Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.2.3
2.2.3 Materiële belastingschuld
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270077:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een veel gebruikte (ruime) definitie luidt: “Belastingen zijn betalingen die de overheid op grond van een publiekrechtelijke regeling uitsluitend, of mede ter verwerving van inkomsten door de in die regeling aangewezen lichamen, en anders dan op grond van de privaatrechtelijke overeenkomst, dwangmatig en overeenkomstig algemene regelen vordert.” Zie bijvoorbeeld Douma 2019, p. 37, die verwijst naar H.J. Hofstra en R.E.C.M. Niessen, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, p. 23.
De belastingen die rechtstreeks onder de formulering van art. 1 AWR vallen, gelden als uitgangspunt voor dit onderzoek. Dit zijn: de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting, de loonbelasting, de dividendbelasting, de btw, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, de MRB, de bankenbelasting, de belasting zware motorrijtuigen, de accijnzen, de kansspelbelasting, de belastingen van rechtsverkeer, de schenk- en erfbelasting en de belastingen op milieugrondslag.
Of inhoudingsplichtig. Bij afdrachtbelastingen, zoals de loonbelasting, is de werkgever verplicht de belasting af te dragen.
Dit onderzoek betreft enkel de heffing, de vaststelling van de materiële belastingschuld door een burger (en evt. door de inspecteur). In dit verband spreekt men van een belastingplichtige. Belastingplichtige is elke natuurlijke persoon en rechtspersoon woonachtig of gevestigd in Nederland. Zo’n belastingplichtige wordt pas belastingschuldige als hij een bepaald bedrag aan belasting is verschuldigd (Kamerstukken II 1987/1988, 20 588, nr. 3, p. 29). Daartoe is in art. 2 lid 1 onderdeel k IW bepaald dat een belastingschuldige degene is te wiens naam de belastingaanslag is gesteld.
Feteris 2007 verwijst bijvoorbeeld naar K. Tipke, DieSteuerrechtsordnung, Köln 1993, die verwijst naar ervaringen in Zwitserse kantons met een belasting waarvoor aangiften niet gecontroleerd werden.
Hertoghs 1993, p. 13.
DeKam 2018, p. 219.
Gribnau 2017, onderdeel 1.
Hertoghs 1993, p. 13.
Al met al zijn er heel wat grondbeginselen die belastingen kunnen rechtvaardigen. Burgers en bedrijven worden dan ook geconfronteerd met een veelheid aan belastingen, bijvoorbeeld in de vorm van een inkomensoverdracht (loonbelasting, belasting toegevoegde waarde, hierna: btw), of in de vorm van een vermogensoverdracht (erfbelasting). De materieelrechtelijke definitie van een belasting is ‘een verplichte betaling aan de overheid, terwijl daar geen rechtstreekse tegenprestatie tegenover staat’.1 De overheid heeft echter niets te zoeken in de portemonnee van individuen. Het recht van eigendom beschermt in dezen2 en belastingheffing is dan ook louter toegestaan als daarbij bij wet is besloten: art. 1043 en art. 132 lid 64 Grondwet.
De regels waarop de inkomensoverdracht en/of vermogensoverdracht gebaseerd zijn, zijn opgenomen in verschillende materiële belastingwetten. Een niet uitputtende lijst met voorbeelden: de Wet IB 2001, de Wet OB 1968 en de Wet VPB 1969.5 Op grond van deze regels kan een burger of bedrijf zijn materiële belastingschuld vaststellen. Met andere woorden: de regels van het materiële belastingrecht bepalen of iemand belastingplichtig6 is. Vanaf nu zal niet meer gesproken worden over burgers of bedrijven, maar over belastingplichtigen.7 De materiële belastingschuld kan worden gedefinieerd als de omvang van de belastingschuld, op grond van de materiële heffingswetten.
Als enkel materiële heffingsregels zouden bestaan, zou de bereidwilligheid van de belastingplichtigen bepalen of en in welke mate de overheidsschatkist gevuld wordt. Onderzoeken hebben aangetoond dat een systeem van belastingheffing niet functioneert als het geheel afhankelijk is van de vrijwillige medewerking van de belastingplichtigen.8 Ook in de huidige maatschappij moet de zogenaamde belastingmoraal van de burger niet al te hoog worden aangeslagen, aldus Hertoghs. Hij schreef dat het erop lijkt dat de menselijke zucht naar eigen gewin vaak dominanter is dan zijn gemeenschapszin.9 Volgens De Kam komt de weerstand tegen belastingheffing voort uit het feit dat de betaalde belasting geen verband houdt met het gebruik dat iemand maakt van door de overheid aangeboden voorzieningen. Bij de sportclub heeft iemand tenminste nog affiniteit met de besteding van het ingezamelde geld. Dit verband geldt alleen maar sterker wanneer in de rijksbegroting uitgaven zijn opgenomen waar men principieel tegen is.10 Voorts kan volgens Gribnau een belangrijke reden voor de lage belastingmoraal gelegen zijn in de ontmoedigende complexiteit van fiscale regelgeving.11 Hertoghs meent dat een belastingplichtige er bij belastingheffing niet aan ontkomt ten behoeve van de fiscale waarheidsvinding allerhande ‘geheimen’ uit de privésfeer prijs te geven.12 De wijze waarop de overheid omspringt met deze ingewonnen informatie kan ook verband houden met de (lage) belastingmoraal, aldus Hertoghs.