Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/4.3.2
4.3.2 Reikwijdte en diepgang accountantscontrole
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Voetnoten
Voetnoten
Staatscommissie-Elzinga (2000), p. 238-239.
Zie bijvoorbeeld Van Putten (2000), p. 9-17.
TK 27751 nr. 3, p. 43.
Aldus ook de regering in de MvT bij de Wet dualisering gemeentebestuur (TK 27751 nr. 3, p. 42).
Deze tweede volzin van art. 2:393 lid 4 BW schrijft bovendien voor dat de accountant nagaat of het jaarverslag (voor zover hij dat kan beoordelen) overeenkomstig titel 9 van het Tweede Boek van het BW is opgesteld en met de jaarrekening verenigbaar is en of verschillende gegevens als bedoeld in art. 2:392 BW zijn toegevoegd. Ten aanzien van het onderzoek volgens de tweede volzin van art. 2:393 lid 3 bepaalt lid 5 van hetzelfde artikel dat de accountant kan volstaan met het vermelden van de hem gebleken tekortkomingen.
Zie de advertentiereeks in de Volkskrant (4 april, 18 april, 25 april en 2 mei 2005). In 2000 was het marktaandeel van Deloitte overigens nog ruim 86 %, zie Van Putten (2000), p. 13.
Zie de Volkskrant van 4 april 2005 (met als veelzeggende titel: '2005. Het jaar van de waarheid').
Zie VNG-ledenbrief van 12 augustus 2004, Lbr. 04/112 (www.vng.nl).
TK 19403 nr. 17, p. 8.
TK 19403 nr. 16, p. 63.
Wet van 24 juni 1992 Stb. 1992, 350.
Werkgroep ontwikkeling accountantscontrole (1988).
TK 20800 VII nr. 33her'.
TK 19403 nr. 16, p. 63. Zie voor de Kamerstukken bij de Vijfde wijziging van de Comptabiliteitswet TK 21471 nr. 3, p. 10-12.
Een andere affaire waarbij de rol van accountants nadrukkelijk ter discussie heeft gestaan, is de affaire rond de voormalige Rotterdamse burgemeester Bram Peper. Omdat de discutabele accountantscontrole in deze zaak niet de jaarlijkse wettelijke controle van de jaarrekening betrof, maar een incidentele (forensische) onderzoeksopdracht, blijft deze affaire verder onbesproken (zie par 1.1). Zie voor een uitgebreide behandeling Broeksteeg (2004), hoofdstuk 10.
Ingesteld bij Besluit van provinciale staten van Zuid-Holland van 22 juli 1999.
Commissie-Van Dijk (1999).
Zie rapport commissie-Van Dijk hoofdstuk 4 (vanaf p. 45) en hoofdstuk 8 (vanaf p. 71). Op (het rapport van) de commissie-Van Dijk is overigens enige kritiek gekomen. Zo had het rapport volgens Kortmann juridisch beter moeten worden geformuleerd (zie Kortmann (2000), p. 121 e.v.) en werd de keuze voor Van Dijk als voorzitter van de commissie ongelukkig geacht, aangezien hij als minister van Binnenlandse Zaken gedurende een gedeelte van het tijdvak waarop het onderzoek zich richtte, verantwoordelijk was voor het toezicht op de provincie Zuid-Holland (zie wederom Kortmann (2000) en Bordewijk (1999), p. 4 e.v.). Deze kritiek heeft echter niet of nauwelijks betrekking op het oordeel van de commissie-Van Dijk met betrekking tot de accountantscontrole.
Hierboven is gesteld dat niet alleen de onafhankelijkheid van de accountant ter discussie is komen te staan, maar ook de wijze van accountantscontrole. In hoofdstuk 8 van haar rapport stond ook de Staatscommissie-Elzinga stil bij de rol van de accountant ten aanzien van de jaarrekening en het jaarverslag.1 De kern van de kritiek van de commissie was dat de Gemeentewet onvoldoende duidelijk maakte op welke aspecten van de rechtmatigheid het oordeel van de accountant betrekking had. In de Memorie van Toelichting bij de Wet dualisering gemeentebestuur werd deze problematiek verder uitgewerkt. De regering gaf daarin aan dat in veel gemeenten een discrepantie bestond tussen het beeld dat gemeentebesturen hadden van de rechtmatigheidstoetsing en de daadwerkelijke werkzaamheden van de accountant. Deze discrepantie wordt meestal aangeduid als de 'verwachtingskloof .2 Deze kloof werd vooral zichtbaar rondom de vraag of de rechtmatigheidscontrole van de accountant ook de jaarrekening en de daarin opgenomen baten en lasten betrof.3 Zoals gezegd, bestond het accountantsverslag uit het oude art. 213 lid 2 Gemeentewet uit twee delen: de verklaring bij de jaarrekening en de bevindingen omtrent de administratie en het beheer. Ten aanzien van het laatstgenoemde gedeelte werd in de wettekst uit 1992 de rechtmatigheid (en doelmatigheid) als toetsingscriterium geïntroduceerd. Deze wettekst koppelde de rechtmatigheidstoetsing dus aan het verslag van bevindingen en niet (althans niet expliciet) aan de verklaring.
De Gemeentewet zweeg sowieso over de inhoud van de accountantsverklaring bij de jaarrekening. Duidelijkheid hieromtrent moest worden gezocht in art. 2:393 BW, dat handelt over het accountantsonderzoek bij privaatrechtelijke rechtspersonen.4 De accountantsverklaring is volgens lid 4 van art. 2:393 BW op te vatten als de uitkomst van het door de accountant ingestelde onderzoek naar de jaarrekening. In het algemeen geldt dat dit een onderzoek betreft naar de getrouwheid van de jaarrekening. Dit getrouwheidsoordeel omvat in ieder geval een uitspraak over de vraag of de jaarrekening een zodanig inzicht geeft dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat van de rechtspersoon (art. 2:393 lid 3 jo. 2:362 lid 1 BW). Daarnaast schrijft de tweede volzin van art. 2:393 lid 3 BW onder meer voor dat de accountant nagaat "of de jaarrekening aan de bij of krachtens wet gestelde voorschriften voldoet".5 Volgens privaatrechtelijke literatuur betreft dit laatste aspect van de toetsing niet veel meer dan een antwoord op de vraag of de jaarrekening is ingericht volgens de geldende wettelijke voorschriften omtrent het inrichten van jaarrekeningen. Een oordeel over de rechtmatigheid van de in de rekening opgenomen baten en lasten viel op grond van art. 2:393 BW kennelijk niet binnen het bereik van deze toetsing.
Door dit alles ontstond ruimte voor een beperkte invulling rechtmatigheidscontrole. Er is aanleiding om te veronderstellen dat deze ruimte tot aan de dualisering in veel gemeenten werd benut. Zo liet accountantsorganisatie Deloitte (die naar eigen zeggen 70% van de gemeenten 'in haar portefeuille'6 heeft) in een reeks paginagrote advertenties in de Volkskrant optekenen dat de rechtmatigheidscontrole bij gemeenten iets is dat pas sinds 2004 of zelfs 2005 verplicht is7 en stelde de VNG dat het accountantsoordeel tot en met de jaarrekening van 2003 beperkt was tot het getrouwe beeld.8 Beide opvattingen stroken echter niet met de realiteit van het oude art. 213 Gemeentewet, waarin wel degelijk een vorm van rechtmatigheidscontrole werd voorgeschreven. Dit gebeurde weliswaar niet in het kader van de accountantsverklaring, maar wel in het verslag van bevindingen.
De achtergronden en bedoelingen van de rechtmatigheidscontrole uit de Gemeentewet-1992 kunnen worden gevonden in de Vierde Nota van Wijziging9 en toelichting die de regering daarop geeft in de Nota naar aanleiding van het Eindverslag10 bij het ontwerp van deze wet. Het betreft hier de wijziging in het voorstel die heeft geleid tot de eindredactie van lid 2 van art. 213 Gemeentewet-1992, waarin werd bepaald dat de accountant werd belast met het onderzoek van de rekening. Naast de verklaring bij de rekening diende het verslag van dit onderzoek bevindingen te bevatten over de vraag of de administratie en het beheer voldeden aan eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid. De tekst van het artikellid is niet bijzonder helder. Onduidelijk is wat precies moet worden verstaan onder 'rechtmatigheid van de administratie en het beheer'. De tekst kan zo worden geïnterpreteerd dat de rechtmatigheidscontrole alleen ziet op de vraag of de inrichting van het fmanciële beheer een rechtmatige taakvervulling van het college mogelijk maakt. De parlementaire stukken gaan op dit punt echter aanzienlijk verder. De tekst van art. 213 lid 2 Gemeentewet-1992 is volgens de regering tot stand gekomen naar aanleiding van de gedachtewisseling over het rechtmatigheidsbegrip bij de Vijfde wijziging van de Comptabiliteitswet.11 Deze koppeling tussen beide rechtmatigheidsbegrippen kwam uit de koker van de Werkgroep ontwikkeling accountantscontrole (WOA).12 De regering nam het advies van deze werkgroep over13 en de inzichten die zij ontleende aan de Vijfde wijziging van de Comptabiliteitswet, vatte zij als volgt samen:
"In het voorstel tot de Vijfde wijziging van de Comptabiliteitswet omvat de rechtmatigheidscontrole de volgende aspecten:
a. de deugdelijkheid van de fmanciële verantwoording;
b. de rechtmatigheid van de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten;
c. misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen;
d. ordelijk en controleerbaar financieel beheer.
e. (...)
Hiermee omvat de accountantscontrole op gemeentelijk niveau dezelfde elementen als de in het voorstel tot Vijfde wijziging van de Comptabiliteitswet bedoelde rechtmatigheidscontrole."14
Het is dus nadrukkelijk de bedoeling geweest de rechtmatigheidscontrole meer te laten omvatten dan de vraag of de inrichting van het financiële beheer en van de financiële organisatie een rechtmatige taakvervulling van het college mogelijk maakt. Vooral onderdeel b van bovenstaande opsomming lijkt een veel gedetailleerder onderzoek te eisen naar de rechtmatigheid van afzonderlijke verplichtingen, uitgaven en ontvangsten. Omdat bovengenoemde wijziging van het wetsvoorstel bepaald niet uit de lucht is komen vallen, viel er ook onder de vigeur van de Gemeentewet-1992 veel te zeggen voor een diepgaandere benadering van de jaarlijkse rechtmatigheidscontrole.
Problemen met betrekking tot de wat marginale benadering van de rechtmatigheidscontrole door accountants kwamen onder meer aan het licht in het kader van de zogenaamde `Ceteco-affaire'.15 In deze affaire stond de handel en wandel van 'de Treasury' (voorheen: het bureau Middelenbeheer) van de provincie Zuid-Holland centraal. Kort gezegd hadden Gedeputeerde Staten dit bureau in het kader van het kasbeheer van de provincie opdracht gegeven leningen te verstrekken, om zodoende extra financiële middelen voor de provincie te genereren. Toen deze constructie naar aanleiding van de surseance van het bedrijf Ceteco (waaraan door de Treasury twee leningen van 12,5 respectievelijk 35 miljoen gulden waren verstrekt) negatief in het nieuws kwam, besloten Provinciale Staten van Zuid-Holland tot het instellen van de Onafhankelijke Onderzoekscommissie Geldleningen Zuid-Holland.16 Deze commissie, genoemd naar voorzitter Van Dijk, velde in haar rapport "Een doorboorde buidel"17 een vernietigend oordeel over de gang van zaken. Ook de rechtmatigheidstoetsing door de accountant die was belast met de controle van de provinciale jaarrekening, werd hierin onder de maat bevonden. Volgens de commissie-Van Dijk had de accountant (onder meer):
te weinig aandacht besteed aan de vraag of het optreden van de Treasury binnen de grenzen van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde besluiten bleef;
niet gekeken naar de vraag of Gedeputeerde Staten ëberhaupt bevoegd waren dergelijke besluiten te nemen;
geen kennis van alle relevante regelgeving;
verzuimd Provinciale Staten op de hoogte te stellen van de omstandigheid dat uitgaven (zoals rente en provisie) waren gedaan zonder dat deze in de begroting waren opgenomen.18