Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.1:21.1 Inleiding
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.1
21.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452805:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hierna noem ik (net als in de rest van het proefschrift) levensovertuiging niet meer voortdurend als aparte categorie. Zie ook 1.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit proefschrift is het juridische begrip van godsdienst geanalyseerd en vanuit een politiek-filosofisch perspectief nader geduid. Ter afsluiting beantwoord ik op grond van de resultaten van dit onderzoek de vraag welk begrip van godsdienst of levensovertuiging1 het recht zou moeten hanteren. Mijn voorstel is om voortaan uitsluitend de subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst te hanteren. Dat wil zeggen dat het rechtssubject op basis van zijn eigen opvattingen mag bepalen wat telt als godsdienst(ig) en dat deze uitleg juridisch doorslaggevend is. Dat de subjectiverende uitleg is te prefereren beargumenteer ik aan de hand van voor- en nadelen van de perspectieven op het godsdienstbegrip in de verschillende door mij onderscheiden politiek-filosofische idealen. Als reactie op de mogelijke kritiek op een subjectiverende uitleg stel ik ten eerste voor om een dergelijke subjectiverende uitleg te laten samengaan met minimale objectieve randvoorwaarden. Ten tweede pleit ik ervoor om een strengere oprechtheidstoets in te voeren op basis waarvan onechte religieuze claims gemakkelijker kunnen worden doorzien. Ten derde beveel ik aan dat er bij elk afzonderlijk recht met een religieus object (dus rechten naast artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM, veelal opgenomen in wetten in formele zin) een beperkingsclausule moet worden opgenomen. Met het opnemen van een beperkingsclausule krijgt de rechter meer ruimte om zelfdefinitie van het rechtssubject toe te staan omdat zijn kwalificatie dan niet direct gevolgen heeft in de zin dat aan een claim zonder meer rechten worden verbonden: er is immers altijd nog een belangenafweging mogelijk.