Levering en verpanding van toekomstige goederen
Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.3.2.2:5.3.2.2 Eisen aan de akte
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.3.2.2
5.3.2.2 Eisen aan de akte
Documentgegevens:
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS474396:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 395, onder verwijzing naar HR 30 november 1956, NJ 1957/81. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/258.
Vgl. HR 29 juni 2001, NJ 2001/662, m.nt. W.M. Kleijn (Meijs q.q./Bank of Tokyo-Mitsubishi) en art. 3:33 jo. 3:35 BW. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/ 257.
Vgl. HR 29 juni 2001, NJ 2001/662, m.nt. W.M. Kleijn (Meijs q.q./Bank of Tokyo-Mitsubishi).
Vgl. HR 16 mei 2003, NJ 2004/183, m.nt. W.M. Kleijn (De Liser de Morsain/ Rabobank).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
197. Aan de akte worden geen strenge eisen gesteld. Voldoende is een door de vervreemder ondertekende onderhandse akte strekkende tot cessie.1 De akte moet aldus bestemd zijn tot cessie van de erin aangeduide vorderingen. Een tot overdracht strekkende verklaring van de cessionaris hoeft echter niet met zoveel woorden in de akte te zijn opgenomen. Het is voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel in onderling verband en samenhang met andere akten of andere feiten, kan worden vastgesteld dat de akte is bestemd tot cessie. Beslissend is of de cessionaris redelijkerwijs uit de akte heeft mogen begrijpen dat zij tot overdracht was bestemd.2Art. 3:94 lid 1 BW vereist niet dat de cessieakte de titel voor de verpanding moet inhouden of een verklaring van de pandhouder dat hij de levering aanvaardt.3 Voor de bepaling van de (overige) inhoud van de pandakte komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf).4