Het hof verenigt zich ook met deze overweging van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.’
1.6
Ten aanzien van de rechtmatigheid van de inzet van het middel van de criminele burgerinfiltrant, specifiek ten aanzien van de eis dat de inzet daarvan kortdurend moet zijn en geen gebruik mag worden gemaakt van een groei-infiltrant, heeft het hof overwogen/geoordeeld:
‘De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van een groei-infiltrant Het hof is van oordeel dat de rechtbank op dit onderdeel een juiste afweging heeft gemaakt. De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen.
‘In de Aanwijzing wordt bij de zin ‘De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van groei-infiltranten’ in een voetnoot expliciet verwezen naar een uitlating van Minister Opstellen hieromtrent (‘Zie pag. 20, Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 195’). De rechtbank leidt hieruit af dat het College daarmee tot uitdrukking brengt dat aan voornoemde voorwaarde de volgende uitleg gegeven dient te worden:
Minister Opstellen: (…) Het tweede punt betreft het korte traject. Het gaat er daarbij niet alleen om dat het een kort traject in tijd is. Het gaat primair om het doel van de inzet Het moet een direct te bereiken doel zijn, zonder ie veel tussenstappen. Dat wordt er ook mee aangegeven. De inzet leidt direct tot het verzamelen van het benodigde bewijs, bijvoorbeeld over een drugsdeal. Het gaat om, een eenmalige- inzet. Dat is hierbij het punt. Dit staat tegenove r de niet toegestane langere trajecten, waarin meerdere stadia worden doorlopen om het doel te bereiken: Ik noem als voorbeeld: eerst een kleine drugsdeal organiseren; dan een iets grotere en daarna de grote klapper waarmee de hoofddader in beeld komt. Dat kan dus niet. Dan heb je een groeitraject.4
De rechtbank constateert hier dat de Minister een striktere definitie hanteert van ‘groeiinfiltrant’ dan de Enquêtecommissie (de commissie- Van Traa, hierna: Van Traa) in haar verslag van 22 november 1994 destijds heeft gedaan. De Enquêtecommissie definieerde een groei-infiltrant namelijk als een burgerinfiltrant die een belangrijke positie gegeven wordt ten opzichte van de organisatie waarin hij gaat infiltreren, opdat het mogelijk wordt dat hij vertrouwen wint bij de top van de criminele organisatie. Om de infiltrant te laten ‘groeien’, moeten soms partijen drugs worden doorgelaten.
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat door het Openbaar Ministerie niet is voldaan aan de genoemde randvoorwaarde. In het onderzoek Vidar is geen sprake geweest van een kortstondig traject en een eenmalige inzet. Ook was het hoofddoel — vaststellen of Uitsluiten van betrokkenheid van (leden van) de Hells Angels bij de internationale handel in .harddrugs — niet direct té bereiken, Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheèl kan bovendien worden afgeleid dat het Openbaar Ministerie met de inzet zicht wilde krijgen op de opbouw en structuur van de organisatie en de personen die ‘boven’ [medeverdachte 3] stonden, en/of dé bétrokkénhéïd van andere leden van de Hells Angels. Daartoe zijn meerdere stadia doorlopen om A-4110 de organisatie binnen te laten dringen en daarin té laten groeien als compagnon van [medeverdachte 2] (traject- Finland/Australië en traject-Fintand/DenemarkenJ. De rechtbank is dan pok van oordeel dat het Openbaar Ministerie zich niet aan zijn eigen regelgeving heeft gehouden. Dit levert een vormverzuim op ex artikel 359a Sv.
De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden aan dit vormverzuim. Zij overweegt hierover het volgende.
Om te beginnen valt de interpretatie die de Minister (en daarmee het Openbaar Ministerie) geeft aan het begrip groéi-infiltrant niet geheel te rijmen met de- aanleiding voor en hot doel van het opheffen van het verbod, 56 namelijk het doordringen tot criminele groepen zodat informatie kan worden verkregen vanuit de kern van de criminele groepering zelf: over de hoofdrolspelers, hun criminele activiteiten en over hun geldstromen, opdat deze hoofdrolspelers en criminele groeperingen aangepakt kunnen wordend? inherent aan infiltratie is dat sprake zal zijn van beïnvloeding van de groepering. Om geloofwaardig te zijn dient de infiltrant vaak een actieve rol te spelen in de groep. Hij dient betrokken te raken bij de groep van personen of de criminele organisatie om er vervolgens deel van uit te gaan maken, zodat hij informatie en bewijsmateriaal kan vergaren die nodig is in het belang van het onderzoek. 58 Daartoe zal hij in meer of mindere mate in de groepering moeten groeien. Deze ongerijmdheid relativeert de hardheid van de door het Openbaar Ministerie gekozen lage drempel voor het begrip ‘groeï-infiltrant’ enigszins. De rechtbank merkt in dit verband op dat de veel hogere drempel van Van Traa's definitie van de groei-infiltrant bij lange na niet is gehaald.
Van groot belang is verder dat verdachten door het geconstateerde vormverzuim niet daadwerkelijk in hun verdediging zijn geschaad.60 Achterliggend belang van het ‘verbod’ op criminele groei-infiltranten is namelijk dat geen afbreuk wordt gedaan aan de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing. Daarvan is, zoals uit het voorgaande mag blijken, geen sprake geweest. Anders dan bij de IRT-affaire is de opsporing niet ‘ontspoord’ en evenmin zijn er onder verantwoordelijkheid van een officier van justitie (grote) hoeveelheden drugs op de markt terecht gekomen, zoals ten tijde van de IRT-affaire. Ten slotte kan niet worden gezegd dat door de wijze waarop en de mate waarin A-4110 is ingezet in strijd is gehandeld met het proportionaliteitsbeginsel.’
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne. Aanvullend overweegt het hof het volgende. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat bij infiltratie aan het begrip ‘kort’ en ‘kortdurend’ geen vastomlijnde of eenduidige betekenis kan worden gegeven. Het hof heeft in acht genomen naar welke definitie van de Minister in de Aanwijzing wordt verwezen. Daarnaast heeft het hof ook gezien dat in de Tweede Kamer is gedebatteerd over welke tijdsduur een infiltratietraject zou moeten hebben en dat er in het Kamerdebat verschillende beschrijvingen zijn gegeven waar het gaat om infiltratie.61 Of een inzet ‘kortdurend’ is zal afhangen van diverse factoren omdat een infiltrant tijd nodig heeft om te infiltreren. Een infiltrant moet vertrouwd raken met zijn rol en de omgeving waarin hij infiltreert wil zijn inzet functioneren. Hoe snel een en ander zal gaan zal ook afhangen van de (on) doorzichtigheid van een organisatie waarin wordt geïnfiltreerd. Voorgaande omstandigheden maken dat de definitie van kort in elke zaak een andere betekenis zal hebben. Veeleer zal met burgerinfiltratie de nodige tijd gemoeid zijn. Een en ander zal mede worden bepaald door de concrete omstandigheden van de specifieke zaak. Al het voorgaande bezien heeft de rechtbank een juiste afweging gemaakt en volgt het hof de rechtbank in haar conclusie.
Wat betreft de term groei-infiltrant overweegt het hof het volgende. Ook hier heeft het hof gezien dat de Minister een beperkte definitie heeft gegeven. Uit het Tweede Kamer debat zoals dat is gevoerd in het kader van de motie Recourt blijkt dat verschillende definities van een groei-infiltrant aan de órde zijn geweest waarbij de lengte van de inzet of het maken van ‘carrière’ onder meer onderwerp van het debat is geweest. Naar het oordeel van het hof is het belangrijk om ook hier te kijken naar het wezen en traject van de infiltratie. Bijvoorbeeld, naar de tijd die is gemoeid met het vertrouwd raken met de organisatie, het vertrouwen winnen, maar ook de ondoorzichtigheid van de organisatie met eigen kenmerken, is een belangrijke factor. Gelet op die omstandigheden is het hof van oordeel dat de definitie en uitspraken van de Minister moeilijk vallen te rijmen met de uitvoeringspraktijk.
Desalniettemin heeft het Openbaar Ministerie er voor gekozen om de beperkte definitie in de aanwijzing op te nemen, zodat de rechtbank en ook het hof daaraan gebonden zijn en daaraan toetsen.
Deze toetsing verdient op grond van het bovenstaande evenwel een zekere nuancering.
Uit het dossier blijkt dat A-4110 een jaar heeft gefungeerd als infiltrant. Er lopen op dat moment meerdere drugs-exporttrajecten naast elkaar waarin A-4110 weliswaar meedraaide, maar op een beperkte manier. Hij verzamelde vooral informatie en verleende her en der hand- en spandiensten. In de criminele organisatie is hij niet opgeklommen. Zijn rol bleef beperkt tot een bijrol. Hij blijft bezig met het vergaren van informatie. De Minister heeft beschreven dat infiltratie beperkt dient te blijven tot de opsporing van een eenmalig concreet feit. Vastgesteld kan worden dat het daar in deze zaak niet om draait. Het gaat om een concrete verdenking, namelijk van de internationale handel in harddrugs, waarvoor in het kader van opsporing meer zicht op de criminele groepering van belang is. Bij het in zetten van A-4110 bestonden er aanwijzingen en verdenkingen dat diverse activiteiten werden ontwikkeld voor harddrugslijnen naar verschillende landen. Het onderzoek richtte zich op een organisatie waarin verschillende trajecten naast elkaar liepen en waarbij het de opdracht was van de criminele burgerinfiltrant om informatie te verkrijgen over hoe de verhoudingen lagen en hoe de taken binnen de groep waren verdeeld, ook om zicht te krijgen op alle betrokken personen. Al die tijd bleef de rol van A-4110 in de kern hetzelfde, hij vervulde een bijrol. Hoewel hij wel directer met de drugs in aanraking kwam, zo heeft hij drugs aangepakt en drugs verpakt, is bij niet opgeklommen in de organisatie. Hij liep mee met verdachte [medeverdachte 2],, was vaak diens chauffeur, en A-4110 deelde de contacten die van belang konden zijn voor de drugshandel. In het proces-verbaal aanvraag verlenging overeenkomst burgerinfiltratie blijkt dat A-4110 een faciliterende en bemiddelende rol zal innemen.62 De rol van de criminele burgerinfiltrant wordt telkens consequent beschreven. Vastgesteld kan worden dat aan de rol van A-4110 in de laatste aanvraag voor een verlenging uitgebreider vorm wordt gegeven. Dit valt vooral te verklaren uit het feit dat er op dat moment meer activiteit is binnen de groep waarin wordt geïnfiltreerd. De verdenkingen breiden zich daarbij uit naar meerdere personen. A-4110 verleent op dat moment bijstand en medewerking aan de groep en indien nodig bemiddelt hij in contacten. Het hof stelt ook vast dat uit de diverse processen-verbaal van aanvraag van burgerinfiltratie volgt dat het steeds de bedoeling is geweest en werd geprobeerd om de rol van A-4110 kleiner te maken of hem uit het infiltratietraject te halen, maar dat dat door het vertrouwen dat binnen de organisatie in A-4110 werd gesteld telkens vanwege uitlatingen of gedragingen van betrokkenen in die organisatie, niet lukte.
Deze aanvullende overwegingen maken dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat — zoals hierboven overwogen — het Openbaar Ministerie zich niet aan zijn eigen regelgeving heeft gehouden en dat dit in die zin een vormverzuim op ex artikel 359a Sv oplevert. Het hof is, op de hierboven door van de rechtbank aangehaalde gronden, van oordeel dat daaraan geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden.’
1.7
De rechtbank en het hof hebben met juistheid geoordeeld dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant kortdurend moet zijn en dat er geen gebruik mag worden gemaakt van een groei-infiltrant. Het oordeel dat sprake is geweest van de vereiste korte duur van de inzet en dat A-14410 niet is ingezet als groei-infiltrant is in het licht van hetgeen het hof heeft vastgesteld onjuist althans onbegrijpelijk. Zo heeft het hof zelf al vastgesteld dat in strijd met de expliciete bedoeling van de wetgever de infiltratie niet beperkt is tot de opsporing van een eenmalig concreet feit maar gericht is geweest op het verkrijgen van een positie waardoor zich zou worden gekregen op mogelijke meerdere mogelijk te plegen delicten. Het oordeel dat geen afbreuk is gedaan aan de integriteit van de opsporing nu de opsporing niet is ontspoord en er geen onder verantwoordelijkheid van een officier van justitie (grote) hoeveelheden drugs op de markt terecht zijn gekomen en dat de infiltrant slechts een ‘bijrol’ heeft vervuld is onjuist en onbegrijpelijk. Ten aanzien van de concreet tenlastegelegde misdrijven kan uit hetgeen het hof heeft vastgesteld dat bezwaarlijk immers anders worden afgeleid dat A-4110 de beweerdelijk door verdachte gepleegde feiten heeft medegepleegd gelet op de intensieve en nauwe samenwerking tussen verdachte en A-4110 en anderen. In de bewijsmiddelen is vastgesteld dat A-4110 intensief met verdachte en anderen waaronder de buitenlandse burgerinfiltrant A-4133 overleg heeft gevoerd over te plegen misdrijven, waaronder de tenlastegelegde en bewezenverklaarde misdrijven; contacten heeft gelegd met (een) mogelijke afnemer(s); betrokken is geweest bij het verkrijgen van geldbedragen bestemd voor de aankoop van harddrugs. Daarnaast blijkt uit het arrest dat A-4110 zelfs in zijn woning drugs aanwezig heeft gehad en in zijn eigen woning drugs heeft verwerkt/bewerkt door deze te verpakken. Ten aanzien van de in feit 2 bedoelde hoeveelheid van 99,75 gram cocaïne die buiten het grondgebied van Nederland is gebracht (zaaksdossier 2) is A-4110 degene geweest die de feitelijke (bewezenverklaarde) handeling heeft verricht door die hoeveelheid (met bestemming buitenland) ten vervoer aan te bieden aan de buitenlandse afnemer. Daar komt nog bij dat het hof in het in de ontnemingszaak op 12 juli 2024 gewezen arrest ook heeft vastgesteld dat bij de in de strafzaak onder feit 2 bewezenverklaarde feiten A-4110 als tussenpersoon van verdachte en A-4133 heeft opgetreden en daarvoor ook / ‘bemiddelingskosten’ heeft ontvangen.1. Het is evident dat door A-4110 gepleegde strafbare feiten de integriteit van de opsporing reeds onherstelbare schade heeft opgelopen.
1.8
Voorzover het hof van oordeel is geweest dat er geen sprake is geweest van een ‘groei-infiltrant’ nu deze niet in de criminele organisatie is ‘opgeklommen’ ziet het hof er ook aan voorbij dat de infiltrant jegens verdachte kennelijk in staat is gesteld een dermate positie te verwerven dat hij de door verdachte gepleegde feiten heeft medegepleegd en daaruit zelfs wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. De positie is kennelijk zo essentieel geweest dat het niet eens is gelukt ‘om de rol van A-4110 kleiner te maken of hem uit het infiltratietraject te halen, maar dat dat door het vertrouwen dat binnen de organisatie in A-41 10 werd gesteld telkens vanwege uitlatingen of gedragingen van betrokkenen in die organisatie, niet lukte’.
1.9
Op grond van het bovenstaande kan het arrest niet in stand blijven.
1.10
Voorts is het volgende van belang. Door de verdediging is onder meer het verweer gevoerd dat sprake is geweest van (beknopt weergegeven) uitlokking door de infiltrant waardoor hij gebracht is feiten te plegen waarop zijn opzet niet reeds tevoren was gericht. In het arrest heeft het hof geoordeeld dat verdachte niet is uitgelokt tot het plegen van de hem verweten feiten. Daartoe heeft het hof een aantal OVC-gesprekken en tapgesprekken vanaf 22 mei 2018 afgeleid dat uit die gesprekken volgt dat er geen sprake is geweest van ‘uitlokking’. Voorts heeft het hof overwogen/geoordeeld:
‘Het hof stelt voorop dat niet is gebleken, noch aspecten uit het dossier naar voren zijn gekomen, die aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat de gedragingen van A-4110 in de fase van pseudokoop en stelselmatige informatie-inwinning, feitelijk neerkwamen op infiltratie door een criminele burgerinfiltrant.
(…)
De rol van A-41 10 is tot op de zogenoemde klapdag van 2 maart 2020 vooral bemiddelend, waarbij wel zichtbaar is dat door de organisatie op A-4110 met name in de eindfase een beroep wordt gedaan zelf drugs aan te pakken en te vervoeren. Zijn rol en inzet worden gedurende het onderzoek in de processen-verbaal van aanvraag en gesloten overeenkomsten evenwel niet groter gemaakt, in die zin dat hij niet belangrijker wordt binnen het criminele netwerk waar het onderzoek zich op richt.
Het Openbaar Ministerie heeft uitgelegd dat telkens is geprobeerd A-41 10 uit het onderzoek te halen en hem te laten vervangen door politiële infiltranten, hetgeen niet lukte. Uit OVC gesprekken volgt ook dat A-4110 eigen betrokkenheid met drugshandel en vervoer meermalen afhoudt. Ook is door het Openbaar Ministerie aandacht gevraagd voor de in dé loop van het onderzoek meer onveilig wordende situatie rondom A-41 10, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de zogenoemde klapdag waarmee een einde aan het onderzoek is gekomen. Het hof herkent de uitleg van de advocaten-generaal in de inhoud van het dossier, waaronder de OVC gesprekken.
De wijze van inzet, de keuzes daarin aan de hand van de bevindingen en het verloop in de inzet, zijn uit dé inhoud van diverse stukken in het dossier, waaronder processen-verbaal van aanvraag, navolgbaar. Het hof stelt vast dat de inzet van A-4110 op transparante wijze is gecontroleerd. Het dossier omvat een nauwkeurige verslaglegging die inzicht geeft in concreet verloop van inzet van A-4110 en overigens ook van de uitvoering van andere opsporingsmethoden. Het maakt de inzet op een juiste wijze toetsbaar voor het hof hetgeen bijdraagt aan de integriteit van de opsporing. Het hof is aldus in staat de rechtmatigheid van WOD-traject te beoordelen. Conclusie van het hof is dat de wijze waarop A-4110 is ingezet overeenkomt met de inhoud van het dossier, waaronder de verschillende processen-verbaal van de aanvragen en OVC en dat de gedragingen die A-4110 verricht de hem gegeven opdrachten niet overstijgen. De inzet van A-4110 wordt op grond van het bovenstaande rechtmatig geacht.
(…)
Door de verdediging is de betrouwbaarheid van A-41 10 ook in twijfel getrokken vanwege zijn eigen vooral financiële belang bij voortdurende inzet. Het hof stelt vast dat A-4110 heeft verklaard over zijn beweegredenen om als informant/infiltrant bijstand te verlenen aan de opsporing. Bij dé rechter-commissaris heeft A-4110 daarover het volgende verklaard: ‘Ik had genoeg van alles, ik was er klaar mee. Had genoeg van al die gasten, daarom heb ik het gedaan. Ik heb een hoop beleefd en een hoop ellende gehad. Ik was een beetje gefrustreerd denk ik ook. Ik ben invalide geworden. Alles verandert als je wat overkomt- Je wordt niet meer geaccepteerd zoals het vroeger was.’104
Het hof maakt daaruit op dat de reden voor A-4110 om mee te doen was gelegen in de omstandigheid dat hij zich miskend voelde door het Leeuwarder criminele milieu ómdat hij niet méér meedraaide zoals hij dat vroeger deed. Dat ongenoegen maakt op zichzelf de verklaringen van A-41 10 niet onbetrouwbaar. Het dossier biedt geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat het A-4110 niet alleen zou hebben gebracht tot samenwerking met de politie maar ook tot het in strijd met de waarheid afleggen van belastende verklaringen. Daarbij komt dat uit het dossier niet blijkt dat A-4110 specifiek ten opzichte van enige verdachte in het onderzoek Vidar gevoelens van miskenning of veronachtzaming had.
Dat A-41 10 heeft gehandeld uit eigen belang en om er zelf beter van té wórden en dat die omstandigheid reden is geweest om dingen té verklaren die niet kloppen, is evenmin aannemelijk geworden. Het hof neemt in aanmerking dat het financiële aspect op zich een beweegreden kan zijn voor samenwerking met de politie, maar niet is aannemelijk geworden dat dit A-4110 heeft gebracht tot het afleggen van onbetrouwbare verklaringen. Naar het oordeel van het hof wordt dat weerlegd door de bewijsmiddelen die het hof in dit arrest heeft opgenomen en waaruit blijkt dat de verklaringen van A-4110 bevestiging vinden in overige bewijsmiddelen óf daarin ingebed zijn, Het hof stelt in dat verband ook vast dat het dossier inzicht geeft over de vergoeding die A-4110 heeft gekregen.105 A-4110 én de begeleider zijn daarover bevraagd en hebben die vragen óp héldere wijze beantwoord. De officier van justitie heeft daarover verantwoording afgelegd, zoals ook in de overeenkomsten is opgenomen. Hét dossier omvat een, financiële verantwoording. Er zijn vergoedingen uitgekeerd overeenkomstig de circulaire bijzondere opsporingsgelden. In zoverre is de inhoud van het dossier ook óp dit onderdeel van de inzet van A-4110 transparant en controleerbaar. De omvang van de vergoeding zoals die uit dit dossier blijkt maakt het oordeel van het hof niet anders.
(…)
D- Schending van het Tallon-criterium?
(…)
De verdenking
Uit het dossier volgt dat het onderzoek van de politie is gestart op basis van de verdenking dat verdachte [verdachte] zich zou bezighouden met de internationale handel in harddrugs, Deze verdenking is gebaseerd op het proces-verbaal van politie d.d. 20 april 2018.109
Als feitelijke aanleiding wordt in voornoemd proces-verbaal het vólgende vermeld: Vanuit hun functie als begeleider bij het team Werken onder Dekmantel hebben B-2820 en B-2821 dinsdag 9januari 2018 contact gehad met A-4110. Deze laatste staat ingeschreven in het register van het Team Burger in Opsporing van de Landelijke Eenheid. A-4110 gaf in dat gesprek dan dat hij benaderd was door — een voor de begeleiders onbekende — [verdachte]. A-4110 vertelde dat [verdachte] hem had gevraagd of A-4110 ‘nog wat doet’. [verdachte] vroeg hem na een kort gesprek of A-4110 binnenkort nog eens langs zou komen. A-4110 vertelde de begeleiders B-2820 en B-2821 dat hij [verdachte] al jaren kent en dat hij lid is van de Red Devils in [a-plaats]. Deze Red Devils zouden volgens A-4110 goede contacten hebben met de Hells Angels in [d-plaats].
Op 16 januari 2018 vertelde A-4110 de begeleiders dat hij [verdachte] opnieuw gesproken had. [verdachte] had hem gevraagd om een afnemer van speed, het liefst uit het buitenland.
Over deze gang van zaken is een proces-verbaal van bevindingen door B-2820 en B-2821 opgemaakt.110 Daaruit volgt onder meer dat de door A-4110 gegeven informatie door B- 2820 en B-2821 op 16 januari 2018 is doorgegeven aan het Openbaar Ministerie.
(…)
Het hof stelt vast dat op basis van deze verdenking zoals neergelegd in het proces-verbaal van 20 april 2018 ten aanzien van verdachte [verdachte] een opsporingsonderzoek met de haam Vidar is gestart. Óver die start en de daaraan voorafgaande periode zijn meerdere getuigen gehoord. A-41 10, heeft in die verhoren verklaard hoe de. contacten met [verdachte] in de beginperiode verliepen. De WOD begeleiders hebben daarover ook verklaringen afgèlegd. Het hof stelt op basis van de inhoud van hét dossier, waaronder die verklaringen van B-2820 en B-2821, vast dat het opsporingsonderzoek in de zaak daadwerkelijk is aangevangen nadat het proces-verbaal van verdenking was opgemaakt en de officier van justitie daarover een beslissing had genomen. De uitleg van de beide WOD- begeleiders van A-41 10 maakt duidelijk dat in de beginperiode tussen 9 januari 2018 (het eerste moment dat zij van A-41 10 vernamen dat ene [verdachte] en A 4110 een ontmoeting hadden gehad) en het moment dat het opsporingsonderzoek en evenmin daarvoor, geen instructie aan A-4110 is gegeven in de richting van [verdachte]. Helder is geworden dat er contact bestond tussen de WOD-begeleiding en A-4110 in die tijd, dat vond evenwel plaats in de af bouwfase van een eerdér onderzoek. De WOD-begeleiders hebben uitgelegd dat tegen A-4110 in die beginperiode voorafgaand aan de start van het opsporingsonderzoek niet anders is gezegd dat A-4110 in zijn contact met [verdachte], een bekende van A-4110, kon doen wat hij altijd doet en dat dat zijn eigen keuze was. Het hof acht dat navolgbaar.
Dit leidt ertoe dat het hof de verdediging niet volgt in haar verweer dat het politieonderzoek op een eerder moment is gestart, zonder dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld.
(…)
Uitlokking?
Het strafrechtelijk onderzoek start voor zover hier relevant met een eerste inzet van A-41 10 op 22 mei 2018 op basis van een overeenkomst tot burgerpseudokoop/- dienstverlening. Opdracht van A-4110 was een buitenlandse burger en/of opsporingsambtenaar te introduceren en deze te faciliteren in zijn contactén met verdachte [verdachte], Van die eerste inzet op 22 mei 2018 zijn door middel van door A-4110,meegedragen apparatuur OVC geluidsopnamen gemaakt.
(…)
Verdachte [verdachte] stelt — samengevat — door toedoen en onder druk van A-4110 het wilsbesluit te hebben genomen in zee te gaan met A-4110. Ten tijde van zijn zesde politieverhoor op 3 augustus 2018 stelt verdachte [verdachte] dat er sprake was van een dwingende én dreigende situatie vanuit A-4 10, dat hij (verdachte [verdachte]) voor hemzelf belastende uitspraken heeft gedaan en drugs heeft verkocht in die situatie omdat hij werd gepusht en meende het niet anders te kunnen doen.
(…)
Verdachte [verdachte] heeft namelijk over dat gesprek in de auto op 12 januari 2018 tijdens zijn zesde verhoor bij de politie verklaard dat het onderwerp drugs was en dat A-4110 geld wilde verdienen. A-4110 heeft over dat gesprek op 16 januari 2018 tegenover zijn WOD begeleiders verklaard dat verdachte [verdachte] — kort gezegd — had gezegd dat hij op zoek was naar een buitenlandse afnemer van drugs. Tijdens zijn verhoor op 22 februari 2018 verklaart A-41 10 daar óók aldus over. Tijdens de verhoren bij dé rechter-commissaris hééft A-4110 zijn verklaring herhaald en uitleg gegeven op vragen over de ontmoetingen met verdachte [verdachte] begin januari 2018. Desgevraagd zegt A-41 10 tijdens het verhoor van de rechter-commissaris: U houdt mij voor dat ik zeg (pag. 1264: het hóf begrijpt tijdens de eerste gearrangeerde (OVC) ontmoeting op 24 mei 2018) dat ik iemand had voor die snelle, maar dat ik eerder heb gezegd dat [verdachte] daarmee moet komen. U maakt er wat anders van. Er was afgesproken dat ik een klant voor hem zou zoeken, daarom zei ik dat ik iemand voor die snelle heb. Ja klopt, dit was dus een vervolg óp een eerdér gesprek. U vraagt mij wie de leiding had in die gesprekken. Wij samen, het moet bij hem weg kamen niet bij mij. Ik kan niet leveren, bij [verdachte] moeten de drugs weg komen: U vraagt mij of ik dé leiding had in de gesprekken, Nee dat denk ik niet. [verdachte] is mondig genoeg.
(…)
Het hof heeft de inhoud van de onderlinge communicatie nauwkeurig in ogenschouw genomen. Het hof duidt de rol van verdachte in de onderlinge communicatie veeleer als dominant en bepalend over wat er gaat gebeuren, wanneer en in de wijze waarop. Verdachte [verdachte] zijn aanvankelijke aarzeling te leveren is niet gelegen in het niet willen leveren van drugs, maar door omstandigheden tijdelijk niet kunnen leveren omdat zijn vaste toeleverancier van speed gevangen is genomen. Daarbij zegt verdachte in het eerste gesprek op 24 mei 2018 dat hij A-41 10 eerst nog één keer wil zien en vraagt daar bevestiging van, zegt daarbij ook dat hij zich wel even moet indekken en niemand wil passéren, en dat het leuk en top is dat A-41 1 O weer helemaal terug is en zegt lachend aan A-41 I0: Je muite weer wat verdiene hier of niet? Het hof kan in het verloop van dit gesprek op geen enkele manier het door verdachte beweerde pushen en dwingen van A-41 10 ontwaren. In zijn verhoren bij de rechter-commissaris heeft A-4110 ook uitleg gegeven over de wijze waarop het gesprek liep. Dié uitleg over de gebruikte woorden in hun onderlinge communicatie acht het hof navolgbaar. A-4110 heeft ook op overtuigende wijze uitleg gegeven dat hij niét in de positie was jegens verdachte [verdachte] dominant te zijn. Die uitleg van A-4110 wordt ook ondersteund door de inhoud van de onderlinge communicatie zoals die door middel van OVC is vastgelégd. Zoals hierboven overwogen was het verdachte [verdachte] die initiatief in het gesprek nam en bepaalde wat er gebeurde en hoe dat zou gaan.
(…)
In het gesprek waarin kennis werd gemaakt met A-4133 als beoogd afnemer van drugs bevestigt verdachte [verdachte] tegenover A-4133 dat hij op zoek is naar nieuwe klanten en vertélt [verdachte] over prijzen, kenmerken en beschikbaarheid van verschillende soorten drugs. Het hof heeft ook het verloop van de vervolgafspraken over het leveren van speed of cocaïne in ogenschouw genomen. Het hof stelt vast dat verdachte [verdachte] in die gesprekken telkens informatie verstrekt die erop duidt dat hij vaker handelt in drugs, goed bekend is mét de specifieke eigenschappen van speed, het bewaren daarvan of het verloop vanwege het seizoen in de vraag naar drugs en de schommeling in prijzen. Het hof stelt ook vast dat verdachte in één van de gesprekken vertelt in plaats van de gebruikelijke 10 kilo bij een vaste afnemer te kopen, naar een ander is gegaan voor één kilo speed.
Het hof stelt daarnaast vast dat de verklaring van verdachte [verdachte] dat A-4110 dwingend en dreigend in zijn richting was, geenszins is te herleiden uit de inhoud en het verloop van de onderlinge conversaties zoals die in tap — de OVC-gesprekken zijn vastgelegd. Het is verdachte [verdachte] die aangeeft hoe, waar en wanneer het moet gebeuren. Het is anders dan verdachte [verdachte] vertelt, niet A-4110, maar verdachte [verdachte] zelf die in hun gesprek op 14 juni 2018 begint over meegooien. Zijn stelling dat A-4110 niet gepasseerd wilde worden, wordt weersproken door de inhoud van het gesprek op 10 september 2018. Hij reageert op de suggestie van A-4110 dat verdachte [verdachte] rechtstreeks met de afnemer zaken zou kunnen doen, dat hij juist niet wil dat A-41 IQ er tussenuit gaat.
Conclusie van dit alles is dat het hof van oordeel is dat verdachte [verdachte] niet is uitgelokt tot het plegen van de hem verweten feiten.
Het hof is daarnaast van oordeel dat het hof voor wat betreft de aanloop in januari 2018 tot het eerste gesprek uit kan gaan van hetgeen A-4110 daarover heeft verklaard. Die verklaringen van A-4110 worden zoals hierboven weergegeven op relevante wijze ondersteund door het bovenomschreven versluierende taalgebruik in het telefoongesprek, het inhoudelijke verloop van de onderlinge gesprekken en ook andere onderdelen van het dossier, waaronder hetgeen verdachte [verdachte] met verdachte [medeverdachte 1] heeft besproken ten tijde van de eerste poging tot levering van drugs en andere door verdachte onderhouden contacten met de beoogd afnemer.
Het hof is derhalve met de rechtbank van oordeel dat verdachte [verdachte] niet is uitgelokt tot het begaan van de hem verweten feiten.
Het hof acht de afwegingen van de rechtbank op dit onderdeel juist. Het hof verenigt zich daarom ook met de hieronder cursief weergegeven overwegingen uit het vonnis van verdachte [verdachte].
‘Uit de hierna, onder het kopje ‘Bewijs’, genoemde bewijsmiddelen kan afgeleid worden dat verdachte reeds in januar i 2018 de wil had om opzettelijk harddrugs- buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Verdachte heeft deze wil nadien in de gesprekken met A-4110 en/ofA-4133 en/of verdachte in de periode van mei 201.8 tot en met oktober 2018 meermalen tot uitdrukking gebracht. Verdachte heeft in de aanloop naar het onder 1 ten laste gelegde feit bovendien op geen enkel moment aangegeven zich te willen distantiëren van handel in verdovende middelen. De bewijsmiddelen geven daarentegen blijk van een zekere gretigheid aan de zijde van verdachte om verdovende middelen te leveren en om zaken te doen op de langere termijn. Verdachte wilde, geld verdienen. Uit de bewijsmiddelen volgt eerder dat de wil van verdachte ten tijde van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten nog onverkort aanwezig was.
De bewijsmiddelen geven er eerder blijk van dat verdachte zich voor het eerste ‘contact met A-4110 ook al bezig hield met de (internationale) handel in harddrugs. Dit blijkt expliciet uit verdachte zijn eigen woorden, maar eveneens maar eveneens uit de volgende feiten en omstandigheden die indicatief zijn voor voornoemde vaststelling:
(…)
De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande een objectieve verdenking kan worden gedestilleerd dat verdachte zich reeds éérder bezighield, met criminele activiteiten op het gebied van de Opiumwet, en dat hij de predispositie had om soortgelijke strafbare feiten të plegen. De rechtbank acht het in het licht’ van de hiérvoor genoemde feiten en omstandigheden dan ook niet aannemelijk géworden dat A-4110 verdachte heeft gebracht tót andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht…
De rechtbank acht het daarnaast niet aannemelijk geworden dat A-4110 verdachte in de periode van 3 januari 2018 tot en met 4 september 2018 (tijdens niet-geverbaliseerde en niet-opgenomen contactmomenten)) door middel van bedreiging /intimidatie/dwang/(ontoelaatbare druk heeft bewogen tot het plegen van de strafbare féiten. Het procesdossier bevat onvoldoende (concrete en objectieve) aanknopingspunten voor (verificatie van) de juistheid van dit scenario.
De in dit verband door getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen over diens eigen ervaringen net A-4110 kunnen niet als dergelijke aanknopingspunten worden beschouwd. [getuige 1] heeft immers niet zelf waargenomen of ondervonden op welke wijze A-4110 zich tegenover verdachte heeft gedragen maar baseert zich slechts op zijn eigen ervaringen ('op een slinkse manier onder druk gezet). Die eigen ervaringen wenst hij kennelijk te extrapoleren richting de verhouding tussen A-4110 én verdachte. Dat levert echter niet neer op dan een gissing waaraan de rechtbank voorbij zal gaan. Daar komt nog bij dat voor de inhoud van [getuige 1] 's verklaringen geen enkele ondersteuning is te vinden in het dossier." (…)’
1.11
Uit het arrest en het verhandelde ter zitting volgt dat verdachte heeft aangevoerd door A-4110 te zijn uitgelokt en meermalen onder druk is gezet. Uit het arrest volgt dat sinds januari 2018 gesprekken hebben plaatsgevonden tussen verdachte en A-4110. Maandenlang, tot mei 2018 zijn de gesprekken niet opgenomen.
1.12
Art. 6 EVRM belet het gebruik van bewijs dat is verkregen door middel van undercoveroperaties niet. Wel is van belang dat de politie niet ‘aanzet’ tot het plegen van strafbare feiten.2. Om te onderzoeken of er sprake is geweest van uitlokking of entrapment heeft het EHRM een tweestappentoets ontwikkeld: een materiële (substantive) en formele (procedural) toets. Met name als het gaat om pseudokoop eist het EHRM dat de toepassing van deze methode moet worden gerechtvaardigd. Ook moet de pseudokoop verbonden zijn met een strikte autorisatieprocedure, welke moet worden gedocumenteerd op een wijze die het mogelijk maakt om het gedrag van de undercoveragent(en) achteraf aan controle te kunnen onderwerpen.3. Bij de formele toets zal het EHRM onderzoeken of, en zo ja hoe, de nationale rechter het verweer van de verdachte dat hij is uitgelokt heeft behandeld.4. Van de nationale rechter wordt verwacht dat hij nauwgezet onderzoek doet naar een entrapment-verweer, waarbij in ieder geval acht moet worden geslagen op de redenen voor de undercoveroperatie, de mate waarin de opsporingsautoriteiten betrokken waren bij het strafbare handelen en de aard van de uitlokking of druk die op de verdachte is uitgeoefend. Hierbij is van belang dat procedurele waarborgen aanwezig zijn zoals een recht op ondervraging van de undercoveragenten en andere getuigen die zouden kunnen verklaren over de gestelde uitlokking. Als de nationale rechter tot het oordeel komt dat inderdaad sprake is geweest van entrapment zal al het materiaal dat als gevolg hiervan is verkregen, moeten worden uitgesloten van het bewijs wil het proces in zijn geheel nog als eerlijk kunnen worden aangemerkt.5. Uit Akbay e.a. t. Duitsland kan worden afgeleid dat ook sprake kan zijn van ‘entrapment if he or she was not directly in contact with the police officers working undercover, but had been involved in the offence by an accomplice who had been directly incited to commit an offence by the police’. Vereist is dat ‘the acts of the police represented an inducement to commit the offence for this further person as well’. Het EHRM neemt daarbij in aanmerking ‘whether it was foreseeable for the police that the person directly incited to commit the offence was likely to contact other persons to participate in the offence, whether that person's activities were also determined by the conduct of the police officers and whether the persons involved were considered accomplices in the offence by the domestic courts’.6.
1.13
De Nederlandse wijze van controle en toezicht houden op de bevoegdheid tot het inzetten van de criminele burgerinfiltrant zoals in deze zaak is geschied schiet in het licht van de eisen die het EVRM te kort nu rechterlijke controle vooraf en tijdens de inzet niet althans onvoldoende is gewaarborgd.7. Het is bijvoorbeeld de officier van justitie (OvJ) die een centrale positie inneemt als het gaat om te bepalen of een undercoverbevoegdheid, onder voorwaarden, ingezet kan worden. Opsporingsambtenaren en burgers kunnen onder leiding van politie en justitie na een bevel van of overeenkomst met de OvJ een undercoverbevoegdheid uit oefenen. De R-C speelde/speelt, hier geen enkele rol in en houdt geen toezicht op de rechtmatigheid van deze beslissingen van de OvJ. De wetgever heeft voor de bevoegdheid tot infiltratie wel een extra waarborg willen inbouwen: bij de beslissing tot het inzetten van infiltratie heeft de OvJ toestemming nodig van het College van procureurs-generaal (het College) en dient hij voorafgaand daaraan advies te vragen bij de CTC. Op basis van het wetsvoorstel van 2017 ter modernisering van het huidige Wetboek van Sv werd voor de uitoefening van infiltratie door de wetgever een voorafgaande machtiging van de R-C opgenomen als extra toepassingscriterium.8. Deze keuze van de wetgever van 2017 berustte op het feit dat bij het inzetten van infiltratie meestal een ingrijpende inbreuk wordt gemaakt op grondrechten, zoals het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer voortkomend uit artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Zo gaat het bij het inzetten van deze bevoegdheid niet alleen om de persoonlijke levenssfeer van verdachten, maar ook om personen uit zijn directe omgeving zoals familie en vrienden. Waar de wetgever in 2017 nog duidelijk koos voor het extra toepassingscriterium waarbij infiltratie werd voorzien van een voorafgaande rechterlijke toets, wordt daar in de versie van 2020 geheel van afgestapt. De voorgaande toets van de R-C is in artikel 2.8.12 geheel verdwenen en het is wederom de OvJ die beslist over het inzetten van deze bevoegdheid. Waarom de wetgever van koers veranderde tussen 2017 en 2020 komt volgens Naber niet duidelijk naar voren in de memorie van toelichting (MvT).9. Het was/is de OvJ die leidinggeeft aan het opsporingsonderzoek met als doel om strafbare feiten op te sporen en tegelijkertijd de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht te nemen. Het is daarom volgens Naber voor te stellen dat het bewaken van de professionele afstand tot de zaak in het geding komt. Zeker in het geval van een zwaarwegend opsporingsbelang als een vastgelopen cold case waar met behulp van een undercoverinzet mogelijk nieuwe informatie verkregen kan worden, terwijl aan de andere kant een wezenlijke en ingrijpende inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Naber vraagt zich af of de toestemming van het College, mede gebaseerd op het advies van de CTC, een voldoende waarborg is. Zeker in het licht van een mogelijk langdurige en ingrijpende inbreuk op het leven van de verdachte, zijn directe omgeving en de undercoveragenten. Het College is onderdeel van het OM en de CTC bestaat uit leden van de politie en het OM zelf. Vanuit die gedachte kan men zich afvragen of deze samenstelling ten goede komt aan een echt objectieve beoordeling van een rechtmatige inzet van de bevoegdheid tot het (opsporings)belang, waardoor het geheel veel weg kan hebben van een slager die zijn eigen vlees keurt. De kracht van de CTC zou juist gelegen moeten zijn in deskundigheid met het oog op de belangen van en de gevaren voor de betreffende infiltranten en meer in het algemeen het afbreukrisico. Maar uit het rapport van de Commissie Bouwer blijkt volgens Naber dat er terughoudendheid bestaat in de informatieverstrekking van undercoveragenten aan gezagsdragers en vervolgens aan de CTC. Zonder een gedegen aanvoer van informatie kan er dan ook geen objectief betrouwbaar advies worden gegeven aan het College.
1.14
Nu het onderzoek jegens verdachte [verdachte] door middel van een proces-verbaal een overeenkomst/burgerpseudokoop/dienstverlening met A-4110 pas op 15 mei 2018 is aangevraagd; pas op 3 juli 2018 is een proces-verbaal van aanvraag is opgemaakt voor een bevel stelselmatige informatie-inwinning door burger A-4110; pas op 27 februari 2019 in een proces-verbaal aan de officier van justitie is verzocht om een overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie af te sluiten met A-4110, contra een aantal verdachten, waaronder verdachte; de verdachte heeft aangevoerd dat hij reeds vanaf januari 2018 door A-4110 is uitgelokt en onder druk is gezet strafbare feiten te plegen en dat A-4110 door de politie op hem is afgestuurd; de criminele burgerinfiltrant een financieel belang had bij het uitlokken van verdachte strafbare feiten te plegen; verdachte beargumenteerd heeft aangevoerd dat A-4110 zelf actief getracht heeft met verdachte in contact te treden; de gesprekken tussen verdachte en A-4110 in die bewuste periode (voor mei 2018) niet zijn opgenomen terwijl een nauwkeurige verslaglegging, bij voorkeur door middel van technische hulpmiddelen juist bij ingrijpende opsporingsmethoden als criminele burgerinfiltratie/pseudokoop essentieel is10., is het uit het arrest blijkende oordeel van het hof dat voldaan is aan de uit art. 6 EVRM voortvloeiende eisen ook zonder dat sprake is geweest van een rechterlijke controle vooraf en tijdens de inzet dan ook onjuist althans onbegrijpelijk. Dit geldt ook voor de fase voorafgaande aan de datum waarop formeel pas toestemming is gevraagd en verleend A-4110 als criminele burgerinfiltrant in te zetten, dus ook in de voorafgaande en in de periode waarin A-4110 handelingen heeft verricht op basis van het bevel ‘pseudokoop/dienst verlening’. De omstandigheid dat verdachte formeel pas in april 2018 als verdachte zou zijn aangemerkt doet daar niet aan af nu vastgesteld is dat de criminele burgerinfiltrant reeds in januari 2018 gesprekken met verdachte heeft gevoerd over mogelijke criminele activiteiten en dat ook direct met de politie heeft gedeeld. Dit klemt te meer nu het hof ook heeft vastgesteld dat er in ieder geval sprake is geweest van vormverzuimen door de niet tijdige consultering van het College en de aan de Minister gevraagde toestemming waardoor de belangrijke waarborg uit de door het hof genoemde motie Recourt ook nog danig is uitgehold.11. Het arrest kan ook om deze reden niet in stand blijven.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 45 Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel omdat het oordeel van het hof, dat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde (verkort zakelijk weergegeven: medeplegen van poging tot uitvoer van cocaïne) sprake is geweest van een voor poging tot uitvoer van verdovende middelen vereist begin van uitvoering onjuist althans onbegrijpelijk is nu uit het verhandelde ter terechtzitting en het arrest volgt dat de cocaïne niet door verdachte en zijn medepleger daadwerkelijk aan de pseudokoper is verstrekt en zij niet eens in het bezit is geweest van de hoeveelheid cocaïne die mogelijk door de afnemer zou kunnen worden afgenomen. Het arrest/bewezenverklaring kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting
2.1
Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:
- ‘1.
ZD-01
hij op of omstreeks 4 september 2018 in [a-plaats] en/of [b-plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer een kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tezamen en in vereniging met die mededader(s),
- —
— naar het [A] hotel in [a-plaats] is gereden en/of
- —
naar [b-plaats] is gereden (in de buurt van [B]) en/of
- —
met één of meer personen contact heeft gezocht/gehad om een kilo cocaïne aan te schaffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;’
2.2
Namens de verdachte heeft mr. A.A. Boersma, advocaat te Amsterdam, het woord gevoerd aan de hand van zijn pleitnota. Deze houdt in, voor zover hier van belang:
‘Feit 1: poging uitvoer van ongeveer één kilo gram cocaïne (zaaksdossier)
3.1.
Onder het eerste feitis cliënt tenlastegelegd het medeplegen van een poging tot uitvoer van ongeveer één kilogram cocaïne, hetgeen is verfeitelijkt door drie gedachtestreepjes, te weten:
- —
naar [A] Hotel [a-plaats] is gereden en/of;
- —
naar [b-plaats] is gereden en/of;
- —
met één of meer personen contact heeft gezocht/gehad om één kilogram cocaïne aan te schaffen.
3.2.
In eerste aanleg is het verweer gevoerd dat geen sprake kan zijn van poging uitvoer van cocaïne. Belangrijk om te benadrukken is dat het hier gaan om uitvoer (2A OW) en niet om vervoeren (2B OW), aanwezig hebben (2C OW) of vervaardigen (2D OW). Voor een poging is vereist dat een verdachte gedragingen heeft verricht die zijn aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf.127 De vraag of een concrete gedraging als uitvoeringshandeling kan worden beschouwd, en daarmee dus als een 47 begin van uitvoering, hangt af van het betreffende delict en de omstandigheden van het geval.
3.3.
Kort en goed zal cliënt dus een begin van uitvoering moeten hebben gemaakt ter zake de tenlastegelegde uitvoer. Voordat we de vraag kunnen beantwoorden in hoeverre zijn gedragingen als zodanig zijn aan te merken, zal eerst duidelijk moeten zijn wat uitvoer inhoudt volgens de Wet. Van uitvoer is volgens 2A ow sprake wanneer de verdovende middelen buiten het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Volgens artikel 1 lid 5 OW jo. 2A ow kan ook sprake zijn van verlengede uitvoer. Daarvan is onder meer sprake in de gevallen dat de voorwerpen of goederen, waarin die middelen zijn verpakt of verborgen en het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer worden aangenomen of ten vervoer worden aangeboden. Om tot een begin van uitvoering te kunnen komen, zullen de gedragingen van cliënt hier feitelijk een bijdrage aan moeten hebben geleverd.
3.4.
De gedragingen van cliënt zullen dus betrekking moeten hebben gehad op het voorgenomen misdrijf van uitvoer.
3.5.
Waar het dossier feiteLijk op neerkomt, is dat cliënt naar [b-plaats] is gereden en daar zou hebben gepoogd om ongeveer één kilogram cocaïne aan te schaffen. Zelf ontkent hij dit; de reis naar [b-plaats] was enkel om de schijn op te houden, zodat het leek alsof hij dienstig was aan A-4110 teneinde — zoals al naar voren is gebracht — A-4110 van zich af te krijgen, want ‘nee’ zeggen was voor cliënt geen optie. Maar stel, stel dat het anders was geweest, dan alsnog kan geen bewezenverklaring volgen.
3.6.
Het proberen te regelen van de cocaïne door cliënt was namelijk de enige rol die uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Hij was niet betrokken bij het verdere vervoer, niet betrokken bij de wijze van vervoer, niet betrokken bij het regelen van dat vervoer, niet betrokken bij de eventuele verpakking, niet betrokken bij het regelen van de douane inklaringen, het opstellen van benodigde documenten, en verzin het maar verder. Dit volgt niet alleen uit het dossier, de verfeitelijking in de tenlastelegging maar ook uit hetgeen het Openbaar Ministerie over zijn gedragingen heeft aangegeven bij requisitoir.
3.7.
Met zijn gedragingen heeft cliënt geen enkel bestanddeel van de tenlastegelegde uitvoer vervuld. Dat is volgens de jurisprudentie geen vereiste, maar wat ter zake uw beoordeling wel meespeelt is de vraag hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht.128
3.8.
De gedragingen van cliënt staan staat in een te ver verwijderd verband van de uitvoer. De Rechtbank zegt het eigenlijk zelf in het begin van haar overwegingen: ‘Uit deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte en [medeverdachte 1] voornemens waren om tezamen en in vereniging een kilo cocaïne aan te schaffen in [b-plaats].’ Een begin van uitvoering van het niet tenlastegelegde aanschaffen, kan niet gelijk worden gesteld met een begin van uitvoering van de tenlastegelegde uitvoer. Ook niet indien het daarna de bedoeling zou zijn geweest om de cocaïne ten vervoer aan te bieden aan A-4133.
3.9.
Kort en goed is de vraag zuiver juridisch: kan een poging aanschaffen van cocaïne in dit geval worden aangemerkt als een poging uitvoer? Het antwoord daarop is nee.
3.10
De Hoge Raad heeft in 2020 een relevant arrest gewezen over poging in relatie tot de Opiumwet. Dat arrest ging over invoer. Het Hof had overwogen dat verdachten hadden onderhandeld over de prijs en hoeveelheid, dat zij contacten hadden onderhouden met mogelijke afnemers in Nederland, dat er ontmoetingen waren geweest in het kader van de invoer en dat de cocaïne al op zee dreef om naar Nederland te worden vervoerd. Nogmaals: de cocaïne al op zee dreef om naar Nederland te worden vervoerd.
Volgens de Hoge Raad was echter geen sprake van een poging, onder meer omdat de kredietwaardigheid van de afnemers nog moest worden vastgesteld. Omdat dit nog niet had plaatsgehad, was dus nog geen begin van uitvoering van een poging invoer.
Vergelijk dat met de zaak van cliënt, waarin nog niets eens verdovende middelen waren geregeld.
3.11.
Het arrest üit 2020 staat niet op zichzelf. In 2023 heeft de Hoge Raad een vergelijkbaar arrest.gewezen.130 Ook hier ging het om invoer. In die zaak had het Hof overwogen dat de cocaïne in een vrachtwagen in de Dominicaanse Republiek was onderschept, dat die onderschepte cocaïne bestemd was voor het samenwerkingsverband van de verdachten, dat de verdachten aldaar contacten hadden gelegd en onderhouden ten behoeve van de leveringvan de cocaïne, dat een deklading was besteld bij een bedrijf 49 dat onder de invloedsfeer van het samenwerkingsverband viel, dat de deklading al was betaald en als kers op de taart de deklading ook nog eens klaarstond in de haven van Caucedo.
Ook hier heeft de Hoge Raad gecasseerd, omdat ‘van de door het Hof bewezenverkjaarde gedragingen niet kan worden gezegd dat deze zodanig dicht in tijd en plaats bij de voltooiing van dé invoer in Nederland van cocaïne lagen en al zodanig concreet daarop waren gericht dat sprake is van een begin van uitvoering van dat misdrijf.’
3.12.
Voorzitter, leden van het Hof, als we ook dit.arrest vergelijken met de gedragingen van cliënt dan is simpelweg geen sprake van uitvoer. De gedragingen van cliënt, die er in de kern op neerkomen dat hij heeft gepoogd cocaïne aan te schaffen, staan in een te ver verwijderd verband van uitvoer.
3.13.
De Rechtbank heeft waarde gehecht aan het samenstel van de gedragingen van onder andere cliënt, hetgeen zich naar de uiterlijke verschijningsvorm concreet en mrechtstreeks gericht was op een prompte voltooiingvan het voorgenomen misdrijf van uitvoer. Nu is de uiterlijke verschijningsvorm altijd een wat vaag, en overigens makkelijk in te vullen begrip, maar hier kan ik het niet volgen. De Rechtbank overweegt onder meer dat het geldbedrag beschikbaar was, zodat de levering prompt verwezenlijkt kon worden. Levering inderdaad, maar levering wil niet automatisch zeggen uitvoer. Met name niet, nu cliënt geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij het uiteindelijk daadwerkelijk verdere vervoer.
3.14.
En waar ligt dan precies de grens van poging invoer/uitvoer? Maakt een XTC-producent zich bijvoorbeeld schuldig aan (verlengde) uitvoer? Immers is een feit van algemene bekendheid dat het gros van de geproduceerde XTC-pillen de landsgrenzen over gaat, zodat voorwaardelijk opzet door de producent op de uitvoer al snel zou kunnen worden aangenomen. En omgekeerd: maakt een rondrijdende straatdealer zich schuldig aan (verlengde) invoer? Het is immers een feit van algemene bekendheid dat cocaïne niet uit Nederland komt, en dus wordt ingevoerd.
3.15.
Voorzitter, leden van het Hof, kortom: de gedragingen van cliënt kunnen niet worden gekwalificeerd als een begin van uitvoering van het tenlastegelegde misdrijf uitvoer. Derhalve wil ik uw Hof verzoeken cliënt vrij te spreken van het aan hem tenlastegelegde.’
2.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘1.
(zaaksdossier 1)
hij omstreeks 4 september 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, één kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, tezamen en in vereniging met die mededader,
- —
naar het [A] hotel in [a-plaats] is gereden en
- —
naar [b-plaats] is gereden (in de buurt van [B]) en
- —
met een persoon contact heeft gehad om een kilo cocaïne aan te schaffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;’
2.4
In het arrest heeft het hof daartoe (voor zover in dit kader relevant) overwogen/geoordeeld:
‘3. Zaaksdossiers en bewijs
Zaaksdossier 1 — poging aanschaf en uitvoer kilo cocaïne op 4 september 2018
(…)
De eerste ontmoeting met de buitenlandse afnemer (‘de ler’ A-4133)
A-4133 betreft de zogenaamde afnemer van verdovende middelen die ‘de ler’ wordt genoemd.200 A-4133 is een voormalig politie-infiltrant uit het Verenigd Koninkrijk die in 2017 meteervol ontslag is gegaan.201 Op 5 juli 201;8 krijgt A-4133 de opdracht om samen met A-4110, [verdachte] te ontmoeten in [f-plaats] en tijdens die ontmoeting informatie in te winnen over de drugshandel van [verdachte]. Daarnaast krijgt A-4133 de opdracht om informatie in te winnen over een testaankoop van maximaal een kilo cocaïne bij [verdachte].202 Diezelfde dag stuurt A-4110 [verdachte] een sms mét het verzoek om hem te ontmoeten in [f-plaats]. A-4133 en A-41 1O rijden vervolgens haar [f-plaats].203 Bij Hajé chauffeurscafé in de buurt van [f-plaats] (het hof begrijpt: Hajé [b-straat] [f-plaats]) vindt tussen A-4133, A-4110 en [verdachte] een ontmoeting plaats.204
(…)
A-4133 is verhoord over de ontmoeting.228 A-4133 verklaart dat [verdachte] geen zaken wil bespreken in het café of op het terras. [verdachte] is bang omdat de locatie van de ontmoeting via sms gestuurd is. Het gesprek vindt daarom buiten plaats. [verdachte] geeft aan dat hij opzoek is naar niéuwe klanten. Hij kan speed, cocaïne en xtc leveren. Voor een bedrag van € 28.000,00 kan [verdachte] één kilogram cocaïne leveren. Hij betaalt daar € 26.000,00 voor. De cocaïne is van hoge kwaliteit. Het formaat van cocaïne is afhankelijk van de wijze waarop de cocaïne het land is binnengekomen.
De prijs van één kilogram speed is € 1.000,00. De inkoop kost € 800,00. De belangrijkste speedleverancier van [verdachte] is gearresteerd in Duitsland. [verdachte] kan echter nog steeds leveren. Het tijdsbestek waarin hij kan leveren varieert van een paar uur tot een paar dagen.
A-4133 is mogelijk geïnteresseerd in de aankoop van één kilogram cocaïne als proefmonster. [verdachte] geeft aan dat dit mogelijk is. Ze spreken een prijs af van € 28.000,00.229 A-4 133 geeft aan dat hij de ontmoeting met zijn partners gaat bespreken én dat hij eind juli of begin augustus weer contact opneemt met A-4110 om nog een ontmoeting met [verdachte] te plannen., [verdachte] vindt dit goed.230 Tijdens het gesprek over de voorgestelde deal loopt een burger voorbij. [verdachte] begint op dat moment over auto's te praten om te verbergen wat er besproken wordt.231
A-4110 is verhoord over de ontmoeting.232 A-4110 verklaart dat [verdachte] zaken wil doen op de langere termijn. [verdachte] geeft aan dat de kwaliteit van cocaïne 9,1 is. A-4110 verklaart dat [verdachte] hiermee bedoelt dat het om 91% pure cocaïne gaat. De kwaliteit van de cocaïne is afhankelijk van hoe het binnen wordt gehaald. Via slikken of via olie. Als het via olie gaat dan moet de kok de cocaïne eruit halen.233 (…)
De aanloop naar de pseudokoop van één kilogram cocaïne
Op 31 juli 2018 krijgt A-4110 de opdracht om langs te gaan bij [verdachte] en tegen hem te zeggen dat de leren geïnteresseerd zijn en langs willen komen voor de aankoop van cocaïne. Daarbij krijgt A-41 10 de opdracht om aan [verdachte] te vragen wanneer hij beschikbaar is voor een afspraak met de ler.246 Diezelfde dag bezoekt A-4110 de woning van [verdachte].247 Het gesprek dat plaatsvindt is, opgenomen met een technisch hulpmiddel.248 De opname van dit gesprek is uitgewerkt.249
(…)
A-41 10 is verhoord óver de ontmoeting.255 A-41 10 verklaart dat hij tegen [verdachte] heeft gezegd dat de leren veel belangstelling hebben. De leren komen in september langs.
[verdachte] vraagt of de leren ook belangstelling hebben in speed. Hij noemt een prijs van € 700,00 per kilo.256
Op 30 augustus 2018 krijgt A-4110 de opdracht om contact op te nemen met [verdachte] en tegen hem te zeggen dat de ler op 4 september 2018 in de omgeving van [a-plaats] wil afspreken om met [verdachte] zaken te doen.257 [verdachte] en A-4110 spreken af dat ze de ler gaan ontmoeten op 4 september 2018 om 19.00 uur bij Hotel [A] in [a-plaats].258
De bestelling van één kilogram cocaïne door A-4133 bij [verdachte]
Op 4 september 2018 krijgt A-4133 de opdracht om samen met A-4110 [verdachte] te ontmoeten in Hotel [A] te [a-plaats]. Daarbij krijgt A-4133 de opdracht om maximaal één kilo cocaïne te kopen van [verdachte] voor een bedrag van maximaal € 30.000,00.259 Diezelfde dag, omstreeks 19.00 uur, vindt in het [A] Hotel [a-plaats] een ontmoeting plaats tussen A-4110, A-4133 en en [verdachte].260 Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met een technisch hulpmiddel.261 De opname van dit gesprek is uitgewerkt.262 Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
(…)
A-4133: Je moet het bij iemand anders halen.
[verdachte]: Dit is de prijs die hij ook moet betalen. Dus ik moet aan hem denken.
(…)
[verdachte]: Ik kan de dingen op dit moment niet in mijn eigen gebied krijgen. Ik moet daarvoor naar de omgeving van Schiphol (het hof begrijpt: in [b-plaats]). Ik moet het daar vandaan halen. Ik ken de mensen hoor. Het is goed.266
(…)
A-4133: Maar voor mij zou vanavond veel … Ik heb andere dingen die ik morgen moet doen. Mijn mannetje wacht ook tot hij iets van mij hoort. Ik neem dit niet mee terug naar huis. Iemand anders neemt het voor me mee.
(…)
A-4133 verklaart over dit deel van de ontmoeting dat hij aan heeft gegeven dat hij één kilogram cocaïne van [verdachte] wil kopen. [verdachte] geeft aan dat dit mogelijk is, maar dat de prijs is gestegen. [verdachte] en A-41 10 spreken als prijs af een bedrag van € 30.000,00. Van dit bedrag krijgt A-4110 van zowel A-4133 als [verdachte] € 500,00 voor hét introduceren.
A-4133 geeft aan dat hij de aankoop bij voorkeur vanavond afrondt.270 [verdachte] kan de kilogram cocaïne niet van zijn gebruikelijke lokale leveranciers krijgen omdat er niets beschikbaar is. Hij moét de cocaïne daarom in de huurt van Schiphol (het hof begrijpt: [b-plaats]) halen. A-4133 heeft het geld bij zich. [verdachte] en A-41 33 spreken af dat [verdachte] met een vriend het een en ander gaat bespreken en dat hij probeert om de cocaïne geleverd te krijgen. A-41 10 en A-4133 wachten in de lobby tot [verdachte] terugkomt.271
Omstreeks 19,29 uur verlaat [verdachte] het hotel en stapt hij in een Volkswagen Polo.272 Deze Volkswagen is voorzien van kenteken [kenteken].273 Om 19.30 uur vertrekt de Volkswagen vanaf het adres [c-straat 01] te [postcode] [a-plaats].274 Op dit adres is het [A] Hotel gevestigd.273 Tussen 19.30 uur en 19.45 uur rijdt de Volkswagen vanaf het [A] Hotel naar [g-plaats].276
(…)
De mislukte levering van één kilo cocaïne in [b-plaats] (…)
A-4133 verklaart over dit deel van de ontmoeting tussen [verdachte], A-4133 en A-41 10 bij het [B]. [verdachte] geeft aan dat hij niet blij is met de kwaliteit van de eerste kilogram en dat hij nu wacht op een tweede. Hij geeft aan dat het niet om een brok gaat, maar om meerdere kleine pakketten, [verdachte] gebaart naar de hak van zijn schoen. A-4133 begrijpt dat [verdachte] daarmee bedoelt aan te geven dat het in kleinere pakketjes was gesmokkeld. [verdachte] gaat naar de persoon in de buurt om te bevestigen hóe lang het zal duren. [verdachte] en A-4110 spreken met elkaar af bij de McDonalds in de buurt zodra [verdachte] meer weet.350
(…)
A-4110 verklaart over dit deel van de ontmoeting dat [verdachte] aangaf dat het te lang zou duren voordat de coke er was.363 A-41 10 verklaart dat [verdachte] wel wilde leveren, maar dat hij het in zo'n korte tijd niet waar kon maken. [verdachte] biedt A-4133 nog aan om de kilo overdag te leveren. A-4 133 geeft aan dat hij daar geen tijd voor heeft.364
(…)
A-4133 verklaart tegenover zijn begeleiders dat tijdens de ontmoeting werd gesproken over de mislukte levering van de één kilogram cocaïne. [verdachte] geeft aan dat het makkelijker voor hem is als hij meer tijd krijgt. Tijdens het gesprek verwijst [verdachte] naar illegale drugs als auto-onderdelen vanwege de aanwezigheid van andere klanten in het restaurant.386
(…)
3. Overweging met betrekking tot het bewijs
Feit 1
(…)
Uit de rechtspraak van dé Hoge Raad volgt dat voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Bij de vraag of sprake is van zulke gedragingen, komt het aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers, De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.875
(…)
Het hof kan zich grotendeels met de bewijsoverwegingen van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overwegingen hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet nu ‘hof worden gelezen.
‘Uit deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte en [medeverdachte 1] voornemens waren om tezamen en in vereniging een kilo cocaïne aan te schaffen in [b-plaats]. Tussen [medeverdachte 1] en verdachte is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het gezamenlijk uitvoeren van het gezamenlijk plan óm voornoemd misdrijf te voltooien. Uit het samenstel van gedragingen van [medeverdachte 1] en verdachte valt af te leiden dat zij samen al in vergaande mate feitelijk uitvoering hadden gegeven aan dit plan en dat de verwerkelijking van dit misdrijf bovendien nabij was, zowel in tijd als in plaats- De cocaïne was beschikbaar en A-4133 bevond zich, reeds, op aanwijzen van verdachte, in de nabije omgeving van [medeverdachte 1] en verdachte (en de beschikbare cocaïne) met het geldbedrag dat aan verdachte betaald zou moeten worden bij de levering, zodat de levering prompt verwerkelijkt kon worden. De kwaliteit van de cocaïne bleek echter niet goed te zijn, waardoor dé beschikbare cocaïne niet aan A-4133 geleverd werd. Vervolgens hebben [medeverdachte 1] en verdachte nog een poging gedaan om via een andere leverancier, diezelfde nacht, dan wel de volgende dag, een kilo cocaïne geleverd te krijgen voor A-4133. Dit is echter niet doorgegaan omdat de cocaïne van de tweede leverancier niet binnen afzienbare tijd (diezelfde nacht) beschikbaar zou zijn, en omdat A-4133 de volgende dag verhinderd was om de cocaïne op te halen. Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat het samenstel van de gedragingen van [medeverdachte 1] en verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm concreet en rechtstreeks gericht was op een prompte voltooiing van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk één kilo cocaïne met bestemming naar het buitenland ten vervoer aan te bieden. Hét samenstel van deze gedragingen kan daarmee worden beschouwd als een begin van uitvoering van dit voorgenomen misdrijf en levert dus een strafbare poging op.876 De omstandigheid dat de cocaïne nog niet was aangekocht door [medeverdachte 1] en verdachte doet hier niets aan af. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging om opzettelijk buiten het grondgebied van brengen Van één kilo cocaïne. Het ten laste gelegde medeplegen bestond in de kern uit een gezamenlijke uitvoering van het feit.’
2.5
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
‘medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod’
2.6
Het aanwezig hebben van cocaïne wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaren; het verkopen/afleveren/verstrekken met een gevangenisstraf van 8 jaren. Het buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne is strafbaar gesteld in art. 10 lid 5 Opiumwet en wordt daarin bedreigd met een straf van ten hoogste 12 jaar. Ingeval van poging (art. 45 Sr) wordt de straf verminderd met een derde verminderd. Dat is nog steeds aanzienlijk meer dan hetgeen in art. 10a Opiumwet strafbaar is gesteld, te weten het plegen van voorbereidingshandelingen gericht op (onder meer) het buiten het grondgebied van Nederland brengen van stoffen zoals cocaïne, dat met een gevangenissstraf wordt bedreigd van ten hoogste 6 jaren.
2.7
Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf.12. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven.13. Een belangrijke beoordelingsfactor is daarbij hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen,
met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.14.. Machielse & Ter Haar zien die beperking ook terug in de rechtspraak van de Hoge Raad. Specifiek wanneer het gaat om die invoer van verdovende middelen is het de auteurs echter nog niet geheel duidelijk of voor een begin van uitvoering is vereist dat men al is begonnen met het vervoeren van de drugs of dat reeds voldoende is de mogelijkheid tot het prompt kunnen vervoeren van de drugs, al lijkt de rechtspraak van de Hoge Raad volgens hen te wijzen in de richting van dat laatste. De vraag echter of de gedragingen qua tijd en plaats wel voldoende dicht bij de voltooiing van de invoer in Nederland liggen, zou volgens Machielse & Ter Haar bij dit type delict in die zin een minder belangrijke rol moeten spelen, omdat een concreet op invoer gerichte gedraging een begin van uitvoering op zou moeten leveren wanneer er geen obstakels of bijzonderheden meer zijn die nog aan het over de landsgrens brengen van de drugs in de weg kunnen staan.15.
2.8
Het begin van uitvoering staat niet op zichzelf maar heeft altijd betrekking op een bepaald misdrijf waarmee een begin is gemaakt. De gedragingen van de verdachte moeten immers in voldoende concrete mate zijn gericht op de voltooiing van dat specifieke misdrijf. Het begin van uitvoering wordt dus nader ingekleurd door de karakteristieken van de delictsomschrijving van het specifieke misdrijf dat de verdachte heeft gepoogd te begaan.16. Dezelfde gedragingen kunnen voor het ene delict reeds een begin van uitvoering zijn, terwijl een ander voorgenomen misdrijf daarmee nog géén aanvang heeft genomen. Zo kan het met een geprepareerde auto naar het buitenland rijden om daar een partij drugs op te halen en die naar Nederland te vervoeren wellicht een poging tot het aanwezig hebben van die drugs opleveren, terwijl de gedragingen tot het binnen Nederlands grondgebied brengen van die drugs nog in een te ver verwijderd verband staan om reeds van een poging tot invoer te kunnen spreken.17. Ook het leggen van contacten en onderhouden om de cocaïne geleverd te krijgen, het voor de bestelling van de deklading een firma regelen, het bestellen en betalen van de deklading en het regelen dat die deklading klaarstond in de haven en het in het buitenland vervoeren van een hoeveelheid verdovende middelen naar een haven met als doel deze daar door middel van een boot naar Nederland te vervoeren maar waarbij de partij al eerder door de Dominicaanse autoriteiten was onderschept was onvoldoende om een ‘begin van uitvoering’ van het binnen Nederland brengen van die partij aan te kunnen nemen.18.
2.9
Blijkens de parlementaire geschiedenis is art. 10a Opiumwet in 1985 toegevoegd aan de Opiumwet, zodat bepaalde handelingen in de voorfase van (c.q. die een bevordering beogen van) de handel in verdovende middelen met onaanvaardbaar risico niet langer straffeloos zouden blijven. Naast het articuleren van de strafwaardigheid van dergelijk gevaarzettend handelen werd tevens de mogelijkheid gerealiseerd om in een eerder stadium dan wanneer het
delict reeds is voltooid of een poging daartoe wordt gedaan, strafrechtelijk in te grijpen,19. alsmede om strafrechtelijk op te treden tegen hen die anders ‘achter de schermen’ zouden blijven.20. Het eerste lid van artikel 10a Opiumwet betreft daarmee een zelfstandige strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven, bedoeld in artikel 10 leden 4 en 5 Opiumwet. Blijkens de parlementaire geschiedenis moet volgens de minister onder ‘voorbereidingshandelingen’ worden verstaan ‘elke gedraging die wordt bedoeld te dienen ter voorbereiding van een strafbaar feit zonder dat die gedraging reeds een begin van uitvoering van het feit oplevert (anders zou er, althans bij misdrijven, sprake zijn van strafbare poging)’.21. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet eenduidig wat onder ‘bevorderingshandelingen’ moet worden verstaan.22. Volgens vaste jurisprudentie is voor verwezenlijking van hetgeen in artikel 10a Opiumwet strafbaar is gesteld niet vereist dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze dienen. Indien de voorbereidingshandelingen wel gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, ontneemt het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbaar karakter. Dat geldt ook als met die voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt, nadat die verhinderde omstandigheid zich heeft voorgedaan.23.
2.10
Uit het verhandelde ter terechtzitting en het arrest volgt dat de cocaïne niet door verdachte en zijn medepleger daadwerkelijk aan de pseudokoper is verstrekt. Uit het verhandelde ter terechtzitting en het arrest volgt dat verdachte niet eens in het bezit is geweest van de hoeveelheid cocaïne die mogelijk door de afnemer zou kunnen worden afgenomen. In feite is ten hoogste sprake geweest van een poging van verdachte tot aankoop van drugs, derhalve een poging tot het aanwezig hebben van cocaïne. Dat verdachte bepaalde gedragingen heeft verricht en bijvoorbeeld gesprekken heeft gevoerd gericht op de aanschaf van cocaïne levert in feite typische voorbereidingshandelingen op zodat ook hierom geen poging kan worden aangenomen.24. Het voorgaande klemt temeer nu zonder het voorhanden hebben van de volgens de tenlastelegging tot uitvoer bestemde cocaïne niet gezegd kan worden dat er geen
obstakels of bijzonderheden meer waren die nog aan het over de landsgrens brengen van de drugs in de weg hadden kunnen staan waardoor niet of niet zonder meer gezegd kan worden dat de gedragingen van verdachte en medeverdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf gericht waren.
2.11
Gelet op het bovenstaande is het oordeel van het hof, dat sprake is geweest van een voor poging tot uitvoer van verdovende middelen vereist begin van uitvoering dan ook onjuist althans onbegrijpelijk.
2.12
Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat in het door de rechtbank aangehaalde arrest van de Hoge Raad25. niet afdoet aan het bovenstaande omdat uit dat arrest (en dus juist anders dan in deze zaak) volgt dat niet alleen degenen die de verdovende middelen zouden afnemen maar ook de personen die de beschikking hadden over de heroïne, eveneens op de afgesproken locatie van de beoogde levering aanwezig waren en de voltooiing op het moment van verhindering (aanhouding door politie) waarschijnlijk was.
2.13
Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 23 januari 2025
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
A.A. Boersma
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑01‑2025
Het arrest is vanwege het tegen dat arrest ingesteld cassatieberoep opgenomen in het cassatiedossier S 24/02861 P. Daaruit blijkt dat A-4110 meer dan € 3000,00 heeft ontvangen.
Zie onder meer EHRM 26 oktober 2006, nr. 59696/00 (Khudobin t. Rusland), rov. 128 waar wordt verwezen naar EHRM 9 juni 1998, nr 44/1997/828/1034 (Teixeira de Castro t. Portugal), rov. 36.
Randnummer 3.27 CAG Spronken 6 febuari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:122. Zie voorts CAG Van Wees 3 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1284.
Randnummer 3.28 CAG Spronken 6 febuari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:122.
Zie de vorige noot.
CAG Van Keulen voorafgaand aan HR 11 juni 2024, NJ 2024/288, m.nt. A.J. Machielse, randnummer 15 onder verwijzing naar EHRM 15 oktober 2020, nr. 40495/15 e.a. (Akbay e.a. tegen Duitsland), par. 117. Het EHRM verwijst daarbij naar EHRM 1 maart 2011, nr. 13109/04 (Lalas t. Litouwen).
Zie in dit verband S.F. Naber, De criminele burgerinfiltrant in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit; een wolf in schaapskleren?, NTS 2023/19. Zie voorts S. Eijsbouts, De criminele burgerinfiltrant, 2021, pag. 38 en de ‘position-paper die door de Raad voor de Rechtspraak aan de TK is aangeboden, zie NJB 11 december 2023, Nadenken over rol rechter-commissaris bij criminele burgerinfiltrant.
Zie hiervoor S. Naber, Controle op de bevoegdheid tot infiltratie en het modermiseringstraject van het Wetboek van Strafvordering, NJB 2022, 358.
Aldus Naber, zie noot 7.
M. Lochs, ‘Over kroongetuigen, criminele burgerinfiltranten en Mr. Big, Het blijvende belang van waarborgen in de strijd tegen de georganiseerde misdaad’, Ars Aequi 2021/4, pag. 467.
Zie Groothoff, B. (2023). De terugkeer van de criminele burgerinfiltrant in de rechtspraak: Een analyse van de regelgeving omtrent criminele burgerinfiltratie aan de hand van de Vidar-zaak. Delikt en Delinkwent, 2023(1), 51- 65. Artikel 2023/6, pag. 63.
HR 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373.
Zie ook HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479 en HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:814.
Vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388 en HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479.
A.J. Machielse & R. Ter Haar, ‘Poging en het begin van uitvoering: heeft de uiterlijke verschijningsvorm nog relevantie…?’, NTS 2024/19, p. 88.
Zie hiervoor randnummer 16 CAG Hofstee 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:14.
V HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318. Voorbeeld genoemd door Hofstee in zijn in de vorige noot aangehaalde conclusie, waarbij ook wordt verwezen naar HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9971, NJ 2011/95 en HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318.
HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479, NJ 2023/212, m.nt. AJ Machielse.
Een en ander dient te worden bezien in het licht van de omstandigheid dat strafbare voorbereiding (thans artikel 46 Sr) ten tijde van de totstandkoming van artikel 10a Opiumwet nog niet wettelijk was verankerd en het leerstuk poging, vanwege het vereiste ‘begin van uitvoering’, een met het oog op deze problematiek enigszins beperkte uitleg kent.
Zie nader: Kamerstukken II 1982/83, 17975, nr. 3, p. 3–4 en 6.
Vgl. CAG G. Knigge, 23 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX6767, randnummer 4.10.
Zie o.a. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001: AB 0494, NJ 2001/338; HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3862. Kesteloo spreekt in dit kader van een ‘erg ruim bereik’, A.N. Kesteloo, Strafbaarheid in de voorfase, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 88. Volgens Borgers en Van Poecke ligt ‘de kern van het verwijt’ bij voorbereidingshandelingen als omschreven in de artikelen 10a en 11a Opiumwet in ‘de verkeerde intentie’: ‘Niet zozeer het feit dat de betrokkene zich ervan bewust is (of moet zijn) dat voorwerpen voor een bepaald doel zullen worden gebruikt, maar veeleer de wil (of aanvaarding van de aanmerkelijke kans) dat dit geschiedt, rechtvaardigt bestraffing’, M.J. Borgers & E.M. van Poecke, ‘Op weg naar het einde: de strafbaarstelling van voorbereiding en vergemakkelijking van professionele hennepteelt’, AA 2012, afl. 3, p. 171–181, i.h.b. p. 179.
Zie in dit verband de noot van N. Rozemond onder HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318.
HR 20 juni 1989, NJ 1990/33