Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.3.1:5.3.1 Inleiding
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.3.1
5.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946158:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk staan de beperkingen die de regeling van klachtdelicten met zich brengt voor de vervolgingsvrijheid van het openbaar ministerie centraal. Met het oog daarop is hiervoor uiteengezet hoe de rechtsfiguur van het klachtvereiste zich verhoudt tot het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. Daarbij kwam reeds aan bod dat dit publiekrechtelijke karakter er mede uit bestaat dat vervolging van overheidswege plaatsheeft. In de Nederlandse strafwetgeving vindt dit aspect zijn neerslag in de in art. 124 Wet RO aan het openbaar ministerie toebedeelde taak om strafbare feiten te vervolgen. In dit verband wordt veelal gerefereerd aan het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie: het exclusieve recht om strafzaken aan de strafrechter voor te leggen. De vraag is nu hoe dit vervolgingsmonopolie zich verhoudt tot de aan klachtdelicten inherente omstandigheid dat het initiatief om te kunnen komen tot vervolging steeds moet komen vanuit een door het feit getroffen klachtgerechtigde.
Ter beantwoording van die vraag wordt in het navolgende eerst onderzocht hoe het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie tot stand is gekomen en hoe dit wettelijk is ingekaderd. Daaropvolgend wordt geinventariseerd welke rechtsregels leiden tot uitzonderingen op het uitgangspunt dat het openbaar ministerie vervolgt en welke rechtsregels (de beslissingsruimte in relatie tot) het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie begrenzen. Ook gaat kort aandacht uit naar de invloed die een slachtoffer kan hebben op de vervolging en op de beslissing daartoe over te gaan in de nabijgelegen landen Frankrijk, België en Duitsland. Die landen kennen immers allemaal een rechtsfiguur die vergelijkbaar is met het Nederlandse klachtvereiste, maar voorzien daarnaast – via onder meer de Franse citation directe en de Duitse privatklage – ook in mogelijkheden voor het slachtoffer om de vervolging of de beslissing daartoe te beïnvloeden die het Nederlandse strafrecht niet kent. Ter afsluiting wordt nader belicht hoe het recht van het openbaar ministerie om strafbare feiten te vervolgen zich verhoudt tot het bijzondere recht van een klachtgerechtigde om vervolging van klachtdelicten te blokkeren.