Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.6.1
5.6.1 Inleiding
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655870:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het eigenschuldleerstuk uitgebreid Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 107 e.v. met verdere verwijzingen.
Zie over de schadebeperkingsplicht Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 125-127 met verdere verwijzingen.
Zie § 7.3.2 respectievelijk § 7.4.3-§ 7.4.4.
Uit het arrest HR 26 september 2003, NJ 2004/460, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2004/461 (Regiopolitie Gelderland-Zuid/Hovax), r.o. 5.2-5.3 volgt dat de rechter art. 6:101 BW in beginsel niet ambtshalve mag toepassen.
Dat de stelplicht en – bij betwisting – de bewijslast voor het eigenschuldverweer op de gedaagde rust, is vaste rechtspraak, zie onder meer HR 14 januari 1983, NJ 1983/444; HR 5 oktober 2001, NJ 2001/632; HR 26 september 2003, NJ 2004/460, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2004/461; HR 25 november 2005, NJ 2007/141, m.nt. C.J.H. Brunner; HR 17 november 2006, JA 2007/59, m.nt. W.H. Bouman; HR 10 juni 2010, NJ 2010/333; HR 8 juli 2011, NJ 2011/307.
Als de aansprakelijkheid en (de omvang van) de rechtens toerekenbare koersschade eenmaal zijn vastgesteld, kan de aangesproken vennootschap alleen nog het eigenschuldverweer (art. 6:101 BW) in stelling brengen om haar schadevergoedingsverplichting te verminderen. In deze paragraaf zal ik ingaan op de relevantie van dit verweer voor de aansprakelijkheid voor misleidende berichtgeving op de beurs. Dit zal ik doen door een aantal eigenschuldverweren die men in dit verband nogal eens tegenkomt, te behandelen en analyseren. Per verweer zal ik bespreken of, en zo ja, onder welke omstandigheden, het naar mijn oordeel kansrijk kan worden geacht, en voor zover relevant zal ik tevens bespreken of het desbetreffende verweer eventueel ook in een andere juridische sleutel kan staan dan de eigen schuld.
Ik heb twee opmerkingen vooraf. Ten eerste wijs ik erop dat – zoals bekend – het eigenschuldleerstuk zich dogmatisch onderscheiden in enerzijds eigen schuld aan het ontstaan van de schade en anderzijds eigen schuld aan de omvang van de schade.1 Bij dit laatste gaat het om de zogenoemde schadebeperkingsplicht.2 De hierna te bespreken eigenschuldverweren hebben alle betrekking op de eerstgenoemde vorm van eigen schuld. De schadebeperkingsplicht zou in de context van misleidende beursberichten eventueel van belang kunnen zijn in het scenario waarin de misleiding door verschillende opeenvolgende corrigerende mededelingen stapsgewijs naar buiten is gekomen en waarin uit de latere mededelingen bleek dat de omvang van de misleiding groter was dan aanvankelijk werd gedacht, of in het scenario waarin de corrigerende mededeling een paniekreactie tot gevolg had, en de belegger zijn aandeel (‘in paniek’) tegen een kunstmatig lage koers heeft verkocht. Deze scenario’s komen beide aan bod in hoofdstuk 7.3 Daarnaast heb ik nog een opmerking van processuele aard. Volgens vaste rechtspraak is het aan de aansprakelijke persoon of rechtspersoon om een beroep te doen op de eigen schuld van de benadeelde,4 en om de daartoe strekkende feiten en omstandigheden te stellen en – bij betwisting – te bewijzen.5 Voor alle hierna te bespreken gevallen geldt dus dat wanneer de relevante feiten en omstandigheden niet in rechte komen vast te staan, het bewijsrisico zich aan de kant van de vennootschap realiseert.