FED 2023/61
De gedeeltelijke vrijval van een pensioenverplichting als gevolg van het waarderingsvoorschrift van art. 3.29 Wet IB 2001 levert geen schending op van art. 1 Protocol 1 EVRM.
HR 17-03-2023, ECLI:NL:HR:2023:324, m.nt. prof. mr. G.T.K. Meussen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17 maart 2023
- Magistraten
Mrs. Van Hilten, Punt, Fierstra, Faase, Cools
- Zaaknummer
20/02644
- Conclusie
A-G Wattel
- Noot
prof. mr. G.T.K. Meussen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS701054:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Pensioenen / Pensioensystematiek
Inkomstenbelasting / Winst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:324, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑03‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑03‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:125, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑01‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:137, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑01‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:70, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑01‑2023
- Wetingang
Samenvatting
Op basis van een afspraak met de Inspecteur werd de pensioenverplichting tot de pensioeningangsdatum bepaald op commerciële grondslagen, met inachtneming van een rekenrente van 2,57 procent en leeftijdscorrecties, maar moest deze per ingangsdatum worden bepaald op fiscale grondslagen ex art. 3.29 Wet IB 2001 (juncto art. 8 lid 1 Wet VPB 1969), met inachtneming van een rekenrente van 4 procent zonder leeftijdscorrecties. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.