Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.1.4:20.1.4 Onderwerpen waarbij een meer objectief begrip van godsdienst wordt gehanteerd
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.1.4
20.1.4 Onderwerpen waarbij een meer objectief begrip van godsdienst wordt gehanteerd
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456429:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
(1) De kwalificatie van de doelstelling en de activiteiten van een instelling als religieus in het kader van de ANBI (Algemeen Nut Beogende Instelling) heeft een meer objectiverend karakter. Naar aanleiding van de ANBI-regeling kunnen giften aan kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen worden afgetrokken van het belastbaar inkomen (artikel 6.33 Wet inkomstenbelasting 2001) en geldt voor kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen een belastingvrijstelling wanneer zij schenkingen en erfenissen ontvangen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat kerkelijke instellingen deze vrijstellingen eerder genoten omdat ze kerkelijke instellingen waren. In 2003 trad een verandering op. Vanaf toen moesten de doelstellingen en de activiteiten getoetst worden op hun algemeen belang. Uitgangspunt is dat godsdienst in beginsel ‘telt’ als algemeen belang. De uitzondering hierop is wanneer godsdienstige of levensbeschouwelijke uitingen of gedragingen van zuiver commerciële aard zijn. Zuiver commerciële uitingen en gedragingen met een religieus karakter worden niet als ‘zaken’ van algemeen belang gekwalificeerd. Ten aanzien van deze uitingen en gedragingen blijft bovendien de vraag in het midden of ze als godsdienstig moeten worden gekwalificeerd.
Over het algemeen is het echter zo dat de kwalificatie van de doelstelling en activiteiten van een instelling als godsdienstig ook betekent dat deze activiteiten het algemeen belang dienen. De rechter probeert in veel gevallen de doelstelling en de activiteiten van de instelling in een objectief kader te plaatsen. Dit kan expliciet gebeuren door het inroepen van hulp van deskundigen maar ook impliciet door de vergelijking te maken met de activiteiten van de meer traditionele kerkelijke instellingen. In sommige gevallen is niet duidelijk waarop de rechter zijn kwalificatie baseert. In algemene zin kan daarom de conclusie worden getrokken dat de ontwikkeling dat kerkelijke instellingen aan de hand van hun doelstelling en activiteiten moeten aantonen dat ze het algemeen belang dienen, heeft geleid tot een meer objectieve uitleg van het begrip godsdienst.
(2) Ook in het kader van de eredienstvrijstelling geldt dat er sprake is van een zekere objectivering van het godsdienstbegrip. Voor de wijziging van de Gemeentewet begin jaren ‘70 van de vorige eeuw ging men er automatisch van uit dat onroerende zaken die bestemd waren voor de eredienst waren vrijgesteld van onroerendezaakbelasting. Met de eis van de wetgever dat een onroerende zaak ‘in hoofdzaak bestemd moet zijn voor de eredienst of bezinningssamenkomst’ en de later in de jurisprudentie ontwikkelde norm dat de termen ‘in hoofdzaak’ neerkomen op 70% van het gebruik van de onroerende zaak, is deze benadering zowel door de wetgever als de rechter losgelaten. Er heeft zich net als bij de ANBI-regeling een ontwikkeling voorgedaan waarbij de nadruk bij het kwalificeren is komen te liggen op de feitelijke omstandigheden. Immers, voorheen was het standpunt van de regering dat de belastingheffer zich niet op het geestelijke terrein van de eredienst begaf door te objectiveren in welke mate zaken bestemd zijn voor de eredienst.
In de jurisprudentie treffen we ten aanzien van de term eredienst in hoofdzaak een objectiverende kwalificatiewijze. De Hoge Raad heeft bepaald dat de term eredienst moet worden uitgelegd naar gangbaar spraakgebruik. De wetgever heeft deze uitleg onderschreven. De reikwijdte van de term ‘bezinningsbijeenkomst’ is door de wetgever niet scherp afgebakend. De wetgever heeft de term zo afgebakend dat niet bedoeld is hieronder kerkelijke activiteiten te scharen omdat die logischerwijs vallen onder de term eredienst. Aangezien voor de term eredienst in de jurisprudentie is bepaald dat hij naar gangbaar spraakgebruik moet worden uitgelegd, ligt het gezien het gelijkheidsbeginsel voor de hand dat de grammaticale uitleg ook geldt voor de openbare bijeenkomst van levensovertuigingen. Ook voor de term openbare bezinningssamenkomst geldt in beginsel dus een objectiverende kwalificatiewijze. Hiervoor objectieve criteria vinden is echter lastig, aangezien het gangbare spraakgebruik hierover weinig duidelijkheid geeft.
Doordat in wetgeving en jurisprudentie vanaf de jaren ‘70 van de vorige eeuw is bepaald dat instellingen aan de hand van daadwerkelijke omstandigheden moeten aantonen dat het betreffende gebouw (onroerend goed) in hoofdzaak gebruikt wordt voor de eredienst of de bezinningsbijeenkomst, en doordat hierbij uitgegaan wordt van een objectiverende uitleg van de termen eredienst en bezinningssamenkomst (namelijk naar gangbaar spraakgebruik) kan gesteld worden dat de kerkenvrijstelling gekenmerkt wordt door een overwegend objectiverende uitleg van het begrip godsdienst.
(3) Verder is de wettelijke term richting geobjectiveerd in de wetgeving en jurisprudentie die is ontstaan naar aanleiding van de term richting uit artikel 23 Grondwet. Aanvankelijk had de grondwetgever de term richting niet scherp afgebakend. Uit de wetsgeschiedenis en de literatuur hierover blijkt dat de grondwetgever bij de term richting met name dacht aan godsdienst en levensbeschouwing zonder daarbij principieel andere richtingen dan godsdienst of levensbeschouwing uit te sluiten. Wat dat betreft had de term een open karakter met als belangrijke nuancering dat het niet de bedoeling van de grondwetgever is geweest om onder richting ook de wijze van onderwijs, bijvoorbeeld pedagogische inzichten te scharen. Uit de Grondwetsgeschiedenis valt voorts op te maken dat de grondwetgever niet nader heeft bepaald wat godsdienst of levensbeschouwing is.
Een meer objectiverende uitleg van de grondwettelijke term richting vinden we in de jurisprudentie over de subsidiëring van het leerlingenvervoer. Daarin is gesteld dat godsdienst en levensbeschouwing moeten doorwerken op ‘alle terreinen van het leven’ willen ze erkend kunnen worden als richting. Deze eis lijkt de rechter (de Kroon) autonoom te hebben gedefinieerd. Hij verwijst hiervoor niet naar opvattingen van derden of de wetsgeschiedenis. Ook wordt in deze jurisprudentie de eis gesteld dat er pas sprake is van richting wanneer een godsdienstige of levensbeschouwelijke stroming zich breed in de maatschappij bekend heeft gemaakt (geopenbaard). Deze aanscherping van het begrip richting is eveneens een autonome definitie. Ook hier verwijst de rechter niet naar opvattingen van derden of de wetsgeschiedenis.
Behalve dat de rechter in de jurisprudentie over de subsidiëring van het leerlingenvervoer de term richting heeft geobjectiveerd door middel van autonome definiëring heeft hij de term richting ook geobjectiveerd door zijn wijze van kwalificeren. Om te bepalen of een richtingsbezwaar tegen de meer nabijgelegen school kan worden gekwalificeerd als een bezwaar op grond van godsdienst of levensbeschouwing hanteert de rechter een objectiverende kwalificatie. Hij toetst aan de hand van maatstaven die liggen buiten het rechtssubject (de ouders) of het bezwaar gekwalificeerd kan worden als een richtingsbezwaar. In de wat minder recente jurisprudentie wordt door de rechter getoetst aan de statuten van de betreffende scholen. Hij vergeleek daarbij de statuten van de gewenste school van de ouders met de dichtstbijzijnde school. Problematisch hieraan was dat een dergelijke toets op gespannen voet staat met het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid aangezien het bevoegd gezag van de scholen de aangewezen instantie is om de statuten, en de daarin neergelegde grondslag, uit te leggen en niet de rechter. De laatste jaren zijn er enkele zaken waarin de rechter als objectieve maatstaf de registratie in een landelijk register genaamd BRIN gebruikt. Het voordeel hiervan is dat register uitgaat van de richting van een school zoals die door het bevoegde gezag van een school wordt uitgelegd.
Ook in de wetsgeschiedenis en jurisprudentie in het kader van de Leerplichtwet 1969 treffen we een meer objectiverende uitleg van de grondwettelijke term richting. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de term een redelijk statisch of vaststaand karakter heeft: wanneer een kind eenmaal is ingeschreven bij een school van een bepaalde richting, dan kunnen de ouders of verzorgers achteraf geen bezwaar meer maken tegen de richting van die school. Deze benadering getuigt niet van een subjectiverende uitleg van de term richting omdat er geen rekening wordt gehouden met eventuele bekeringen van of veranderingen in geloofsopvattingen van de ouders.
In de jurisprudentie over richtingsbezwaren tegen de leerplicht is de grondwettelijke term richting eveneens geobjectiveerd. Hierin wordt ten eerste expliciet gesteld dat het begrip richting alleen godsdienst en levensovertuiging dekt. Ten tweede is in deze jurisprudentie bepaald dat richtingsbezwaren alleen betrekking kunnen hebben op ‘welbepaalde’ godsdiensten of levensbeschouwingen. Deze duiding (‘welbepaalde’) van de term richting berust op een autonome definiëring van de term richting door de rechter en maakt het voor de rechter mogelijk om onduidelijke geloofs- en levensbeschouwelijke opvattingen niet te erkennen als richting in de zin van richtingsbezwaar. Hierbij kan men aantekenen dat de term ‘welbepaald’ een vage term is die de rechter de ruimte geeft om richtingsbezwaren niet als zodanig te erkennen. Opmerkelijk is dat in de jurisprudentie over de richtingsbezwaren tegen de leerplicht maar weinig bedenkingen van ouders ook daadwerkelijk als richtingsbezwaren worden gekwalificeerd. De meeste procedures stranden omdat niet is voldaan aan formele of procedurele vereisten. Het bezwaar is dan bijvoorbeeld niet gericht tegen de richting van een concrete school. De rechter komt dan niet toe aan de kwalificatievraag.
Ten slotte is de grondwettelijke term richting in de wetsgeschiedenis en jurisprudentie over de oprichting van bijzondere scholen geobjectiveerd. In de periode direct na de inwerkingtreding van de Grondwet van 1917 speelde de term ‘richting’ bij de oprichting van een bijzondere school geen rol. In tegenstelling tot de huidige wetgeving was het geen vereiste dat een bijzondere school bij de oprichting een bepaalde richting had. Pas later gold dat de bijzondere school diende uit te gaan van een bepaalde richting. Deze eis is door de huidige wetgever neergelegd in de WPO en de WVO. In de literatuur stelt men dat de wetgever met het begrip richting een erkende richting bedoelt. Dat wil zeggen dat de staat in de persoon van de minister (of staatssecretaris) of de bestuursrechter deze richting heeft erkend. Op dit moment zijn de volgende richtingen door de minister of de rechter erkend: rooms-katholiek, algemeen christelijk, evangelisch, gereformeerd, protestants-christelijk, reformatorisch, de richting van de evangelische broedergemeente, joods, islamitisch, hindoeïstisch, antroposofisch, algemeen bijzonder, en humanistisch. Uit de recentere jurisprudentie over de oprichting van bijzondere scholen blijkt dat men sinds kort ook een school kan oprichten op basis van een combinatie van richtingen. Wel moet dan aan de eis worden voldaan dat de belangstelling voor de ene richting opgeteld bij de belangstelling voor de andere richting een totaal oplevert dat representatief is voor de belangstelling voor een combinatie van die twee richtingen.
Behalve dat gesteld kan worden dat het richtingbegrip in het kader van de oprichting van bijzondere scholen is geobjectiveerd door middel van objectiverende definities in de wetsgeschiedenis en jurisprudentie, kan ook worden gesteld dat de rechter het richtingbegrip heeft geobjectiveerd door zijn wijze van kwalificeren. Meestal zijn de statuten en de verklaringen van het bevoegd gezag voor de rechter (d.i. een subjectiverende kwalificatie) niet voldoende om de geestelijke stroming als een richting te kwalificeren. In plaats daarvan wordt er wisselend een meer autonome of objectiverende wijze van kwalificeren gehanteerd. In de wat oudere zaken treffen we vaker een autonome kwalificatiewijze dan in de recentere. Daarin kwalificeert de rechter vaker objectiverend. Hij maakt dan gebruik van deskundigenadviezen, waaronder het advies van de Onderwijsraad, of laat zich adviseren door vertegenwoordigers van bepaalde geestelijke stromingen.