Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.3.9
11.3.9 Geen aanspraak op toepassing van de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491480:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
De objectvrijstelling is inleidend besproken in onderdeel 11.3.7.
Bij de werkzaamhedentoets wordt, kort gezegd, beoordeeld of de buitenlandse onderneming voldoende actief is (art. 15g, lid 1, onderdeel a en lid 2 Wet VPB 1969). Bij de onderworpenheidstoets wordt bekeken of de winst uit de buitenlandse onderneming is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing (art. 15g, lid 1, onderdeel b, Wet VPB 1969).
Boulogne & Brandsma 2019, onderdeel 3.4.3.1, p. 51, vermelden ten onrechte dat een fiscaal gefaciliteerde afsplitsing slechts mogelijk is op verzoek en onder het stellen van nadere voorwaarden (art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969) ingeval de afsplitsende rechtspersoon een aanspraak heeft op toepassing van de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten.
Zie ook Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, p. 85.
De objectvrijstelling1 voor buitenlandse ondernemingswinsten geldt niet voor winst uit een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming, tenzij die winst op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting in aanmerking komt voor een vrijstelling.2 Van een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming is sprake indien niet aan de werkzaamhedentoets én niet aan de onderworpenheidstoets is voldaan.3 In dergelijke situaties is de buitenlandse ondernemingswinst onderdeel van de belastbare winst in Nederland. Vervolgens wordt ter voorkoming van dubbele belasting een verrekening verleend.4 Door de gehanteerde limieten kan het gebeuren dat in een bepaald jaar niet het volledige bedrag aan (forfaitaire) buitenlandse winstbelasting kan worden verrekend. Het onverrekende bedrag wordt dan overgebracht naar het volgende jaar (voortwentelingsregeling).5 De belastingplichtige heeft dan een aanspraak op toepassing van de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten. De toegang tot de wettelijke doorschuifregeling van art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 is geblokkeerd als zo’n aanspraak aanwezig is bij de zuivere splitser en/of de verkrijger(s).6 Een fiscaal gefaciliteerde splitsing is dan uitsluitend mogelijk op verzoek als bedoeld in art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969.7 Ik verwijs verder naar mijn analyse in onderdeel 11.3.8, die hier mutatis mutandis geldt.