Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/15.5.1:15.5.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/15.5.1
15.5.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455208:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar aanleiding van de ANBI-regeling kunnen giften aan kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen worden afgetrokken van de inkomstenbelasting (artikel 6.33 Wet inkomstenbelasting 2001) en geldt voor kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen dat zij als ontvanger van schenkingen en erfenissen zijn vrijgesteld van de schenk- en erfbelasting. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat kerkelijke instellingen deze vrijstellingen eerder genoten omdat ze kerkelijke instellingen waren. Wanneer uit de doelstelling van een instelling bleek dat ze godsdienstig of levensbeschouwelijk was, werd hier in het kader van de ANBI-status in beginsel van uit gegaan. In 2003 veranderde dit. Vanaf toen moesten de doelstellingen en de activiteiten getoetst worden op hun algemeen belang. Godsdienst telt in beginsel als zaak van algemeen belang. De uitzondering hierop is wanneer godsdienst of levensbeschouwing commercieel van aard is. Over het algemeen is het dus zo dat de kwalificatie van de doelstelling en activiteiten van een instelling als godsdienst ook betekent dat deze activiteiten het algemeen belang dienen. De rechter probeert in veel gevallen de doelstelling en de activiteiten van de instelling in een objectief kader te plaatsen. Dit kan expliciet gebeuren door het inroepen van hulp van deskundigen maar ook impliciet door de vergelijking te maken met de activiteiten van de meer traditionele kerkelijke instellingen. In sommige gevallen is niet duidelijk waarop de rechter zijn kwalificatie baseert.
De conclusie kan worden getrokken dat deze ontwikkeling een verschuiving betekende van een situatie waarin activiteiten op grond van de religieuze doelstelling als vanzelf werden gekwalificeerd als religieus naar een situatie waarin deze activiteiten slechts als religieus worden gekwalificeerd indien ook daadwerkelijk kan worden aangetoond dat ze religieus zijn. Er kan daarom worden gesteld dat er ten aanzien van de ANBI-status van kerkgenootschappen een objectief begrip van godsdienst wordt gehanteerd.