Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/10.2.5.1.2
10.2.5.1.2 Antimisbruikbepaling
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS395956:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 3.55 lid 4 onderdeel b Wet IB 2001 (aandelenfusie), art. 14 lid 4 Wet VPB 1969 (bedrijfsfusie), art. 3.56 lid 4 Wet IB 2001 en art. 14a lid 6 Wet VPB 1969 ((juridische) splitsing) alsmede art. 3.57 lid 4 Wet IB 2001 en art. 14b lid 5 Wet VPB 1969 (juridische fusie).
Zie bijvoorbeeld M.P. van Scheijndel/R.J. de Vries, “Aandelenfusie, juridische fusie, bedrijfsfusie en splitsing; Op naar 2001”, WFR 1999/1673. J.A.G. van der Geld in zijn noot bij HR 1 december 1999, nr. 34217, BNB 2000/111. J.N. Bouwman, De bedrijfsfusiefaciliteit en het grootonderhoud aan de VPB, NTFR 2004/448. E. van den Brande-Boomsluiter, De bedrijfsfusiefaciliteit in de vennootschapsbelasting, FM 110, Kluwer, 2003, paragraaf 5.12. G.C. van der Burgt, De bedrijfsfusie in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, Kluwer 2009, hoofdstuk 6. G.C. van der Burgt, Recente ontwikkelingen ten aanzien van de antimisbruikbepalingen in de fusie- en splitsingsfaciliteiten uit de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting, MBB 2010/09/01 en G.C. van der Burgt/R.J. de Vries, De antiontgaansbepalingen in de diverse fusie- en splitsingsfaciliteiten. De huidige stand van zaken in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, WFR 2012/1693.
Zie hierover E. van den Brande-Boomsluiter, De bedrijfsfusiefaciliteit in de vennootschapsbelasting, FM 110, Kluwer, 2003, paragraaf 5.12.2.2. Van der Burgt & De Vries zijn van mening dat uit de door het Hof van Justitie gewezen Foggia-zaak (10 november 2011, nr. C-126/10, BNB 2012/5) blijkt dat de terminologie “in overwegende mate” die de Nederlandse wetgever voorstaat goed aansluit bij de invulling die door het Hof van Justitie EU in de zaak-Foggia is gegeven aan de formulering “hoofddoel of een der hoofddoelen” uit de Fusierichtlijn. In dat kader zien zij geen (onverenigbare) spanning tussen het nationale fiscale recht en de Fusierichtlijn. G.C. van der Burgt/R.J. de Vries, De antiontgaansbepalingen in de diverse fusie- en splitsingsfaciliteiten. De huidige stand van zaken in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, WFR 2012/1693.
HR 29 juni 2012, nr. 10/00807, BNB 2012/261. In onderhavige zaak betrof het de vraag of er zakelijke overwegingen ten grondslag lagen aan de splitsing van een familie-BV. De aandelen van de BV werden gehouden door twee broers. De BV zou juridisch worden gesplitst in B BV en C BV. De onroerende zaak van de BV zou dan naar B BV gaan. Het vermogen van C BV zou alleen uit liquiditeiten bestaan. De inspecteur gaf echter een beschikking af, waarin hij besliste dat de voorgenomen juridische splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De Hoge Raad oordeelt dat het in art. 14a lid 6 Wet VPB 1969 opgenomen antimisbruikvoorbehoud – door ook het uitstellen van belastingheffing onder de term belastingontwijking te rangschikken – niet verder gaat dan de Fusierichtlijn toelaat. Vervolgens stelt de Hoge Raad vast dat het oordeel van het hof inhoudt dat de voorgenomen splitsing als enig doel heeft een alternatieve route te vormen voor de feitelijke uitkoop van een van de twee aandeelhouders. Hiervan uitgaande is er volgens de Hoge Raad sprake van het zodanig uitstellen van belastingheffing dat in strijd met doel en strekking van de Fusierichtlijn wordt gekomen. Voor een nadere analyse van het arrest zie G.C. van der Burgt/R.J. de Vries, De antiontgaansbepalingen in de diverse fusie- en splitsingsfaciliteiten. De huidige stand van zaken in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, WFR 2012/1693, paragraaf 5 en 6.
Hof Amsterdam, 31 maart 2004, nr. 02/06079, V-N 2004/57.9. In onderhavige zaak werden enkele beleggingsvennootschappen in een andere beleggingsvennootschap ingebracht. Het doel was om vervolgens een fiscale eenheid tot stand te brengen en de beleggingsvennootschappen binnen de fiscale eenheid te liquideren. Aldus konden de beleggingen in één entiteit worden samengebracht, waardoor een meer optimale spreiding in de beleggingen kon worden aangebracht en de administratiekosten en de kosten van provisies relatief afnamen. In deze situatie was volgens Hof Amsterdam niet sprake van een aandelenfusie die in overwegende mate was gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
E. van den Brande-Boomsluiter, De bedrijfsfusiefaciliteit in de vennootschapsbelasting, FM 110, Kluwer, 2003, paragraaf 5.12.3.4.
J.A.G. van der Geld e.a., Hoofdzaken Vennootschapsbelasting, FED Fiscale Studieseries 31, Kluwer, 12e druk, 2016, paragraaf 8.2.1. Van der Geld geeft aan dat het hem voorkomt dat het vervreemdingsverbod voor de ter zake van de fusie verkregen aandelen in het verlengde ligt van de wel in de Richtlijn opgenomen eis dat de inbreng van (het zelfstandig onderdeel van) de onderneming tegen uitreiking van aandelen dient te geschieden.
HvJ EU 8 maart 2017, C-14/16 (Euro park Service), V-N 2017/17.12.
HvJ EU 7 september 2017, C-6/16 (Eqiom en Enka), V-N 2017/44.19.
E. Boomsluiter, Bewijsvermoedens in de Wet VPB 1969: de grenzen verder aangescherpt, WFR 2018/60.
HvJ EU 20 mei 2010, zaak C-352/08 (Zwijnenburg), BNB 2010/257.
Vervolgens kan de vraag nog worden gesteld of de fusiefaciliteit voor alle betrokkenen wordt geweigerd indien bij één van de betrokken de fusie of splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing of dat de fusiefaciliteit alleen voor die ene betrokkene wordt geweigerd. Uit BNB 2012/261 kan mijns inziens worden afgeleid dat dit eerste het geval. Zie ook G.C. van der Burgt/R.J. de Vries, De antiontgaansbepalingen in de diverse fusie- en splitsingsfaciliteiten. De huidige stand van zaken in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, WFR 2012/1693, paragraaf 7. Daarnaast is het de vraag hoe het zit als bijvoorbeeld de aandeelhouders in Duitsland zitten en de splitsende / fuserende lichamen in Nederland. Kan Nederland dan art. 14a, respectievelijk art. 14b Wet VPB 1969 weigeren als die aandeelhouders de Einkommensteuer aan het ontgaan/uitstellen zijn? Tot op heden is er nog geen eenduidig antwoord op deze vraag.
Een duidelijk voorbeeld hiervan is HR 1 december 1999, nr. 34 217, BNB 2000/111, waaruit blijkt dat de Hoge Raad de Fusierichtlijn als uitgangspunt neemt en toets of de fusie en splitsing ook zou zijn uitgevoerd als het niet-fiscale doel (= zakelijke doel) niet zou hebben bestaan.
J.A.G. van der Geld/F.J. Elsweier/S.A. Stevens, Hoofdzaken vennootschapsbelasting, 12e druk, Kluwer, 2016, paragraaf 8.2.2.
Zie ook J.N. Bouwman, De bedrijfsfusiefaciliteit en het grootonderhoud aan de VPB, NTFR 2004/448.
Vanaf 2001 geldt voor toepassing van de aandelenfusie, bedrijfsfusie, juridische fusie en splitsing vrijwel een woordelijk gelijkluidende antimisbruikbepaling (ook wel belastingontwijkingsvoorbehoud genoemd).1 De hoofdtoets houdt in dat de faciliteit achterwege blijft als de fusie of splitsing in overwegende mate gericht is op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing (de bewijslast rust daarbij primair op de inspecteur). De hoofdtoets wordt ingevuld door een bewijsvermoeden dat inhoudt dat de fusie geacht wordt in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien deze niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt. Zakelijke overwegingen worden aanwezig geacht bij herstructurering of rationalisering van actieve werkzaamheden. Bij de bedrijfsfusie- en splitsingsfaciliteit is nog expliciet aangegeven dat zakelijke overwegingen niet aanwezig worden geacht indien aandelen binnen drie jaar aan een niet verbonden lichaam worden vervreemd. De Nederlandse antimisbruikbepaling is ontleend aan de antimisbruikbepaling uit de Fusierichtlijn. Er bestaan echter tekstuele verschillen tussen de Nederlandse wettekst en de Fusierichtlijntekst. In de Fusierichtlijn is de bepaling opgenomen dat lidstaten de faciliteit geheel of gedeeltelijk niet toe hoeven te passen indien blijkt dat een van de rechtshandelingen als hoofddoel of een der hoofddoelen belastingfraude of –ontwijking heeft. Wanneer de rechtshandeling niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de bij de rechtshandeling betrokken vennootschappen, geldt het vermoeden dat die rechtshandeling als hoofddoel of een van de hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft. De vraag of het huidige belastingontwijkingsvoorbehoud wel in overeenstemming is met de (tekst van de) Fusierichtlijn is in de literatuur meermaals bediscussieerd.2 Een aantal discussiepunten zal ik hieronder toelichten.
Naast het feit dat de woorden “in overwegende mate’’ niet terug te vinden zijn in de Richtlijn,3 is een veel groter discussiepunt de vertaling van “belastingfraude of – ontwijking’’. In de hierboven aangehaalde literatuur is veelvuldig aangegeven dat belastinguitstel, zoals dit in de Nederlandse wet is opgenomen, niet valt onder het begrip belastingontwijking. De kern van de kritiek is dat het wezen van de faciliteiten juist het bereiken van belastinguitstel is. Op dit punt lijkt de Nederlandse wettekst dus verder te gaan dan doel en strekking van het begrip belastingontwijking uit de Fusierichtlijn. De Hoge Raad besliste echter op 29 juni 2012 dat ook het uitstellen van belastingheffing (indien in strijd met doel en strekking van de Fusierichtlijn wordt gekomen) onder de term belastingontwijking van de Richtlijn valt te rangschikken.4
Een tweede mijns inziens relevant verschil met de Fusierichtlijntekst is dat de term “activiteiten’’ door de Nederlandse wetgever is vertaald met “actieve werkzaamheden’’. De Nederlandse wetgever wilde een onderscheid maken tussen activiteiten die wel en niet uitgaan boven normaal vermogensbeheer.5 Als de activiteiten niet uitgaan boven normaal vermogensbeheer wordt de bewijslast bij de belastingplichtige gelegd om aan te tonen dat de relevante transactie niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. In de literatuur is de vraag opgeworpen of het woord “actieve’’ niet geschrapt zou moeten worden. Hof Amsterdam lijkt op 31 maart 20046 de Richtlijntekst als uitgangspunt te nemen en daarmee het begrip actieve werkzaamheden te negeren. De staatssecretaris berustte in de uitkomst van deze zaak.
Een derde discussiepunt is de vraag of het terecht is dat bij de bedrijfsfusie en splitsing de bewijslast voor zakelijke overwegingen bij de belastingplichtige komt te liggen op het moment dat de aandelen binnen drie jaar na de overdracht worden vervreemd. De Fusierichtlijn kent een dergelijke bepaling niet. Volgens Van den Brande-Boomsluiter7 heeft de Nederlandse wetgever de door de Richtlijn aangegeven grenzen overschreden, maar volgens Van der Geld8 mag men niet concluderen dat iets niet mag alleen omdat de Richtlijn er niet over rept.
Ik ben het met Boomsluiter eens dat op grond van de arresten Euro park Service9 en Eqiom en Enka10 volgt dat de wijze waarop het begrip zakelijke overwegingen nu voor de toepassing van de Nederlandse fusie- en splitsingsfaciliteiten wordt ingevuld, in strijd lijkt te zijn met de Fusierichtlijn.11 Kort weergegeven beslist het Europese Hof van Justitie dat een algemeen bewijsvermoeden niet mag worden gehanteerd. Het bewijsvermoeden moet specifiek gericht zijn op het bestrijden van misbruik. De feiten en omstandigheden die het bewijsvermoeden in werking doen treden, moeten een daadwerkelijk vermoeden van belastingfraude of -ontwijking oproepen. Dit betekent mijns inziens dat voor de toepassing van een bewijsvermoeden op basis van een vervreemding van de aandelen geen plaats lijkt te zijn. Kort samenvattend, kan mijns inziens ook hier gesteld worden dat bovenstaand discussiepunt met name gaat over de vraag of voldaan is aan de fiscaal-juridische toets uit mijn toetsingskader. Ik ben het met Van den Brande-Boomsluiter eens dat de Nederlandse wettekst waarschijnlijk op dit punt niet in overeenstemming is met het EU-recht (in casu de Fusierichtlijn).
Dat (los van de afwijkende Nederlandse wettekst) de interpretatie van de Richtlijntekst al lastig genoeg kan zijn blijkt mijns inziens bijvoorbeeld uit het door de HvJ EU gewezen zaak Zwijnenburg.12 In desbetreffende zaak kwam de vraag op of de faciliteit ook wordt ontzegd als een andere belasting dan de vennootschapsbelasting wordt ontgaan of uitgesteld. Het Hof oordeelde dat de bedrijfsfusiefaciliteit niet kon worden geweigerd indien een bedrijfsfusie is gericht op het ontgaan van overdrachtsbelasting. Uit deze zaak kan worden opgemaakt dat de Fusierichtlijn alleen werking heeft voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting.13
Op zich hoeft een enigszins van de Richtlijn afwijkende Nederlandse wettekst voor de belastingplichtige uiteindelijk geen nadelig effect te hebben. Uit diverse jurisprudentie is reeds gebleken dat de Nederlandse rechter rechtstreeks toetst aan de (tekst van de) Fusierichtlijn.14 Mijns inziens terecht wijst Van der Geld er op dat alvorens strijd van nationale regelgeving met een Richtlijn zal worden vastgesteld, de Nederlandse rechter zoveel mogelijk zal proberen via verzoenende interpretatie de nationale regelgeving zo uit te leggen dat deze in overeenstemming is met het EU-recht.15
Op het moment dat de Nederlandse wetgeving echter ruimer is dan hetgeen in de Fusierichtlijn is omschreven zal de belastingplichtige geen beroep doen op de Richtlijn en de Nederlandse wettekst prevaleren (met een beroep op het Europeesrechtelijke rechtszekerheidsbeginsel). In de Richtlijn geldt bijvoorbeeld bij de splitsingsfaciliteit dat ook als voorwaarde gesteld kan worden dat er sprake moet zijn van een tak van bedrijvigheid. Deze voorwaarde zien we niet terug als voorwaarde voor de Nederlandse splitsingsfaciliteit. Het is echter mijns inziens de vraag of een ruimere werking van de Nederlandse fusie of splitsingsfaciliteiten ten opzichte van de Richtlijn principieel wel is gewenst. Kort samenvattend, kan mijns inziens hier gesteld worden dat bovenstaand punt met name gaat over de vraag of voldaan is aan de fiscaal-beleidsanalytische toets uit mijn toetsingskader. Ik ben van mening dat het toestaan van de splitsingsfaciliteit bij bijvoorbeeld het afsplitsen van een pand niet in overeenstemming is met de in hoofdstuk 10.2.3 geschetste ratio van de faciliteit. Met andere woorden: er is mijns inziens bij het afsplitsen van een pand geen sprake van een bedrijfseconomische gewenste herstructurering waarbij fiscale afrekening ongewenst zou zijn. Bovendien is het mijns inziens niet consistent dat er bij de bedrijfsfusiefaciliteit wel als voorwaarde wordt gesteld dat er sprake moet zijn van een onderneming (tak van bedrijvigheid) en bij de splitsingsfaciliteit niet.16