Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.3.2.1
2.3.2.1 Oprichting ook bij dode
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232259:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
§ 81 Abs. 1 Satz 3 BGB luidt: ‘Durch das Stiftungsgeschäft muss die Stiftung eine Satzung erhalten mit Regelungen über
- 1.
den Namen der Stiftung,
- 2.
den Sitz der Stiftung,
- 3.
den Zweck der Stiftung,
- 4.
das Vermögen der Stiftung,
- 5.
die Bildung des Vorstands der Stiftung.’
In Duitsland kunnen uiterste wilsbeschikkingen gemaakt worden bij Testament (§ 1937 BGB), gemeinschaftliches Testament (§ 2265 BGB)en Erbvertrag (§ 1941 BGB). Het vormvoorschrift is opgenomen in § 2231 BGB. Zie over deze vormen en vormvoorschriften F.W.J.M. Schols, Quasi-erfrecht met bindende elementen (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2005, p. 19-20, p. 174-183, p. 197-205 en p. 210.
Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010 § 83 Rn 20; MüKoBGB 2013/Reuter BGB § 83 Rn 10.
Hof in v.Campenhausen/Richter 2014 § 6 Rn 89.
MüKoBGB 2013/Reuter BGB § 83 Rn 11; Hof in v.Campenhausen/Richter 2014 § 6 Rn 110. Ten aanzien van de verhouding van de bevoegdheid van de Testamentsvollstrecker en het doel van de bij dode opgerichte stichting zie Schewe 2004, p. 244.
HR 11 maart 1932, NJ 1932/p. 698, m.nt. E.M. Meijers (Paul Tétar van Elvenfonds).
Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010, Vorbemerkungen zu §§ 80 bis 88, Rn 53.
v.Campenhausen in v.Campenhausen/Richter 2014 § 5 Rn 42.
v.Campenhausen in v.Campenhausen/Richter 2014 § 5 Rn 43. Pleimes 1954 spreekt van ‘der neuen Dogmatik im Rechtsleben’. Pleimes is op 21 januari 1942 op 27-jarige leeftijd gesneuveld aan de Donetz, een rivier op de grens van Oekraïne en Rusland. Het werk heeft hij voltooid tijdens een ‘Fronturlaub’, aldus Franz Beyerle in het voorwoord bij het werk. Het boek van Pleimes wordt, tezamen met andere werken, besproken door R. Feenstra, ‘l’Histoire des fondations. A propos de quelques etudes recentes‘, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 1956, p. 381-448.
De uiterste wilsbeschikking tot oprichting van de stichting luidde: ‘Meine Sammlung von Gemälden, Handzeichnungen, Kupferstichen und Kunstsachen, sammt dazu gehörigen Büchern, soll die Grundlage eines zum Besten hiesiger Stadt und Bürgerschaft hiermit von mir gestiftet werdenden Städelschen Kunstinstituts seyn.’ De uiterste wilsbeschikking is te kennen uit: Johann Ludwig Klüber, Abhandlungen und Beobachtungen für Geschichtskunde, Staats- und Rechtswissenschaften, Erster Band, Frankfurt am Main 1830, p. 335-336. Ook Schewe 2004, p. 26, citeert delen van de uiterste wilsbeschikking. Zie ook Van Lanschot 1856, p. 47-48, waarin dit deel van de uiterste wilsbeschikking, met enige weglatingen, ook wordt geciteerd.
Schewe 2004, p. 27. J.F. Städel had de Genehmigung al voor zijn overlijden verkregen bij decreet van 21 november 1811 van de groothertog van Frankfurt, zo blijkt uit Johann Ludwig Klüber, Abhandlungen und Beobachtungen für Geschichtskunde, Staats- und Rechtswissenschaften, Erster Band, Frankfurt am Main 1830, p. 331. Het museum zelf gaat uit van 1815 als oprichtingsjaar, net als Strachwitz 2010, p. 21.
Pleimes 1954, p. 88; Hans-Jürgen Becker, ‘Der Städel-Paragraph (§ 84 BGB)’, in: Gottfried Baumgärtel e.a., Festschrift für Heinz Hübner zum 70. Geburtstag am 7. November 1984, Berlin: Walter de Gruyter & Co 1984, p. 24. Zonder de ‘testamentaire pioniersgeest’ van bankier en zakenman Städel, zou er geen Städelsches Kunstinstitut und Städtische Galerie in Frankfurt am Main zijn. Voor een inzicht in de nagelaten kunstwerken zie J.D. Passavant, Einige Worte über die Sammlungen des Städel‘schen Kunst-instituts, Frankfurt am Main: A. Osterrieth 1849. Het grote aantal Hollandse meesters (Ruysdael, Jan Steen, Hobbema, Bartholomeus van der Helst) is opvallend.
Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010, Vorbemerkungen zu §§ 80 bis 88, Rn 53.
In Duitsland is het oprichten van een stichting, ook bij uiterste wilsbeschikking, sinds jaar en dag mogelijk. Het Bürgerliches Gesetzbuch heeft sinds zijn invoering op 1 januari 1900 altijd een regeling gehad voor de (bij dode opgerichte) stichting. In Nederland duurde dat tot 1 januari 1957, de invoering van de Wet op stichtingen. De grondslag voor de oprichting van een stichting bij leven is opgenomen in § 81 BGB en die bij dode in § 83 BGB. Deze laatste bepaling luidt als volgt:
‘Besteht das Stiftungsgeschäft in einer Verfügung von Todes wegen, so hat das Nachlassgericht dies der zuständigen Behörde zur Anerkennung mitzuteilen, sofern sie nicht von dem Erben oder dem Testamentsvollstrecker beantragt wird. Genügt das Stiftungsgeschäft nicht den Erfordernissen des § 81 Abs. 1 Satz 3,1 wird der Stiftung durch die zuständige Behörde vor der Anerkennung eine Satzung gegeben oder eine unvollständige Satzung ergänzt; dabei soll der Wille des Stifters berücksichtigt werden. Als Sitz der Stiftung gilt, wenn nicht ein anderes bestimmt ist, der Ort, an welchem die Verwaltung geführt wird. Im Zweifel gilt der letzte Wohnsitz des Stifters im Inland als Sitz.’
De geciteerde bepaling laat geen twijfel bestaan dat bij Verfügungen von Todes wegen, of in de Nederlandse terminologie, bij uiterste wilsbeschikking, een stichting kan worden opgericht. Deze uiterste wilsbeschikkingen kunnen zowel bij notariële akte als bij onderhandse akte worden gemaakt.2
In Duitsland is het, net als in Nederland, mogelijk dat de erflater aan de erfgenamen of legatarissen een Auflage (last) tot het oprichten van een stichting oplegt.3 Deze last komt daarmee overeen met de Nederlandse directe last uit artikel 4:130 BW. Als de uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting door de erflater niet voldoet aan de eisen die de wet aan deze rechtshandeling stelt, kan deze rechtshandeling worden geïnterpreteerd als een last voor de erfgenamen een stichting bij leven op te richten en haar het bij uiterste wilsbeschikking toegekende vermogen te verschaffen.4 Deze last doet sterk denken aan de Nederlandse conversielast besproken in 1.1.1.2.2, zij het dat in Duitsland de last ontstaat door uitleg van de uiterste wilsbeschikking en in Nederland krachtens een wettelijke bepaling. Dat in Duitsland geen behoefte is aan een wettelijke bepaling kan worden verklaard doordat zowel bij onderhandse als bij notariële akte een stichting bij dode kan worden opgericht (§ 2231 BGB). De noodzaak voor een conversiebepaling voor het geval de uiterste wilsbeschikking in een uiterste wil in ‘andere vorm’ is opgenomen, zoals in Nederland artikel 4:135 lid 2 BW, bestaat dan niet.
In Duitsland wordt algemeen aangenomen dat ook een Testamentsvollstrecker (executeur) door de erflater kan worden belast met een aantal taken ten aanzien van de oprichting van een stichting bij dode. Niet mogelijk wordt geacht dat de Testamentsvollstrecker zelf de oprichtingsverklaring aflegt. De oprichtingsverklaring moet deel uitmaken van de uiterste wilsbeschikking van de erflater. De Testamentsvollstrecker zou wel bevoegd moeten zijn de statuten op te stellen. Dit mag echter niet zover gaan dat de Testamentsvollstrecker het doel en de omvang van het vermogen bepaalt.5
Hiervoor bleek in 2.2.2.1 dat afzondering van vermogen ten behoeve van een doel met vastlegging hoe dit doel bereikt moest worden, in Nederland de traditionele wijze van in leven roepen van een stichting was. Het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest uit 19326 vormde het sluitstuk van de jurisprudentie voorafgaande aan de invoering van de Wet op stichtingen in 1957. In Duitsland heeft zich een vergelijkbare discussie in de jurisprudentie en literatuur voorgedaan. Deze speelde zich echter veel vroeger in de tijd af dan in Nederland.
Tot het begin van de negentiende eeuw stond vast dat de mogelijkheid tot oprichting van een stichting was voorbehouden voor algemeen nuttige doelen onder staatstoezicht, de stichting als doelvermogen.7 Hierbij werd steeds een vermogen afgezonderd waarover een bestuur werd ingesteld. Het was niet vanzelfsprekend dat het doelvermogen ook rechtspersoonlijkheid bezat. Vaak was sprake van een unselbständige stichting. Slechts als met Genehmigung door de overheid het doelvermogen een ‘eigen’ bestuur kreeg, was sprake van een stichting met rechtspersoonlijkheid.8
Toen kwam de ‘Städel-zaak’, waarmee in Duitsland het moderne denken over de (bij dode opgerichte) stichting in 1816 begon.9 De bankier en koopman Johann Friedrich Städel uit Frankfurt am Main (1728-1816) richtte bij uiterste wilsbeschikking uit 1815 een stichting op, het Städelsche Kunstinstitut, die hij benoemt tot zijn enige erfgenaam.10
Hierop ontstaat discussie over de vraag of het wel mogelijk was een stichting als rechtspersoon op te richten en werd de vraag gesteld of Genehmigung noodzakelijk was en zo ja, of deze voor het overlijden dient te zijn verleend of mag dat ook nog daarna?11
De strijd om het Städelsche Kunstinstitut werd niet snel beslist; enkele erfgenamen bij versterf hebben nog jaren geprocedeerd. Uiteindelijk zijn de bezwaren van de erfgenamen bij versterf in 1829 afgekocht voor 300.000 Frankfurter guldens, ongeveer een vierde deel van de nalatenschap.12 Het proces mocht voorbij zijn, de strijd tussen de rechtsgeleerden duurde tientallen jaren.13 De invoering van het Bürgerliches Gesetzbuch deed de discussie definitief verstommen.