HR, 17-03-2023, nr. 20/02644
20/02644
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-03-2023
- Zaaknummer
20/02644
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:324, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑03‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2020:1923
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:70
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:137
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑03‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:125, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑01‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:421
ECLI:NL:PHR:2023:137, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑01‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:421
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:324
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:425
ECLI:NL:PHR:2023:70, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑01‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:324
- Vindplaatsen
V-N 2023/14.6 met annotatie van Redactie
NLF 2023/0911 met annotatie van Alexander Groen
FED 2023/61 met annotatie van G.T.K. MEUSSEN
NTFR 2023/474 met annotatie van mr. drs. S. Oosterbaan
BNB 2023/84 met annotatie van A.O. LUBBERS
Sdu Nieuws Belastingzaken 2023/246
Viditax (FutD) 2023031701
FutD 2023-0703
NTFR 2023/224
NLF 2023/0343 met annotatie van Alexander Groen
SR-Updates.nl 2023-0039
Viditax (FutD) 2023020306
FutD 2023-0348
NLF 2023/0342 met annotatie van Alexander Groen
NTFR 2023/580
NTFR 2023/223 met annotatie van MR. E. ALINK
NLF 2023/0345 met annotatie van Alexander Groen
Viditax (FutD) 2023020306
FutD 2023-0348
Uitspraak 17‑03‑2023
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/02644
Datum 17 maart 2023
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2020, nr. 19/000601., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 17/1087) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2014 opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 16 januari 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1.1 Belanghebbende houdt alle aandelen in een besloten vennootschap waarmee zij een fiscale eenheid vormt als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb).
2.1.2 Op 31 december 2013 heeft belanghebbende haar pensioenverplichting jegens haar bestuurder en enig aandeelhouder (hierna: de dga) en diens echtgenote overgedragen aan haar hiervoor bedoelde dochtervennootschap (hierna: Pensioen BV) tegen een commerciële waarde van € 2.000.585. Het pensioen is op 1 januari 2014 ingegaan.
2.1.3 Op basis van een afspraak met de Inspecteur (door het Hof vermeld in 2.4 van zijn uitspraak) werd de pensioenverplichting tot de pensioeningangsdatum bepaald op commerciële grondslagen, met inachtneming van een rekenrente van 2,57 procent en leeftijdscorrecties, maar moest deze per ingangsdatum worden bepaald op fiscale grondslagen, met inachtneming van een rekenrente van 4 procent zonder leeftijdscorrecties. In overeenstemming hiermee is de pensioenverplichting zowel in de commerciële als in de fiscale jaarrekening voor 2014 van Pensioen BV per 31 december 2013 gewaardeerd op € 2.000.585 en per 31 december 2014 op € 1.583.570.In een – na oplegging van de primitieve aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 gedane – aangifte voor de vennootschapsbelasting voor datzelfde jaar heeft belanghebbende de pensioenverplichting gewaardeerd op de hiervoor vermelde waarden, hetgeen resulteerde in een belaste vrijval van een deel van de pensioenverplichting. De Inspecteur heeft de onderhavige navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 overeenkomstig die aangifte vastgesteld.
2.2.1 Voor het Hof was in geschil of de pensioenverplichting moet worden gewaardeerd naar de maatstaven van artikel 3.29 Wet IB 2001 in samenhang gelezen met artikel 8 van de Wet Vpb dan wel naar actuariële maatstaven. Volgens belanghebbende mag de pensioenverplichting per 31 december 2014 met gebruikmaking van een actuariële rekenrente van 2,288 procent worden gewaardeerd op € 2.193.001.Indien de pensioenverplichting naar de hiervoor bedoelde fiscale maatstaven moet worden gewaardeerd, was in geschil of deze waardering in strijd is met het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP) beschermde recht op het ongestoord genot van eigendom.
2.2.2 Het Hof heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3082, allereerst geoordeeld dat het waarderingsvoorschrift van artikel 3.29 Wet IB 2001 niet wegens strijd met goed koopmansgebruik buiten toepassing moet blijven, of dat die bepaling anders dan grammaticaal moet worden uitgelegd, hoezeer ook toepassing van een rekenrente van 4 procent voor het onderhavige jaar indruist tegen het realiteitsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel.
2.2.3 Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat het in artikel 3.29 Wet IB 2001 opgenomen voorschrift dat bij de waardering van pensioenverplichtingen een rekenrente van ten minste 4 procent in aanmerking wordt genomen, niet in strijd komt met artikel 1 EP.
3. Beoordeling van de klachten
3.1
De klachten stellen onder meer aan de orde of het waarderingsvoorschrift van artikel 3.29 Wet IB 2001 in strijd is met artikel 1 EP. Zij betogen in wezen dat de belaste gedeeltelijke vrijval van de pensioenverplichting onevenredig is omdat deze het belanghebbende onmogelijk maakt om aan haar pensioenverplichtingen te voldoen. De na de vrijval resterende onderwaardering van de pensioenverplichtingen op de fiscale balans leidt volgens deze klachten tot aantasting van een eigendom (existing possession) of van een gerechtvaardigde verwachting (legitimate expectation) van belanghebbende of van de dga.
3.2.1
Bij de vraag of artikel 1 EP is geschonden, moet in de eerste plaats worden beoordeeld of het ingeroepen recht een eigendom (existing possession) of een gerechtvaardigde verwachting (legitimate expectation) is en zo ja, of inbreuk op die eigendom of die verwachting is gemaakt. Is dat het geval, dan moet vervolgens worden beoordeeld of die inbreuk is voorzien bij de wet (lawful) en een gerechtvaardigd doel in het algemeen belang nastreeft (legitimate aim), en ten slotte of een redelijk evenwicht (fair balance) is getroffen tussen het met de inbreuk nagestreefde doel en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu.
3.2.2
De Advocaat-Generaal heeft in de onderdelen 4.12 tot en met 4.15 van zijn conclusie uiteengezet waarom de fiscale onderwaardering van een pensioenverplichting niet een inbreuk maakt op een eigendom of een gerechtvaardigde verwachting, en daarom verschilt van de situatie die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.Uit die uiteenzetting volgt dat in een geval zoals dat van belanghebbende niet is voldaan aan het vereiste van het bestaan van een eigendom of een gerechtvaardigde verwachting in de zin van artikel 1 EP. De klachten falen in zoverre.
3.3
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑03‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:70 met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:137.
Beroepschrift 17‑03‑2023
[X] BV
Cassatiegronden
[X] BV (hierna BV) heeft cassatieberoep aangetekend tegen de uitspraak van het Hof Amsterdam, kenmerk 19/00060 van 7 juli 2020 aan haar toegezonden op 14 juli 2020.
[A] BV (hierna pensioen-BV), fiscaal gevoegd met BV, heeft van BV een pensioenverplichting overgenomen voor een bedrag ter grootte van de actuarieel bepaalde, commerciële waarde van deze verplichting.
Per ultimo 2014 is de commerciële waarde van die verplichting €2.193.001.
De fiscus ziet zich genoodzaakt deze verplichting voor de heffing van vennootschapsbelasting te waarderen op € 1.583.570.
Pensioen BV acht zich door de daarmee samenhangende, louter fiscale, winstneming in haar vermogen aangetast.
BV heeft bezwaar aangetekend met een beroep op het eigendomsgrondrecht in de zin van artikel 1 EP-EVRM.
De rechtbank te Haarlem heeft dit beroep afgewezen.
In hoger beroep heeft het Hof te Amsterdam het vonnis van de rechtbank in stand gelaten
BV legt zich bij deze afwijzingen niet neer en voert in cassatieberoep de volgende gronden aan:
Cassatiegronden
Schending van het recht en/of verzuim van vormen door de overweging van het Hof dat het oordeel van de rechtbank een toepassing van de foutenleer inhoudt.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen door onjuiste toepassing van het bepaalde in artikel 1EP-EVRM:
- A.
Door het oordeel dat artikel 3.29 Wet IB 2001 geen schending van artikel 1EP-EVRM op regelniveau inhoudt, dan wel door aan zodanige schending voor BV geen consequenties te verbinden;
- B.1.
Door te oordelen dat een ‘individuele en buitensporige’ last zich alleen voordoet als deze last zich ten aanzien van pensioen-BV sterker laat gevoelen dan in het algemeen;
- B.2.
Door te oordelen dat de aanwezigheid van zo'n last moet worden beoordeeld op niveau van de fiscale eenheid;
- B.3.
Door te oordelen dat de belastinglast die zich in 2014 manifesteert niet uitsluitend betrekking heeft op de jaarwinst uit 2014 maar grotendeels is ontstaan door (beweerdelijke) toepassing van de foutenleer en daarom niet buitensporig is;
samenvattend dat BV niet aannemelijk heeft gemaakt dat toepassing van artikel 3.29 resulteert in een disproportionele last.
Ter aanvulling merkt BV het volgende op.
1. Foutenleer
Het Hof maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne en stelt vast dat het oordeel van de rechtbank inhoudt dat een fout in de waardering van een balanspost op de balans van 31 december 2013, met toepassing van de foutenleer, in 2014 wordt gecorrigeerd. Zie onderdeel 5.5.2.van de desbetreffende uitspraak.
Dit onderdeel van zijn beoordeling is nieuw en staat buiten geschil. De rechtbank noemt de foutenleer niet. Overigens is van een fout in de zin van de foutenleer geen sprake gezien een afspraak met de belastingdienst.
De overweging van het Hof doet geen recht aan afspraken tussen de diverse maatschappen van EY Nederland en de fiscus, waarin is gekozen voor een open regeling, i.e. de vorming van een premiepot, leidend tot een voor pensioenuitkering beschikbaar bedrag, dat eerst bij ingangsdatum naar pensioenmaatstaven wordt gewaardeerd.
Aanleiding tot deze, praktische, uitwerking was de invoering van een gebruikelijk-loonmaatstaf voor DGA's in 1997.
Onder deze afspraak werd de maten van de diverse maatschappen, die destijds onder de paraplu van EY Nederland functioneerden, ruimte gelaten binnen een met de fiscus overeengekomen bandbreedte voor hun DGA jaarlijks een eigen salarisomvang vast te stellen.
Uitvloeisel daarvan was onder meer dat de pensioenaanspraak in geld eenvoudigweg werd bepaald op een naar gangbare pensioenregels gekozen percentage van dat salaris, uiteindelijk leidend tot een ‘beschikbare-premiepot op pensioeningangsdatum’.
Dit soort afspraken met de fiscus waren in de jaren vóór 2017 zeker niet uitzonderlijk.
Met zijn referentie aan de foutenleer treedt het Hof buiten de rechtsstrijd van partijen, daargelaten dat de in casu gewraakte winstneming over de jaren heen per saldo op hetzelfde bedrag zou uitkomen.
2. Individuele last
Onder 5.8.4. geeft het Hof een interpretatie van het woord ‘individuele’ in de zinsnede ‘..individuele en buitensporige last’ onder verwijzing naar een arrest van Uw Raad in 2017.
Vooropgesteld zij dat het EHRM in dezen de woorden ‘fair balance’ gebruikt.
Wat is de draagwijdte van de woorden ‘individuele … last’ in dezen? Het lijkt er sterk op dat het Hof toetst of pensioen-BV in artikel-1EP-EVRM-verband op specifieke feiten kan wijzen die zich onder ‘gegeven omstandigheden’ wel bij pensioen-BV maar niet bij alle met haar vergelijkbare pensioen BV-en voordoen. Het valt zeer te betwijfelen of Uw Raad een dergelijke, algebraïsche, vergelijkingstoets voor ogen heeft gestaan (waaraan overigens per definitie zou worden voldaan omdat elk geval nu eenmaal ‘eigen feiten’ kent), dan wel veeleer heeft bedoeld dat collectieve buitensporigheid niet onder de paraplu van artikel 1EP-EVRM past. Overigens doet zich een wezenlijk onderscheidende omstandigheid in het voorliggende geval nadrukkelijk voor. Zie nader onder 4.
3. Vermogenspositie pensioen-BV of fiscale eenheid
Implicite weegt de rechtbank de aanslag op het vermogen van pensioen BV qua buitensporigheid af tegen het vermogen van de gehele fiscale eenheid. Het Hof doet deze afweging expliciet. In dit verband wordt verwezen naar een uitspraak van het Hof Den Haag en ook valt het woord ‘normadressaat’ (overweging 5.8.5.).
De redenering spreekt dezerzijds niet aan. Het verzoek om toepassing van een fiscale eenheid voor de heffing van vennootschapsbelasting is door beide comparanten in goed overleg gedaan en ziet ‘contractueel’ slechts op heffing en afdracht van vennootschapsbelasting, zijnde een belasting naar de winst, niet over vermogen.
Eenieder der betrokken vennootschappen behoudt daarnevens een eigen vermogenspositie en eigen contractuele verplichtingen.
Het is volledig onduidelijk waarom pensioen-BV door het verzoek om als een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting te worden behandeld haar eigendomsgrondrecht uit hoofde van artikel 1EP-EVRM aan BV zou hebben overgedragen, gesteld dat dit zou kunnen. Zie hieromtrent —bijvoorbeeld— het reeds door het Hof onder 5.8.4 genoemde arrest HR BNB 2017/115, overweging 3.4.
Overigens geeft de uitvoerige boutade van het Hof onder 5.8.7 —waarin de last voor pensioen-BV met behulp van de foutenleer wordt gereduceerd tot een meer aanvaardbaar bedrag in 2014— aan dat zonder toepassing van dit leerstuk de belastinglast voor pensioen-BV wel zeker buitensporig mag worden genoemd.
BV meent overigens ook dat de aanslag ten opzichte van haar vermogen als buitensporig moet worden beschouwd. Dit omdat in dezen de ‘balance’ tussen de positie van de overheid en die van BV bepaaldelijk is doorgeslagen, waarover nader onder 5.
Een ander aspect waaraan het Hof meerdere keren hint is de mogelijkheid dat in het verleden het 4%-discontoforfait zelfs voordelig voor BV kan zijn geweest. Als dat al het geval zou zijn dan is dat voor dit geschil niet relevant. Enerzijds omdat dit aspect buiten het geschil staat. Anderzijds omdat een forfait nu eenmaal als kenmerk heeft dat de fiscus zijn heffingsrecht tot op forfaitaire hoogte beperkt. Dit geeft als zodanig geen aanspraak op een soort van tegenprestatie als het forfait in het voordeel van de contribuabele uitwerkt. Dat is juist de achterliggende gedachte. Een inkomsten- of winstbelastingforfait behoort aan de veilige kant te zitten om aantasting van het eigendomsgrondrecht voor te zijn.
4. Wet uitfasering pensioen in eigen beheer
Onder 5.8.6. wijst het Hof op faciliteiten in bovenbedoelde belastingregelgeving en verbindt daaraan consequenties voor pensioen-BV.
Mogelijk doelt het Hof hier op de weergave van de feiten door de rechtbank onder punt 2.9. Het is derhalve van belang stil te staan bij die faciliteiten.
Daargelaten of het Hof in dezen het woord ‘individueel’ juist interpreteert (punt 2), zij erop gewezen dat in dit facilitair verband wel zeker sprake is van een bijzondere omstandigheid voor pensioen-BV in vergelijking met doorsnee BV-en met pensioenverplichtingen in eigen beheer.
Ter zake een citaat uit de MvT bij de desbetreffende wet
- a)
Met ingang van 1 januari 2017 is het niet langer mogelijk om nog fiscaal gefaciliteerd nieuwe pensioenaanspraken op te bouwen in eigen beheer (dus is het ook niet langer mogelijk om nog te doteren aan eventueel reeds in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken). (…)
- b)
De dga wordt gedurende een periode van drie jaar de mogelijkheid geboden zijn opgebouwde pensioenaanspraak af te kopen. Deze afkoopmogelijkheid betekent het volgende:
- —
De pensioenaanspraak wordt fiscaal geruisloos(cursiveringBV) (zonder loonbelasting, revisierente en vennootschapsbelasting) afgestempeld naar het niveau van de waarde van de pensioenverplichting op de balans voor de heffing van vennootschapsbelasting (fiscale waarde van de pensioenverplichting).
- —
Die fiscale waarde van de pensioenverplichting vóór de afstempeling vormt het uitgangspunt (de grondslag) voor de vaststelling van de grondslag van de loonbelasting die verschuldigd is ter zake van de afkoop, met dien verstande dat op deze grondslag een korting wordt verleend.
- —
Ter zake van de afkoop is geen revisierente verschuldigd.
- c)
…
De faciliteiten waarop het Hof doelt bestaan in hoofdzaak uit de hiervoor vermelde drie ‘aangestreepte’ zinsdelen.
Pensioen-BV wordt reeds in 2014 geconfronteerd met een belaste afwaardering in plaats van een ‘fiscaal geruisloze’ afstempeling. De hier bedoelde specifieke regeling was tijdens het onder de feiten aangehaalde gesprek op 15 augustus 2016 met de fiscus (nog) niet bekend. Pensioen-BV ondervindt door de geforceerde afwaardering van de pensioenverplichting in 2014 een disproportionele last. Een last die wordt veroorzaakt door het langdurig achterwege blijven van aanpassing van het discontoforfait. In dit verband zij verwezen naar de MvT bij bedoelde wet. Het is zonneklaar dat de daarin veronderstelde omvangrijke PEB-problemen goeddeels zijn terug te voeren op het uit de hand lopende verschil tussen de fiscale en werkelijke waardering van pensioenverplichtingen. In het bijzonder stelt de regering aan de orde dat de Staat in dit licht bezien het risico loopt dat geflatteerde (lees: ‘spook’)reserves als dividend worden uitgekeerd (belast met het lage ab-tarief). Daarenboven is er maatschappelijke onrust vanwege de uitgesproken dreiging, zijdens de fiscus, om oninbare en/of afgestempelde PEB-rechten ineens als zijnde afgekochte pensioenen grof te belasten. De regering stelt onomwonden vast dat er knelpunten zijn en dat deze dienen te worden weggenomen1..
Let wel:
‘noodzakelijkerwijs’. Dat daarbij BV-en als pensioen-BV met reeds ingegane pensioenen aan het korte eind trekken moge duidelijk zijn.
5. Eenmalige disproportionele last?
Onder 5.8.7 ontvouwt het Hof nogmaals een visie op de foutenleer naar aanleiding van zijn constatering dat de gestelde buitensporige last zich in 2014 zou dienen te manifesteren. De vraag rijst of een disproportionele last slechts in een kort tijdvak, bijvoorbeeld een kalenderjaar, kan worden vastgesteld. Aldus redenerend zou het de Europese Staten gegeven zijn het eigendomsgrondrecht van natuurlijke en rechtspersonen geleidelijk uit te hollen. De vergelijking met een kikker in een pan met water op het fornuis dringt zich op. Naar door menigeen wordt aangenomen blijft het dier zitten tot het gekookt is. Het klinkt afschrikwekkend. Het is afschrikwekkend.
En waarom zou dat rechtens zijn?
6. Lawfulness van forfaits
Van bruskering van het eigendomsgrondrecht is reeds sprake als de onderliggende wettelijke bepaling niet ‘lawful’ moet worden geacht. BV meent dat dit in casu het geval is en voert daartoe het volgende aan.
Er is in de gehele afweging rond het voorliggende discontoforfait nimmer een deugdelijke reden gegeven voor de invoering van dit percentage.
Toegegeven, ten tijde van de invoering,1995, was —gesteld dat een discontoforfait nuttig of nodig zou zijn— 4% te verdedigen.
Maar het is een forfait en de ‘lawfulness’ van een forfait hangt reeds in algemene zin samen (a) met een mogelijkheid tot tegenbewijs dan wel (b) de noodzaak van periodieke evaluatie.
Van oudsher is door machthebbers geheven door bij het doorlaten van goederentransport een deel van die goederen als tol op te eisen.
Analoog, bij ter beschikking gestelde grond voor landbouw en/of veeteelt, door een deel van de opbrengst te verlangen.
Ook na de opkomst van geld als ruilmiddel is dit in de kern niet anders. De ‘tol’ kan in geld worden voldaan maar het bedrag dient te worden afgewogen tegen de waarde van de opbrengst van de goederen of de grond.
Het gaat —klein voorbeeld— niet aan de boer die ervoor kiest tarwe uit te zaaien, te belasten naar de opbrengst van aardappelen die hij beter had kunnen verbouwen.
Het discontoforfait is —zoals betoogd in het beroepschrift aan het Hof— een voorloper van het box 3-forfait in de wet IB 2001. Bij de (latere) beraadslagingen over dit vermogensrenteforfait worden de bewindspersonen nadrukkelijk bevraagd. Er komt geen tegenbewijsregeling. In plaats daarvan doet de Minister van Financiën in de Staten-Generaal een toezegging. Mocht de marktrente dalen tot onder 4% dan geeft hij wel een staatsobligatie uit met een rente van ten minste 4%. Wellicht een toezegging waarvan de bewindspersoon dacht dat het nooit nodig zou zijn. En misschien dachten velen dat met hem.
Maar als het anders loopt en de relevante marktrente zakt onder 4% en deze en dergelijke beloften worden niet nagekomen? Wat dan? Dan ontstaat er alsnog een defect in de lawfulness van de betreffende wettelijke regel. Dan is het zonder meer noodzakelijk binnen afzienbare tijd te komen met een bijstelling. De uitfaseringswet-hoe verrassend ook qua oplossingsmethodiek- komt veel te laat.
Het spreekt voor zich dat de gemiddelde spaarder zich met het vermogensrenteforfait had kunnen verenigen als Financiën in dit opzicht had ‘geleverd’, dat wil zeggen: door 4%-obligaties aan te bieden.
Een en ander geldt te meer2. voor pensioenplichtigen, van wie mag worden verlangd in het belang van de gerechtigden onverantwoord beleggingsrisico te mijden. Dat wil zeggen: op de eerste plaats pensioengelden beleggen in woonlandstaatsschuld.
De belofte is echter niet waargemaakt. Daar zijn mogelijk redenen te bedenken, maar allereerst is de vraag: waarom wordt het forfaitair percentage zo langdurig niet aan veranderende omstandigheden aangepast? Het Hof wijst op mogelijke renteschommelingen, die voor BV mogelijk voordelig zouden kunnen zijn geweest. Naar men mag aannemen doelt het Hof op de periode vóór invoering van de euro. Is dat anno 2014 werkelijk nog van belang? De rentestand —zoveel is zeker— is niet te manipuleren door de individuele belastingplichtige. Maar wel door de EU, zoals we dat in de jaren na 2001 hebben gezien.
Is de aanpassing van zo'n forfaitair percentage nu heel moeilijk? Helemaal niet. In allerlei andere geledingen doet onze overheid het al wel. Is het dan onvoordelig? Ja, voor de schatkist. Is dit onaangepaste percentage dan nog ‘lawful’? Naar dezerzijdse mening niet.
Zou het lawful zijn, dan rijst vervolgens de vraag is het ‘evenwichtig’? Letterlijk zeker niet. De woorden ‘fair balance’ worden door Uw Raad nader geduid aan de hand van het woord ‘proportioneel’. Een begrip dat aangeeft dat Uw Raad het wederzijds belang bij de beslissing niet één op één afweegt, maar rekening houdt met partijdige omstandigheden in breder verband.
Wat is binnen afzienbare tijd in dit verband. Wat is redelijk? Wat niet redelijk is, is een financiële crisis in 2008 met als uitvloeisel daarvan een spectaculaire, voortdurende daling van de rente op Nederlandse staatsschuld en het desalniettemin stug handhaven van een dubieus discontoforfait.
Wat niet aangaat is een budgettair argument in 2013 (verwijzend naar een budgettaire derving van € 10 miljard in totaal en € 950 miljoen in het eerste jaar, bij waardering van pensioenen op commerciële basis). Anno heden (2020) is de burgerij op TV getuige van de uitgifte van een staatslening door het Departement van Financiën waarbij dit bedrag (let wel niet 950 miljoen maar 10 miljard) binnen twintig minuten wordt opgehaald. Met rente toe! Dat was ook in 2014 —zonder veel meer inspanning en voor weinig hogere ‘kosten’— mogelijk geweest.
Dan rijst de vraag hoe deze cijfers nader moeten worden beschouwd. Het gaat in het eerste jaar dus (bij een vpb-tarief) van 25% om zo'n 4* 950 miljoen = € 3,8 miljard aan ‘spookwinst’. Een fair balance houdt in dat bedrag af te zetten tegen de aanslag op het vermogen van de onderliggende BV-en.
Zij moeten dat bedrag opbrengen. Met -in het geval van pensioen-BV — het gevolg dat haar aandeel daarin praktisch gesproken definitief teloor gaat omdat —te langen leste— door wetswijziging in 2016 het ‘probleem’wordt opgelost.
Is dit staatsbelang proportioneel in lijn met het nadeel voor pensioen-BV of zelfs BV? Waarom zou de rechter in dit verband niet meewegen wat de rentekosten zijn voor de Staat om dit bedrag te lenen tegenover wat het pensioen-BV kost om haar aandeel in het litigieuze vennootschapsbelastingbedrag, maar even ‘voor te schieten’.
Dat de heffing van vennootschapsbelasting in het algemeen belang is wordt dezerzijds niet ontkend. De heffing ware wel in een maatschappelijk perspectief te bezien. Wat de fiscale jaarrekening betreft is de vraag of hier sprake is van ‘gebruik van een goede koopman’ of van ‘goed gebruik’ in de koopmanspraktijk.
Het ontbrekende streepje tussen de woorden goed en koopmansgebruik wijst op de tweede duiding. De beslissingen van Uw Raad laten echter ruimte voor een andere lezing: de (jaar)cijfers dienen te worden opgesteld zoals het een goede, dat wil zeggen deugdzame koopman betaamt. Naar behoren. Zulks is van belang niet zozeer jegens de fiscus maar meer nog in het economisch verkeer, dat wil zeggen in relatie tot al degenen met wie de ‘koopman’ contracteert.
Aldus waren BV-en, die in de jaren vóór 2017 een koopsom accepteren voor de overname van een DGApensioenverplichting, gehouden alle rechthebbenden te informeren over het feit dat deze koopsom zo ongeveer direct voor een belangrijk deel (in casu meer dan een kwart op contractsdatum) door de fiscus als winst wordt beschouwd en dienovereenkomstig belast. De PEB-uitfaseringsregeling van 2016 heeft nogmaals onderstreept hoe groot die kring kan zijn.
Niet alleen de directeur: ook echtgenoten en ex-echtgenoten en jonge kinderen horen daartoe.
De feiten wijzen uit dat pensioen-BV aan het eind van ‘belastingjaar’ 2014 de pensioenverplichting fiscaal € 609.431 lager moet waarderen dan de werkelijke omvang daarvan. De resulterende vennootschapsbelasting over deze ‘spookwinst’ is zonder meer buitensporig. Een heffing, die bij normaal verstandig (‘goed’) beleggingsbeleid (daargelaten de levensloop van gerechtigden) leidt tot het niet kunnen honoreren van pensioenverplichtingen.
Feitelijk is pensioen-BV onder deze constellatie als goed koopman genoopt zich te beroepen op artikel 1EP-EVRM. Of anders ‘out of business’.
5. Conclusie
BV blijft aldus bij haar in eerdere instanties ingenomen standpunten en conclusie:
BV concludeert dat waardering van de pensioenverplichting op de voet van artikel 3.29 Wet IB 2001 niet kan worden verlangd.
BV concludeert tot een belastbaar resultaat 2014 van negatief €210.605.
BV verzoekt Uw Raad de uitspraak van Hof Amsterdam te vernietigen, en zelf recht te doen door vernietiging van de bestreden navorderingsaanslag, onder vaststelling van een beschikking verrekenbaar verlies van EUR 210.605.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑03‑2023
TK 34544 MvT par 3.3:‘Een verregaande vereenvoudiging, zowel voor de dga als voor de Belastingdienst, en het wegnemen van de knelpunten verbonden aan het PEB, worden pas gerealiseerd als zoveel mogelijk dga's op zo kort mogelijke termijn daadwerkelijk afscheid nemen van het PEB. Om dat te bewerkstelligen is het noodzakelijk om een afkoop van de pensioenaanspraken voor de dga aantrekkelijk te maken. Daarvoor is het noodzakelijk te voorzien in een fiscaal gefaciliteerde afkoop. Daarin voorziet dit wetsvoorstel. ’
Rondom het box-3 forfait hangt nog een odeur van vermogensbelasting alsook de gedachte althans het vermoeden dat spaarrente slechts een deel van de beleggingsinkomsten zal vormen. Niettemin is de wetgevende actie van de regering ook op dit vlak aanmerkelijk (te) laat.
Conclusie 16‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage: ECLI:NL:PHR:2023:137 Eigendomsgrondrecht (art. 1 Protocol I EVRM); waardering pensioenverplichting; verplichte 4% rekenrente (art. 3.29 Wet IB 2001) bij veel lagere marktrente; ‘possession’? ‘Interference’? (Un)fair balance? Feiten: Belanghebbendes dga is met zijn voormalige werkgever een ontslagvergoeding van € 268.032,58 overeengekomen waarmee hij een stamrecht heeft gekocht dat met toepassing van art. 11(1)(g) Wet LB is ondergebracht bij de belanghebbende, die haar daaruit voortvloeiende stamrechtverplichting ultimo 2010 heeft gewaardeerd op € 272.984 met inachtneming van 3% rekenrente. De Inspecteur heeft die verplichting echter per ultimo 2010 gewaardeerd op € 229.913 op basis van de in art. 3.29 Wet IB 2001 voorgeschreven rekenrente van 4%. In geschil is de vraag of de pensioenverplichting terecht en naar het juiste bedrag is gecorrigeerd, met name of het eigendomsgrondrecht wordt geschonden door heffing over de vrijval. De Rechtbank Gelderland meent dat art. 3.29 Wet IB 2001 juncto art. 8(1) Wet Vpb 1969 de Inspecteur verplichten tot toepassing van 4% rekenrente en dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3.29 Wet IB 2001 volgt dat de wetgever heeft onderkend dat de markt(reken)rente lager kan zijn en heeft voorzien en aanvaard dat dat ertoe kan leiden dat een deel van een tegen de waarde in het economische verkeer aangegane stamrechtverplichting fiscaal belast vrijvalt. Weliswaar is de wettelijke waardering in strijd met de realiteits- en voorzichtigheidsbeginselen omdat zij ertoe leidt dat nog ongerealiseerde winst fiscaal moet worden genomen genomen, maar art. 3.29 Wet IB 2001 schakelt het goede koopmansgebruik van art. 3.25 Wet IB 2001 uit (HR BNB 2016/14). De Rechtbank is niet ingegaan op de stellingen dat de toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 onredelijk is of algemene beginselen van behoorlijk bestuur of art. 104 Grondwet schendt, omdat de rechter volgens art. 120 Grondwet en art. 11 Wet AB de formele wet niet aan de Grondwet kan toetsen en evenmin de innerlijke juistheid of billijkheid van een formele wet mag beoordelen. De Rechtbank heeft ook het beroep op art. 1 Protocol 1 EVRM verworpen omdat art. 3.29 Wet IB 2001 voldoende toegankelijk en precies is en voorzienbaar in de uitoefening en een legitiem doel in het algemeen belang nastreeft, terwijl de wetgever niet buiten zijn ruime beoordelingsmarge is gegaan. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de belanghebbende een individuele en buitensporige last is opgelegd. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft belanghebbendes hogere beroep afgewezen op dezelfde gronden en daaraan toegevoegd dat slechts budgettaire overwegingen voor de keuze om de wettelijke rekenrente niet aan te passen aan de markt niet impliceren dat de wetgever geen legitiem doel in het algemeen belang nastreeft. Voor zover op stelselniveau het eertijds door de wetgever veronderstelde minimaal mogelijke rendement van 4% in 2010 niet langer haalbaar was, meent het Hof dat de rechter niet op stelselniveau in dat rechtstekort kan voorzien zonder beleidskeuzes te moeten maken over belastingtarief, rekenrente en verliesverrekening(stermijnen). A-G Wattel meent dat inderdaad de mogelijkheid bestaat dat de belanghebbende, gezien de lage rentestanden, in de toekomst niet aan haar stamrechtverplichtingen zal kunnen voldoen en dat de belastingheffing door toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 nog onwaarschijnlijker maakt dat zij aan die verplichtingen zal kunnen voldoen, maar dat daarover niets met zekerheid te zeggen valt omdat dat afhangt van toekomstige (rente)ontwikkelingen. Art. 3.29 Wet IB 2001 verschuift de aftrekbaarheid van pensioen- en stamrechtlasten naar de toekomst, maar dat impliceert (nog) niet dat de belanghebbende een ‘existing possession’ of de ‘legitimate expectation’ van een possession wordt afgenomen in de zin van de rechtspraak van het EHRM. Voor een possession in de zin van art. 1 Protocol I EVRM is minstens vereist een objectieve, op geld waardeerbare en voldoende vastomlijnde aanspraak. Uit onder meer de EHRM-arresten Optim and Industerre v. Belgium en Ramaer and Van Willigen v. Netherlands volgt dat rechtens bestreden belastingschulden onvoldoende vaststaan om hun mogelijke verjaring als legitimate expectation aan te merken, dat toekomstige inkomsten en voorwaardelijke aanspraken geen possession zijn en dat voor het vereiste proprietary interest vereist is een rechtstreeks op de wet, een onherroepelijke beschikking of een rechterlijke uitspraak gebaseerde aanspraak of verwachting van bezitsverwerving. Aan die criteria is volgens de A-G in casu niet voldaan. Het gaat zijns inziens om het spiegelbeeld van een bezitsverwachting, nl. om belanghebbendes verwachting of vrees dat haar in de toekomst een activum, nl. een deel van haar beleggingsresultaat zal blijken te zijn of worden ontnomen dat zij nodig zal hebben voor de nakoming van haar pensioenverplichting. Volgens de A-G is die verwachting of vrees, hoezeer wellicht ook realistisch, (nog) geen interference in een existing possession of een legitimate expectation in de zin van art. 1 Protocol I EVRM. Vooralsnog ontbreekt zijns inziens ofwel de interference, ofwel de vereiste proprietary interest. Daarin verschilt de zaak van de box 3-spaarrentegevallen van HR BNB 2022/27: in die zaken ging het niet om iets wat in de toekomst slechts een verschil in heffingstiming zou kunnen blijken te zijn, maar om actuele en definitieve ontneming van eigendom van spaarders. In belanghebbendes geval gaat het om potentiële toekomstige aftrekposten die mogelijk niet verwezenlijkt zullen blijken te kunnen worden. In 2010 is niet (zo goed als) zeker dat in de toekomst meer totaalwinst zal worden belast dan behaald. De door art. 3.29 Wet IB 2001 in 2010 geforceerde jaarwinst kan in latere jaren bij voldoende toekomstig beleggingsresultaat nog gecompenseerd worden door hogere aftrekbare lasten, om nog te zwijgen van andere imponderabilia zoals de verhouding tussen inflatie en nominaal beleggingsrendement, de kans op sterftewinst en het langlevenrisico dat ook bij marktconforme rekenrente bestaat. Art. 3.29 Wet IB verschuift een aftrekpost naar een onzekere toekomst en verhoogt daarmee weliswaar de actuele belastingheffing, maar verlaagt de toekomstige belastingheffing. Daarbij komt dat de belanghebbende in 2017 de fiscaal gefacilieerde mogelijkheid is geboden om van het pensioen in eigen beheer af te geraken. Daarom kan in 2010 ook niet beoordeeld worden of het in die toekomst zal blijken te gaan om een fair of een unfair balance en evenmin of het zal blijken te gaan om een zodanige heffing dat zich – bovendien - een individual and excessive burden voordoet. Daarover kan overigens in die toekomstige jaren geprocedeerd worden. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03460
Datum 16 januari 2023
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Vennootschapsbelasting 2010
Nr. Gerechtshof 19/00905
Nr. Rechtbank AWB 18/4315
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak van
[X] B.V.
tegen
Staatssecretaris van Financiën
1. Overzicht
1.1
Bij deze conclusie gaat een bijlage die ook gaat bij de zaken 20/02644 en 22/01773, waarin ik vandaag eveneens concludeer en die hetzelfde probleem betreffen van de (gevolgen van de) onrealistische rekenrente in art. 3.29 Wet IB 2001 voor de fiscale waardering van pensioen- en stamrechtverplichtingen in eigen beheer.
1.2
Gegeven uw arresten HR BNB 2016/14, HR BNB 2016/50 en HR BNB 2017/5 (zie de onderdelen 3.6 t/m 3.15 van de bijlage), was deze zaak niet geselecteerd voor conclusie, evenmin als de genoemde aanhangige zaken 20/02644 en 22/01773. Op uw verzoek concludeert het parket alsnog in deze drie zaken.
1.3
Belanghebbendes directeur/grootaandeelhouder (dga) is met zijn voormalige werkgever een ontslagvergoeding van € 268.032,58 overeengekomen. Met deze vergoeding heeft hij een stamrecht gekocht dat met toepassing van art. 11(1)(g) Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is ondergebracht bij de belanghebbende, die haar daaruit voortvloeiende stamrechtverplichting ultimo 2010 heeft gewaardeerd op € 272.984 met inachtneming van een rekenrente van netto 3%. De Inspecteur heeft die verplichting echter per ultimo 2010 gewaardeerd op € 229.913, uitgaande van de in art. 3.29 Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) voorgeschreven rekenrente van netto 4%.
1.4
In geschil is die correctie, met name de vraag of de Inspecteur bij de waardering van die verplichting terecht op grond van art. 3.29 Wet IB 2001 4% rekenrente heeft gebruikt.
1.5
De Rechtbank heeft geoordeeld dat art. 3.29 Wet IB 2001 junctoart. 8(1) Wet Vpb 1969 de Inspecteur verplichten tot toepassing van een rekenrente van 4% en dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3.29 Wet IB 2001 volgt dat de wetgever heeft onderkend dat de in de markt gebruikte rekenrente lager kan zijn dan 4% en heeft voorzien en aanvaard dat dat ertoe kan leiden dat een deel van een tegen de waarde in het economische verkeer aangegane stamrechtverplichting fiscaal belast vrijvalt. Weliswaar is de wettelijke waarderingswijze in strijd met de realiteits- en voorzichtigheidsbeginselen omdat zij ertoe leidt dat nog ongerealiseerde winst fiscaal moet worden genomen genomen, maar art. 3.29 Wet IB 2001 schakelt het goede koopmansgebruik van art. 3.25 Wet IB 2001 uit. De Rechtbank verwijst naar HR BNB 2016/14 (zie onderdeel 3.6 van de bijlage).
1.6
De Rechtbank is niet ingegaan op belanghebbendes stellingen dat de toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 onredelijk is en/of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of art. 104 Grondwet schendt, omdat de rechter ingevolge art. 120 Grondwet en art. 11 Wet algemene bepalingen de formele wet niet aan de Grondwet kan toetsen en evenmin in de innerlijke juistheid of billijkheid van een formele wet kan treden.
1.7
De Rechtbank heeft ook belanghebbendes beroep op het eigendomsgrondrecht van art. 1 Protocol 1 EVRM verworpen omdat art. 3.29 Wet IB 2001 voldoende toegankelijk en precies is en voorzienbaar in de uitoefening en een legitiem doel in het algemeen belang nastreeft, en de wetgever niet buiten zijn ruime beoordelingsmarge is gegaan. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat zich een individuele en buitensporige last voor de belanghebbende voordoet.
1.8
Het Hof heeft belanghebbendes hogere beroep afgewezen op dezelfde gronden en daaraan toegevoegd dat slechts budgettaire overwegingen voor de keuze om de rekenrente niet aan te passen aan de marktrente niet impliceren dat de wetgever met het waarderingsvoorschrift geen legitiem doel in het algemeen belang nastreeft. Voor zover op stelselniveau het eertijds door de wetgever veronderstelde minimaal mogelijke rendement van 4% in 2010 niet langer haalbaar was, meent het Hof dat dat geen rechtstekort is waarin de rechter op stelselniveau kan voorzien zonder beleidskeuzes te moeten maken over belastingtarief, rekenrente en verliesverrekening(stermijnen).
1.9
In cassatie klaagt de belanghebbende onder meer dat art. 1 Protocol I is geschonden doordat zij, gezien de lage rentestanden, in de toekomst niet aan haar stamrecht-verplichtingen zal kunnen voldoen en de belastingheffing door de toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 nog onwaarschijnlijker maakt dat zij aan die verplichtingen zal kunnen voldoen.
1.10
Die mogelijkheid bestaat inderdaad, maar daarover valt mijns inziens niets met zekerheid te zeggen omdat zij van toekomstige (rente)ontwikkelingen afhangt. Art. 3.29 Wet IB 2001 verschuift de aftrekbaarheid van pensioen- en stamrechtlasten naar de toekomst. Ik meen dat dat (nog) niet meebrengt dat de belanghebbende een ‘existing possession’ of de ‘legitimate expectation’ van een possession wordt afgenomen in de zin van de rechtspraak van het EHRM. Uit de onderdelen 4.5 t/m 4.12 van de bijlage bij deze conclusie blijkt dat voor het bestaan van een possession in de zin van art. 1 Protocol I EVRM minstens vereist is een objectieve, op geld waardeerbare en voldoende vastomlijnde aanspraak. Uit onder meer de EHRM-arresten Optim and Industerre v. Belgium en Ramaer and Van Willigen v. Netherlands blijkt dat rechtens bestreden belastingschulden onvoldoende vaststaan om hun mogelijke verjaring als legitimate expectation aan te merken, dat toekomstige inkomsten en voorwaardelijke aanspraken geen possession zijn en dat voor het vereiste proprietary interest vereist is een rechtstreeks op de wet, een onherroepelijke beschikking of een rechterlijke uitspraak gebaseerde aanspraak of verwachting van bezitsverwerving.
1.11
Dat is mijns inziens in casu niet het geval. Het gaat om het spiegelbeeld van een bezitsverwachting, nl. om belanghebbendes verwachting of vrees dat haar in de toekomst een activum, nl. een deel van haar beleggingsresultaat zal blijken te zijn of worden ontnomen dat zij nodig zal hebben voor de nakoming van haar stamrechtverplichting. Die verwachting of vrees is mijns inziens, hoezeer wellicht ook niet-onrealistisch, (nog) geen interference in een existing possession of een legitimate expectation in de zin van art. 1 Protocol I EVRM. Mijns inziens ontbreekt aldus vooralsnog ofwel de interference, ofwel de vereiste proprietary interest.
1.12
Daarin verschilt de zaak van de box 3-spaarrentegevallen van HR BNB 2022/27: in de box 3 zaken stond elk belastingjaar definitief vast dat spaarders een deel van hun spaargeld werd ontnomen. Het ging in die zaken niet om iets wat in de toekomst slechts een verschil in heffingstiming zou kunnen blijken te zijn, maar om actuele en definitieve ontneming van eigendom. In belanghebbendes geval gaat het om potentiële toekomstige aftrekposten die mogelijk niet verwezenlijkt zullen blijken te kunnen worden. In 2010 is niet (zo goed als) zeker dat in de toekomst meer totaalwinst zal worden belast dan behaald. De door art. 3.29 Wet IB 2001 in 2010 geforceerde jaarwinst kan in latere jaren bij voldoende toekomstig beleggingsresultaat nog gecompenseerd worden door hogere aftrekbare lasten, om nog te zwijgen van andere imponderabilia zoals de verhouding tussen inflatie en nominaal beleggingsrendement, de kans op sterftewinst en het langlevenrisico dat ook bij markt-conforme rekenrente bestaat. Art. 3.29 Wet IB verschuift een aftrekpost naar een onzekere toekomst en verhoogt daarmee weliswaar de actuele belastingheffing, maar verlaagt de toekomstige belastingheffing. Daarbij komt dat de belanghebbende in 2017 de fiscaal gefacilieerde mogelijkheid is geboden om van het pensioen in eigen beheer af te geraken.
1.13
Omdat het om afschuiven van toekomst-onzekerheden en mogelijke gefacilieerde afwikkeling vanaf 2017 gaat, kan in 2010 ook niet beoordeeld worden of het in die toekomst zal blijken te gaan om een fair of een unfair balance en evenmin of het zal blijken te gaan om een zodanige heffing dat zich – bovendien - een individual and excessive burden voordoet. Daarover kan overigens in die toekomstige jaren geprocedeerd worden.
1.14
Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de belanghebbende ongegrond te verklaren.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
De belanghebbende is opgericht op 18 maart 2010. Al haar aandelen worden gehouden door [A] (de dga). Aan belanghebbendes dga is door een voormalige werkgever een ontslagvergoeding van € 268.032,58 toegekend. De dga heeft met vergoeding een stamrecht gekocht dat met toepassing van art. 11(1)(g) Wet LB 1964 is ondergebracht bij de belanghebbende. De stamrechtovereenkomst tussen de belanghebbende en de dga bepaalt dat de belanghebbende vanaf 20 maart 2021 levenslang jaarlijks € 20.654 bruto aan haar dga uitkeert en na diens overlijden levenslang een zelfde jaarlijks bedrag aan zijn partner.
2.2
De belanghebbende heeft haar stamrechtverplichting ultimo 2010 gewaardeerd op € 272.984 met inachtneming van een rekenrente van netto 3%. De Inspecteur heeft die verplichting echter gewaardeerd op € 229.913, uitgaande van een rekenrente van netto 4%. In verband daarmee heeft de Inspecteur de aangegeven belastbare winst van NEG € 2.406 met € 43.071 (€ 272.984 minus € 229.913) gecorrigeerd naar € 40.665.
2.3
Niet in geschil is dat de stamrechtverplichting een ‘soortgelijke verplichting’ is in de zin van art. 3.29 Wet IB 2001. In geschil is of de Inspecteur terecht de aangegeven balanswaarde van de stamrechtverplichting heeft gecorrigeerd, met name of de Inspecteur terecht op grond van van art. 3.29 Wet IB 2001 een rekenrente van 4% heeft gebruikt.
De Rechtbank Gelderland1.
2.4
De Rechtbank achtte de Inspecteur op grond van art. 3.29 Wet IB 2001 juncto art. 8(1) Wet Vpb 1969 verplicht om voor de waardering van de stamrechtverplichting 4% rekenrente te gebruiken. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3.29 Wet IB 2001 volgt dat de wetgever heeft onderkend dat de in de markt gebruikelijke rekenrente voor die waardering lager kan zijn dan 4% en dat hij voorzien en aanvaard heeft een deel van een tegen de waarde in het economische verkeer aangegane stamrechtverplichting belast kan vrijvallen. Weliswaar schendt deze waarderingswijze de realiteits- en voorzichtigheidsbeginselen van goed koopmansgebruik omdat zij ertoe leidt dat ongerealiseerde winst wordt genomen, maar art. 3.29 Wet IB 2001 schakelt het goede koopmansgebruik van art. 3.25 Wet IB 2001 uit. De Rechtbank verwijst naar HR BNB 2016/14 (zie onderdeel 3.6 van de bijlage).
2.5
De Rechtbank is voorbij gegaan aan belanghebbendes stellingen dat de toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 onredelijk is en/of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of art. 94 Grondwet schendt, omdat de rechter ingevolge art. 120 Grondwet en art. 11 Wet algemene bepalingen de formele wet niet aan de Grondwet kan toetsen en evenmin in de innerlijke juistheid of billijkheid van een formele wet kan treden.
2.6
Op belanghebbendes beroep op art. 1 Protocol 1 EVRM overwoog de Rechtbank:
“14. (…) Uit vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat belastingheffing is te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (vgl. r.o. 3.8.1 van HR 3 april 2009, nr. 42467, ECLI:NL:HR:2009:BC2816). Dat artikel houdt in dat elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijk of rechtspersoon in overeenstemming met het nationale recht dient te zijn. Deze rechtsgeldigheid veronderstelt dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is. In artikel 1 van het Eerste Protocol ligt eveneens besloten dat de inbreuk een legitiem doel in het algemeen belang dient na te streven. Ten slotte brengt artikel 1 van het Eerste Protocol mee dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. De door de wetgever gemaakte afweging dient te worden gerespecteerd, tenzij deze elke redelijke grond ontbeert.
15. De rechtbank is van oordeel dat artikel 3.29 van de Wet IB 2001 voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is in de uitoefening.
16. Voorts is met de desbetreffende wettelijke bepalingen een legitiem doel in het algemeen belang gediend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de wetgever in het kader van het belastingplan 2014 de oplossingsrichting heeft onderzocht om de fiscale pensioenverplichting op commerciële basis te berekenen en daarbij het volgende heeft overwogen2.:
“Belangrijk punt is bovendien dat deze optie [fiscale waardering van de pensioenverplichting op commerciële grondslagen; rb.] forse negatieve budgettaire consequenties heeft. Naar het zich laat aanzien zal dit bij de huidige rentestand een totale budgettaire derving van € 10 miljard met zich brengen, waarvan € 950 miljoen in het eerste jaar. De fiscale hoogte van de pensioenverplichting zal immers onder de huidige omstandigheden fors toenemen als de fiscale waardering zou moeten plaatsvinden op basis van commerciële uitgangspunten. In dat geval zal, als de marktrente boven de vier procent uitstijgt, zich een tegenovergesteld effect voordoen (aangenomen dat fiscaal steeds de commerciële waarde leidend is).”
17. Naar het oordeel van de rechtbank is de wetgever met het uitvaardigen van de in dit geding toepasselijke wettelijke bepalingen aldus niet getreden buiten de hem toekomende ruime beoordelingsmarge en is er geen sprake van een schending van de fair balance op regelniveau.
18. De rechtbank toetst ten slotte of in het geval van eiseres sprake is van een individuele en buitensporige last. Indien dat het geval is, kan de aan eiseres opgelegde aanslag ondanks de aan de wetgever toekomende ruime beoordelingsmarge niet in stand blijven. Bij deze beoordeling dient de totale inkomens- en vermogenspositie van eiseres in de beschouwing te worden betrokken. Tijdens de zitting is namens eiseres betoogd dat de belastingheffing buitensporig is nu zij geen economische activiteit ontplooit. Eiseres heeft geen stukken over gelegd over dit nader ingenomen standpunt. Reeds hierom kan niet worden geoordeeld dat de bestreden heffing over de vrijval van de stamrechtverplichting kwalificeert als een individuele en buitensporige last.”
2.7
Ook belanghebbendes klacht over de weigering van de Minister van Financiën om diens bevoegdheden ex de hardheidsclausule (art. 63 AWR) toe te passen is door de Rechtbank verworpen omdat die weigering niet in een beroepsprocedure tegen een aanslag aan de belastingrechter kan worden voorgelegd.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden3.
2.8
Ook volgens het Hof van moest de Inspecteur de stamrechtverplichting met inachtneming van een rekenrente van 4% waarderen. Het Hof heeft ook belanghebbendes standpunt verworpen dat het waarderingsvoorschrift van art. 3.29 Wet IB 2001 het legaliteitsbeginsel in art. 104 Grondwet schendt, omdat art. 3.29 Wet IB 2001 is opgenomen in een wet in formele zin waarmee is voldaan aan het in art. 104 Grondwet vervatte legaliteitsbeginsel.
2.9
Het waarderingsvoorschrift schendt volgens het Hof evenmin art. 1 Protocol I EVRM omdat het een voldoende basis heeft in de Wet IB 2001, voldoende toegankelijk en precies is en zijn uitwerking voldoende voorzienbaar is. Daarmee is voldaan aan de vereisten van lawfulness en bescherming tegen arbitrariness. Art. 3.29 Wet IB 2001 dient ook een legitimate aim en de wetgever heeft de fair balance tussen budgettair belang en individeel recht niet geschonden, aldus het Hof:
“Dat het waarderingsvoorschrift een (belaste) vrijval tot gevolg kan hebben voor stamrecht-verplichtingen als de onderhavige is blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.29 van de Wet IB 2001 door de wetgever voorzien en aanvaard (HR 16 oktober 2015, nr. 13/04121, ECLI:NL:HR:2015:3082, onder 3.2.1). Dat budgettaire overwegingen ten grondslag liggen aan de keuze om de rekenrente niet aan te passen naar de marktrente leidt niet tot de conclusie dat met het waarderingsvoorschrift geen legitiem doel in het algemeen belang wordt nagestreefd (vgl. HR 29 januari 2016, nr. 15/03090, ECLI:NL:HR:2016:124, onder 2.5.2). Niet geoordeeld kan worden dat de keuze van de wetgever voor een rekenrente van vier percent evident van redelijke grond is ontbloot, zodat de haar toekomende ruime beoordelingsmarge dient te worden gerespecteerd.”
2.10
Als op stelselniveau het door de wetgever veronderstelde minimaal mogelijke rendement van 4% in 2010 niet langer haalbaar was, is dat volgens het Hof geen rechtstekort waarin de rechter op stelselniveau kan voorzien zonder beleidskeuzes te moeten maken over onder meer belastingtarief, rekenrente en verliesverrekening. Die keuzes zijn niet uit het stelsel van de wet af te leiden, zodat de rechter terughoudend moet zijn bij voorziening in zo’n stelselgebrek. Voor ingrijpen van de rechter is in zo’n geval beginsel geen plaats, tenzij individuele belastingplichtigen een individuele en buitensporige last wordt opgelegd. De belanghebbende heeft volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat zij in vergelijking met andere stamrechtvennootschappen bij wie zich door art. 3.29 Wet IB 2001 een gedeeltelijke vrijval voordoet een zwaardere last moet dragen. Het Hof wijst er daarbij op dat art. 3.29 Wet IB 2001 niet de totaalwinst beïnvloedt, maar alleen de jaarwinst, die in het geschiljaar hoger uitvalt dan zonder die bepaling het geval zou zijn, maar dat in latere jaren de fiscale winst lager zal zijn. Het is weliswaar niet uitgesloten dat mede door de beperkte mogelijkheden van verliesverrekening in totaal meer winst zal worden belast dan zonder art. 3.29 Wet IB 2001 het geval zou zijn, maar belanghebbendes in algemene termen gestelde standpunt dat dat bij haar het geval zal zijn, heeft zij niet onderbouwd, evenmin als het standpunt dat daaruit voor haar een buitensporige last voortvloeit.
2.11
De belanghebbende heeft nog aangevoerd dat zij naar commerciële maatstaven geen winst maakt en dat daarom elke belastingheffing een individuele en buitensporige last is. Het Hof heeft die stelling verworpen: de enkele omstandigheid dat in een bepaald jaar commercieel geen winst wordt gerapporteerd, maakt belastingheffing over dat jaar niet buitensporig.
3. Het geding in cassatie
3.1
De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De belanghebbende heeft gerepliceerd. De Staatssecretaris heeft afgezien van dupliek.
3.2
Ad ’s Hofs oordeel over het legaliteitsbeginsel meent de belanghebbende dat de rechter moet onderzoeken of de wijze waarop de belastingdienst zijn bevoegdheden heeft uitgeoefend “anderszins in strijd is met het recht, doordat daarbij niet is gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder andere zorgvuldigheidsbeginsel en beginsel van fair play of fair balance.” Dat zij belasting moet betalen over negatief inkomen noopt volgens haar tot de conclusie dat niet aan die beginselen is voldaan en dat art. 1 Protocol I EVRM is geschonden. Van een legitimate aim is geen sprake, omdat:
“[t]en tijde van de totstandkoming van deze wet (…) de marktrente veel hoger [was] (tussen 5 en 6%).4.Letterlijke toepassing van artikel 3.29 zou in die tijd leiden tot enorme verliezen waardoor de belastingheffing een stuk lager zou worden en op dat moment zeker niet in het algemeen belang.”
3.3
De belanghebbende bestrijdt verder als onbegrijpelijk ’s Hofs oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat zij onvoldoende middelen zal hebben om aan haar toekomstige verplichtingen te voldoen. Zij is verplicht om vanaf 20 maart 2021 levenslang jaarlijks € 20.654 uit te keren. De sterftetabellen wijzen uit dat circa 20 jaar uitgekeerd zal moeten worden. Gelet op de lage rentestanden zal zij niet gedurende die volle periode kunnen voldoen aan haar verplichtingen; tussentijdse belastingheffing maakt dat nog onwaarschijnlijker.
3.4
De belanghebbende beroept zich tot slot als volgt op het box 3-arrest HR BNB 2022/27:5.
“In deze arresten is geoordeeld dat mede gelet op het toepasselijk tarief de heffing van box 3 op stelselniveau een schending is van artikel 1 (EP EVRM), indien het gemiddeld haalbare rendement lager is dan 1,2%. Ingrijpen door de rechter is in beginsel geen plaats , tenzij belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. In uw uitspraak spreekt u over belastingdruk (hoger dan gemiddeld). Zoals eerder aangegeven is hier sprake van een onmeetbare belastingdruk gerelateerd aan het (negatieve) inkomen.”
3.5
Bij verweer acht de Staatssecretaris ’s Hofs oordeel over de waardering van de stamrechtverplichting juist, gegeven uw arresten HR BNB 2016/14,6.HR BNB 2016/507.en HR BNB 2017/58.(zie de onderdelen 3.6, 3.11 en 3.13 van de bijlage). Voor zover de belanghebbende stelt dat toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 bij haar tot een buitensporige last leidt, heeft het Hof er volgens de Staatssecretaris terecht op gewezen dat niet meer totaalwinst in aanmerking wordt genomen dan daadwerkelijk behaald. Er is slechts sprake van een temporele verschuiving waardoor in 2010 winst wordt geconstateerd die in de latere jaren wordt gecorrigeerd. Daarom gaat volgens de Staatssecretaris ook de vergelijking met box 3 niet op. ’s Hofs (on)aannemelijkheidsoordeel over het zich mogelijk voordoen van een individuele en buitensporige last acht de Staatssecretaris feitelijk en niet onbegrijpelijk.
3.6
Bij repliek herhaalt de belanghebbende dat zij, gezien de rentestand, bij tussentijdse belastingheffing nooit aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen. De stelling van de Staatssecretaris dat slechts sprake is van een winstverschuiving acht zij niet relevant en bovendien onjuist: door beperkte (achterwaartse) verliesverrekening zal de belaste totaalwinst hoger zijn dan de som van de jaarwinsten. Zij acht heffing over feitelijk negatief inkomen per definitie buitensporig en onverenigbaar met art. 1 Protocol I. Dat kan niet de bedoeling van de wetgever zijn, is niet legitiem en een regeling die daartoe leidt, kan niet geacht worden het algemeen belang te dienen. Belanghebbendes vermogenspositie is niet zo fraai als gesteld wordt, gegeven een commercieel verlies en die positie is ook niet relevant in het licht van de box 3-arresten, waarin immers werd geoordeeld dat een belastinglast gebaseerd op 4% buitensporig is als het werkelijke rendement lager is dan 1,2%.
4. Beoordeling van het cassatieberoep
4.1
In de door de Staatssecretaris genoemde zaken HR BNB 2016/14, HR BNB 2016/50 en HR BNB 2017/5 (zie onderdelen 3.6 t/m 3.15 van de bijlage) oordeelde u dat als de marktrente op langlopende leningen lager ligt dan de wettelijke 4%-rekenrente, de verplichte waardering van pensioenverplichtingen op basis van die 4% onverenigbaar is met de realiteits- en voorzichtigheidsbeginselen van goed koopmansgebruik, maar dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de marktrente lager dan 4% zou kunnen worden en desondanks de wettekst niet heeft aangepast. Dat zo zijnde, zag u geen ruimte voor de rechter om in te grijpen.
4.2
Gegeven belanghebbendes cassatieberoep, rijst de vraag of deze lijn herzien moet worden in het licht van uw box-3-arrest HR BNB 2022/27 (zie de onderdelen 4.22 t/m 4.25 van de bijlage), waarin vermogensaantastende heffing over niet-bestaand spaarrendement in strijd werd geoordeeld met het discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht van art. 1 Protocol I EVRM: de vraag rijst of de onrealistisch hoge rekenrente in art. 3.29 Wet IB 2001 verenigbaar is met dat eigendomsgrondrecht, gegeven dat ook het fiscaal deels negeren van wel degelijk bestaande ondernemingsverplichtingen leidt tot actuele belastingheffing over nog niet-bestaande winst waarvan niet vaststaat dat die behaald zal worden.
4.3
Voor het protocol van toetsing van belastingmaatregelen, met name van belastingheffing over fictief rendement, aan het eigendomsgrondrecht, verwijs ik naar onderdeel 4 van de bijlage. Daaruit volgt (zie met name de onderdelen 4.3 en 4.4 van de bijlage) dat het in een geval zoals dat van de belanghebbende om twee vragen gaat: (i) leidt de wettelijk verplichte fiscale onderwaardering van pensioenverplichtingen tot aantasting van een ‘existing possession’ of een ‘legitimate expectation’ van de belanghebbende of van haar dga, en zo ja: (ii) slaat die aantasting van eigendom een fair balance tussen het private eigendomsgrondrecht en het budgettaire overheidsbelang?
4.4
De belanghebbende meent dat de ex art. 3.29 Wet IB 2001 verplichte belaste gedeeltelijke vrijval van haar stamrechtverplichting het haar onmogelijk maakt om in de toekomst aan haar stamrechtverplichtingen te voldoen. Die mogelijkheid bestaat inderdaad, maar daarover valt mijns inziens niets met zekerheid te zeggen omdat zij van toekomstige feiten en (rente)ontwikkelingen afhangt, zodat mijns inziens niet gezegd kan worden dat de belanghebbende een ‘existing possession’ of de ‘legitimate expectation’ van een possession wordt afgenomen door de belaste gedeeltelijke vrijval. Het gaat om verschuiving van aftrekbare pensioen- en stamrechtlasten naar de toekomst (een jaarwinstkwestie), niet om het definitief weigeren van aftrek van pensioen- en stamrechtlasten (een totale-winstkwestie). Blijkt in de toekomst inderdaad door de verplichte vrijval in 2010 de nakoming van belanghebbendes stamrechtverplichting onmogelijk te zijn gemaakt, dan kan in het jaar waarin dat blijkt, alsnog beroep gedaan worden op art. 1 Protocol I EVRM, waarbij dan de vraag rijst of de belanghebbende of haar dga ‘victim’ is van die pensioenaantasting.
4.5
Uit de onderdelen 4.5 t/m 4.12 van de bijlage bij deze conclusie blijkt dat voor het bestaan van een possession ex art. 1 Protocol I EVRM minstens vereist is een objectieve, op geld waardeerbare en voldoende vastomlijnde aanspraak. Uit onder meer de EHRM-arresten Optim and Industerre v. Belgium (onderdeel 4.8 bijlage) en Ramaer and Van Willigen v. Netherlands (onderdeel 4.10 bijlage) blijkt dat rechtens bestreden belasting-schulden onvoldoende vaststaan om hun mogelijke verjaring als legitimate expectation aan te merken, dat toekomstige inkomsten en voorwaardelijke aanspraken geen possession zijn en dat voor het vereiste ‘proprietary interest’ vereist is een rechtstreeks op de wet, een onherroepelijke beschikking of een rechterlijke uitspraak gebaseerde aanspraak op of verwachting van bezitsverwerving. Een niet daarop gebaseerde verwachting of hoop is onvoldoende.
4.6
In casu gaat het om het spiegelbeeld van een bezitsverwachting, nl. om de verwachting of vrees dat in de toekomst een activum, nl. een deel van belanghebbendes beleggings-resultaat haar zal blijken te zijn of te worden ontnomen dat zij nodig heeft voor de nakoming van haar stamrechtverplichtingen. Die verwachting of vrees is mijns inziens, hoezeer ook niet-onrealistisch (al stijgt de rente inmiddels weer en verhogen pensioenfondsen de pensioenaanspraken en -uitkeringen), (nog) geen interference in een existing possession of een legitimate expectation in de zin van art. 1 Protocol I EVRM. Mijns inziens ontbreekt aldus vooralsnog ofwel de interference, ofwel de vereiste proprietary interest.
4.7
Daarin verschilt belanghebbendes zaak mijns inziens van de box 3-spaarrentegevallen waarover u in HR BNB 2022/27 oordeelde: in de box 3 zaken stond elk belastingjaar steeds definitief vast dat spaarders een deel van hun spaargeld werd ontnomen. Het ging in de box 3 zaken, anders dan in belanghebbendes geval, niet om iets wat in de toekomst slechts een verschil in heffingstiming zou kunnen blijken te zijn, maar om actuele en definitieve ontneming van eigendom. In belanghebbendes geval gaat het om potentiële toekomstige aftrekposten die mogelijk niet verwezenlijkt zullen blijken te kunnen worden. In 2010 of nu is niet (zo goed als) zeker dat de fiscus uiteindelijk meer totaalwinst zal belasten dan daadwerkelijk zal blijken te worden behaald. De door art. 3.29 Wet IB 2001 in 2010 geforceerde jaarwinst kan in latere jaren bij voldoende toekomstig beleggingsresultaat nog gecompenseerd worden door hogere aftrekbare lasten, om nog te zwijgen van andere imponderabilia zoals de verhouding tussen inflatie en nominaal beleggingsrendement, de kans op sterftewinst en het langlevenrisico die ook bij marktconforme rekenrente bestaan.
4.8
De onredelijke gevolgen van de te hoge rekenrente van art. 3.29 Wet IB 2001 zijn daarmee wezenlijk anders van aard – want mogelijk tijdelijk en meevallend - dan het acuut onteigenende effect van het verplichte fictieve spaarrendement van box 3. Box 3 belastte niet-bestaande spaarinkomsten definitief; art. 3.29 Wet IB daarentegen verschuift een aftrekpost naar een onzekere toekomst en verhoogt daarmee weliswaar de actuele belastingheffing, maar verlaagt de toekomstige belastingheffing. Het verschuift toekomst-onzekerheden ten gunste van de fiscus naar de belastingplichtige c.q. de pensioen-gerechtigde, maar daarvan kan mijns inziens niet gezegd worden dat dat een bestaande eigendom of een concrete, objectieve vastomlijnde, juridisch gerechtvaardigde verwachting van eigendomsverkrijging aantast. Daarbij komt dat belastingplichtigen zoals de belanghebbende in 2017 de fiscaal gefacilieerde mogelijkheid is geboden om van het pensioen in eigen beheer af te geraken. Omdat het om afschuiven van toekomst-onzekerheden en mogelijke gefacilieerde afwikkeling vanaf 2017 gaat, kan in 2010 - of in 2023 - ook niet beoordeeld worden of het in die toekomst zal blijken te gaan om een fair of een unfair balance; in 2010 of nu kan niet beoordeeld worden of het zal blijken te gaan om heffing over meer dan de totale winst en wel zodanig dat zich - bovendien - een individual and excessive burden voordoet.
4.9
Kortom: art. 3.29 Wet IB 2001 is onredelijk eenzijdige wetgeving, maar geen schending van grondrechten, en het staat de fiscale wetgever vrij om onredelijke wetten te maken en slecht koopmansgebruik voor te schrijven.
4.10
Nu het bovendien, gezien de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer (zie de onderdelen 2.8 t/m 2.10 van de bijlage), om een verdwijnende en wellicht grotendeels al verdwenen kwestie gaat, zou de vraag rijzen of er voor de rechter, als het al om een eigendomsrecht en om een unfair balance zou blijken te gaan, nog een goede grond zou bestaan om deze op (uit)sterven liggende oude koe nog uit de sloot te hijsen. U vergelijke uw ouwekoeien-rechtspraak over het (niet meer) toepassen van het gelijkheidsbeginsel op oude gevallen als de wetgever de ongelijkheid inmiddels heeft weggenomen, zoals het Tandartsvrouwarrest HR BNB 1990/619.en het Zware-metalenarrest HR BNB 1993/332.10.
5. Conclusie
Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑01‑2023
Rechtbank Gelderland 5 juni 2019, nr. AWB 18/4315, ECLI:NL:RBGEL:2019:2471, FutD 2019-1622, PJ 2019/93, V-N 2019/43.2.3, NTFR 2019/2034, NLF 2019/1438.
Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II, 2013-2014, 33 752, nr. 75, p. 6-7.”
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2020, nr. 19/00905, ECLI:NL:GHARL:2020:5098, FutD 2020-2067, VN 2020/45.1.2, Belastingadvies 2020/21.5 met noot Stam, NTFR 2020/2226, NLF 2020/1602.
Toevoeging PJW: In de op 17 maart 2021 ingediende motivering van het cassatieberoep spreekt de belanghebbende van een marktrente van 9% ten tijde van de totstandkoming van de desbetreffende bepaling.
Hoge Raad 24 december 2021, nr. 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963, na conclusie A-G Niessen (ECLI:NL:PHR:2021:1019), FutD 2022-0005 met noot Fiscaal up to Date, NTFR 2022/37 met noot Nieuwenhuizen, V-N 2022/2.3 met noot van de redactie, FED 2022/9 met noot Gerverdinck, NLF 2022/0106 met noot Dusarduijn, NJB 2022/301, Vp-bulletin 2022/4 met noot Rebbens en Tobben, BNB 2022/27 met noot Heithuis, Belastingadvies 2022/6.2
Hoge Raad 16 oktober 2015, nr. 13/04121, ECLI:NL:HR:2015:3082, na conclusie A-G Wattel (ECLI:NL:PHR:2014:2730), FED 2015/100 met noot Russo, BNB 2016/14 met noot Cornelisse, FutD 2015-2524 met noot Fiscaal up to Date, NTFRB 2016/5 met noot Bruijsten, NTFR 2015/3006 met noot Bruins Slot, NTFR 2016/73.
Hoge Raad 18 december 2015, nr. 14/06531, ECLI:NL:HR:2015:3605, na conclusie A-G Wattel (ECLI:NL:PHR:2015:1672), V-N 2015/66.9 met noot van de redactie, Belastingadvies 2016/3.5, PJ 2016/25, BNB 2016/50 met noot Cornelisse, FutD 2015-3028 met noot Fiscaal up to Date, NTFR 2016/330 met noot Lohuis.
Hoge Raad 14 oktober 2016, nr. 15/03451, ECLI:NL:HR:2016:2338, NLF 2016/0706 met noot Van den Dool, V-N 2016/53.14 met noot van de redactie, FED 2016/131 met noot M.C. Cornelisse, BNB 2017/5 met noot R.P.C. Cornelisse, FutD 2016-2471 met noot Fiscaal up to Date, NTFR 2016/2601 met noot Reimert.
HR 27 september 1989, nr. 24 297, na conclusie Moltmaker, ECLI:NL:HR:1989:ZC4110, BNB 1990/61, met noot Scheltens.
HR 6 oktober 1993, nr. 27 825, na conclusie Moltmaker, ECLI:NL:HR:1993:ZC5470, BNB 1993/332, met noot Van Leijenhorst.
Conclusie 16‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 16 januari 2023 inzake de cassatieberoepen met de rolnummers: 20/02644, ECLI:NL:PHR:2023:70 20/03460, ECLI:NL:PHR:2023:125 22/01773, ECLI:NL:PHR:2023:126
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
P.J. WattelADVOCAAT-GENERAAL
Gemeenschappelijke bijlage
bij de conclusies van 16 januari 2023 inzake de cassatieberoepen met de rolnummers
20/02644
20/03460
22/01773
Derde kamer A
1. Ten geleide
1.1
De drie zaken waarbij deze bijlage gaat, betreffen de juridische houdbaarheid van de wettelijk verplichte minimumrekenrente ad 4% in art. 3.29 Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bij de fiscale waardering van pensioen- en stamrechtverplichtingen in eigen beheer. Die rekenrente is zeker na de kredietcrisis (veel) hoger gebleken dan de marktrente op langlopende leningen en leidt daardoor tot te lage waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer, zulks in strijd met het overigens bij de fiscale winstbepaling verplichte goede koopmansgebruik waarop de wetgever met art. 3.29 Wet IB 2001 doelbewust inbreuk maakte.
1.2
Uit uw rechtspraak tot 2017 volgt dat het niet aan de rechter is om de onredelijke fiscale gevolgen daarvan weg te nemen omdat het de formele wetgever vrijstaat selectief inbreuk te maken op de overigens voorgeschreven beginselen van goed koopmansgebruik. In de zaken die tot die rechtspraak hebben geleid, werd echter geen beroep gedaan op het eigendomsgrondrecht van art. 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Dat beroep wordt wel gedaan in de zaken waarop deze bijlage ziet. Na uw box-3-arrest HR BNB 2022/27, waarin vermogensaantastende heffing over niet-bestaand spaarrendement in strijd werd geoordeeld met het eigendomsgrondrecht en het discriminatieverbod, rijst de vraag of de onrealistisch hoge rekenrente in art. 3.29 Wet IB 2001 verenigbaar is met het eigendomsgrondrecht, gegeven dat ook het fiscaal deels negeren van wel degelijk bestaande ondernemingsverplichtingen leidt tot actuele belastingheffing over nog niet-bestaande winst waarvan niet vaststaat dat die behaald zal worden.
1.3
Voor de waardering van toekomstige pensioenuitkeringen moet het bedrag geschat worden dat op pensioendatum beschikbaar moet zijn om de pensioentoezeggingen na te komen: het doelvermogen. De opbouw van dat doelvermogen moet worden verdeeld over de diensttijd van de pensioengerechtigde. Art. 3.29 van de Wet IB 2001 bepaalt dat daarbij uitgegaan moet worden van een rendement (rekenrente) op de ingelegde premie of koopsom van 4% per jaar. Bij de invoering van de voorloper van die bepaling (art. 9b Wet IB 1964) is de wetgever er kennelijk vanuit gegaan dat de marktrente niet structureel onder de 4% zou zakken, maar in de zaken waarbij deze bijlage gaat, is dat wél het geval. Bij het ongewijzigd overnemen van art. 9b Wet IB 1964 in 2001 in art. 3.29 Wet IB 2001 is de (mede)wetgever wel op die mogelijkheid gewezen, maar is zij ongemotiveerd voorbijgegaan aan het gegeven dat de verzekeringsbranche toen al met een lagere marktrente dan 4% rekening hield. De regering wilde ‘voor de duidelijkheid’ een ‘concrete invulling’ geven. Uiteindelijk hebben de voorspelbare praktische problemen als gevolg van de daardoor ontstane enorme verschillen tussen de fiscale en de commerciële waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer ertoe geleid dat pensioen in eigen beheer fiscaalrechtelijk is afgeschaft met de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen.
1.4
In de tussentijd vonden directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) met een pensioen in eigen beheer dat hun pensioen-bv’s door de fiscaal verplichte 4% rekenrente fiscaalrechtelijk werden gedwongen tot te lage waardering van dier pensioenverplichtingen en aldus wezenlijk belast werden voor (nog) niet-bestaande rendementen. Zij verzetten zich tegen die hoge rekenrente.
1.5
De rechtspraak over de hoogte van de fiscaalrechtelijk in aanmerking te nemen rekenrente bij de waardering van pensioenverplichtingen laat het volgende beeld zien: tot 1995 (invoering van art. 9b Wet IB 1964) werd zelfs lineaire opbouw van pensioenverplichtigen in eigen beheer goed koopmansgebruik geacht, dus zeker, ook na 1995, waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer op basis van de (lage, maar hoger dan 4%) rekenrente die door levensverzekeraars werd gebruikt (toen 4,5%). In HR BNB 2000/275 oordeelde u echter dat pensioen- en lijfrente-verplichtingen voortaan gewaardeerd moesten worden op basis van de (toen nog structureel hogere) marktrente voor langlopende leningen, waarmee een maximumwaarderingsregel voor pensioen-verplichtingen in eigen beheer werd gesteld die kennelijk gebaseerd was op het realiteitsbeginsel van goed koopmansgebruik ten koste van het tot dan toe preponderanter voorzichtigheidsbeginsel.
1.6
In HR BNB 2016/14 oordeelde u dat waardering van pensioenverplichtingen met inachtneming van de wettelijke rekenrente ad 4% zowel het realiteitsbeginsel als het voorzichtigheidsbeginsel schendt als de marktrente structureel lager is, maar dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de in de markt gebruikelijke rekenrente lager kan zijn dan 4% zonder dat dit tot aanpassing van de wettekst heeft geleid. In het berechte geval leidde toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 tot het onredelijke resultaat dat onmiddellijk na de (zakelijke) overname van een pensioenverplichting een deel van de (commercieel bepaalde) verplichting waarop de overnamesom was gebaseerd, belast vrijviel in de fiscale winst. De annotatoren leidden uit dit arrest af dat u geen ruimte zag voor de rechter om dit onredelijke resultaat te voorkomen en dat de wetgever dus aan zet was. In de daarop volgende zaken HR BNB 2016/50 en HR BNB 2017/5 bleef u bij de in HR BNB 2016/14 uitgezette lijn, ook al zette de literatuur na HR BNB 2016/14 vraagtegens bij het juridische bestaansrecht en de wenselijkheid van een minimum rekenrente voor waardering van pensioenverplichtingen. In deze drie arresten deden de belanghebbenden geen beroep op het eigendomsgrondrecht van art. 1 Protocol I EVRM. In de zaken waarop deze bijlage ziet, wordt dat beroep wel gedaan.
1.7
De vraag rijst daardoor of de lijn van de drie genoemde arresten nog voortgezet moet worden, met name gegeven uw nadien gewezen box 3-arrest HR BNB 2022/27, dat inhoudt dat de sinds 2017 geldende box 3-heffing over verondersteld vermogensrendement op basis van een fictieve vermogenssamenstelling en een fictief rendement de ex art. 1 Protocol I EVRM vigerende fair balance schendt tussen het eigendomsgrondrecht van individuele spaarders en het publieke belang van de overheid bij belastinginkomsten.
1.8
Bij de vraag of art. 1 Protocol I EVRM is geschonden, onderzoekt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) of het ingeroepen recht een ‘eigendom’ (possession) is en bij bevestigende beantwoording of inbreuk is gemaakt op die eigendom (interference). Is dat het geval, dan moet beoordeeld worden of die inbreuk is voorzien bij de wet (lawful) en een gerechtvardigd doel in het algemeen belang nastreeft (legitimate aim), en tenslotte of een redelijk evenwicht (fair balance) is getroffen tussen het met de inbreuk nagestreefde doel en de bescherming van de fundamentele rechten van de individu.
1.9
Het eigendomsrecht moet ruim worden uitgelegd, heeft een autonome EVRM-betekenis en is niet beperkt tot materiële zaken. Het EHRM onderscheidt (i) ‘existing possessions’ en (ii) ‘assets, including claims, in respect of which an applicant can argue that he has at least a “legitimate expectation” that they will be realised’, te vertalen als bestaande bezittingen en legitieme aanspraken. De essentiële eigenschap van eigendom in de zin van art. 1 Protocol I is economische waarde, die objectief, op geld waardeerbaar en voldoende vast omlijnd moet zijn. Zo oordeelde het EHRM in Optim and Industerre v. Belgium1.dat, hoewel de klagers gerechtvaardigd verwacht hadden dat hun uit de wet voortvloeiende belastingschuld door verjaring zou vervallen, zij geen eigendom in de zin van art. 1 Protocol I hadden, omdat nog een procedure liep over de omvang van de belastingschuld waardoor die schuld nog niet vaststond en niet geëxecuteerd kon worden.
1.10 (
(Verwacht) toekomstig inkomen valt in beginsel niet onder art. 1 Protocol I EVRM, dat geen recht schept op eigendom die de belanghebbende nog niet bezit. Een aanspraak of verwachting is pas een possession als aan een voorwaarde voor gerechtigdheid wordt voldaan, bijvoorbeeld doordat de aanspraak of verwachting is gebaseerd op een wettelijke bepaling of een rechterlijk oordeel. De gerechtvaardigde verwachting moet hebben bestaan dat het effectieve genot van eigendom zou zijn verworven als de overheidsinbreuk niet zou hebben plaatsgevonden.
1.11
Is sprake van een possession, dan moet beoordeeld worden of de overheid daarop inbreuk heeft gemaakt. Het EHRM onderscheidt drie soorten inbreuken: (i) ontneming van eigendom, (ii) regulering of beperking van eigendom en (iii) overige inbreuken. Belastingheffing is steeds een inbreuk op het eigendomsrecht van de belastingplichtige en wordt meestal gezien als regulering of beperking van eigendom.
1.12
Nu art. 3.29 Wet IB 2001 bij geldige voorafgaande formele wet is ingevoerd en diens budgettaire doel niet illegitimate genoemd kan worden, gaat het in de drie cassatieberoepen waarop deze bijlage ziet vooral om twee vragen: (i) leidt de bewuste fiscale onderwaardering van pensioenverplichtingen tot de aantasting van een ‘existing possession’ of een ‘legitimate expectation’ van de belastingplichtige, en zo ja: (ii) treft die aantasting van eigendom een fair balance tussen private eigendom en budgettair overheidsbelang?
1.13
Het meest in de buurt komende precedent is dat van HR BNB 2018/1262.over de beperking in 2007 van de tot dan toe onbeperkte voorwaartse fiscale verliesverrekening tot negen jaar, waardoor de belanghebbende in die zaak € 135.524 aan verrekenbare verliezen kwijtraakte. Hij achtte dat een schending van zijn legitimate expectation van toekomstige lagere heffing door onbeperkte carry forward van zijn oude verliezen omdat de verliezen bij onherroepelijke beschikking waren vaststeld. U heeft de vraag of de op die beschikkingen gebaseerde verwachting van onbeperkte verliesverrekening een possession is ex art. 1 Protocol I EVRM niet zichtbaar beantwoord, maar geoordeeld dat de wetgever binnen zijn wide margin of appreciation was gebleven en de fair balance dus niet had geschonden omdat burgers er niet op kunnen vertrouwen dat belastingwetgeving ongewijzigd blijft en dus ook niet dat eens ingevoerde onbeperkte verliesverrekening altijd zal blijven bestaan. Bovendien vestigden de verliesvaststellingsbeschikkingen volgens u geen onvoorwaardelijk recht op verrekening, maar strekten zij slechts tot zekerheid over de omvang van het verlies van het desbetreffende jaar. Dit oordeel is vaag omdat het eerste argument impliceert dat de verwachting van onbeperkte verliesverrekening wél een possession was, terwijl het tweede argument impliceert dat die verwachting géén possession was omdat de basis van de verwachting – de verliesvaststellingsbeschikking – niet zou strekken tot het toekennen van rechten.
1.14
Uit uw rechtspraak volgt dat u bij de beoordeling van de fair balance de effecten van de gewraakte belastingheffing beziet in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene, inclusief eventuele effecten in latere jaren.
1.15
In de drie conclusies waarbij deze bijlage gaat, pas ik de onderstaande bevindingen, met name de rechtspraak van het EHRM toe op de vragen of in de drie gevallen sprake is van een interference in een possession van de belanghebbenden waarbij een fair balance ontbreekt.
2. De wet
A. De Wet IB 2001
2.1
Bij de fiscale winstbepaling zijn de artt. 3.8 en 3.25 Wet IB 2001 fundamenteel omdat zij de totaal- en jaarwinstbeginselen formuleren. Art. 3.8 Wet IB 2001 (totale winst) luidt:
“Winst uit een onderneming (winst) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming.”
2.2
Art. 3.25 Wet IB 2001 rekent die totale winst als volgt toe aan kalenderjaren:
“De in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst. De bestendige gedragslijn kan alleen worden gewijzigd indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt.”
2.3
Art. 3.29 Wet IB 2001 maakt bij de waardering van pensioenverplichtingen inbreuk op het in art. 3.25 Wet IB 2001 voorgeschreven goede koopmansgebruik door ongeacht de realiteit en ongeacht de eisen van voorzichtigheid een minimum rendement op pensioenbeleggingen te fingeren:
“De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen vindt plaats met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, waarbij een rekenrente in aanmerking wordt genomen van ten minste 4%.”
2.4
Deze bepalingen zijn in art. 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) ook van toepassing verklaard bij de winstbepaling van vennootschapsbelastingplichtige lichamen:
“De winst wordt opgevat en bepaald op de voet van de artikelen 3.8, (…), 3.21 tot en met 3.30, (…) van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarbij voor ondernemer wordt gelezen belastingplichtige.”
2.5
Tot 1 april 2017 bevatte art. 8(6) Wet Vpb 1969 twee extra beperkingen bij de waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer als volgt:
“6. Ingeval de belastingplichtige een lichaam is als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt voor de waardering van pensioenverplichtingen, in aanvulling op artikel 3.29 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dat de verplichting niet hoger mag worden gewaardeerd dan volgens een stelsel dat correspondeert met een methode die bij verzekeraars als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij een belangrijk deel van de pensioenovereenkomsten als uitgangspunt dient voor de bepaling van de premies ingevolge die overeenkomsten. Voorts geldt als aanvulling dat bij de waardering van de verplichting geen overlevingstafel kan worden gehanteerd waarin rekening is gehouden met verwachtingen omtrent toekomstige levensverwachtingen en kan een leeftijdsterugstelling alleen worden toegepast ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en een overlevingstafel van recentere datum.”
Dit artikel is vervallen bij de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer (zie 2.8 e.v. hieronder).
2.6
Pensioenfondsen hebben geen last van art. 3.29 Wet IB 2001 en dus evenmin van een minimum rekenrente van 4%. Zij zijn subjectief vrijgesteld van winstbelasting in art. 5(1)(b) Wet Vpb. Ook levensverzekeraars hebben er geen last van in verband met de specifieke regels voor hen (art. 29 Wet Vpb juncto het Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars). Omdat, tenslotte, werkgevers met een onderbrengingsverplichting ingevolge de Pensioenwet 2007 per definitie de pensioen-verplichtingen jegens hun werknemers elders moeten onderbrengen, treft art. 3.29 Wet IB 2001 in feite alleen pensioenverplichtingen in eigen beheer.3.Geen van de drie dga’s in de drie zaken waarop deze bijlage ziet, zat bij een verplicht bedrijfstakpensioenfonds, zodat de Pensioenwet mijns inziens in geen van de drie zaken relevant is, al haalt de belanghebbende in zaak 22/01773 die wet wel aan.
2.7
Voor de budgettaire achtergrond en de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3.29 Wet IB 2001 en diens voorganger art. 9b Wet IB 1964 verwijs ik naar de onderdelen 6.5 t/m 6.21 van de conclusie voor HR BNB 2016/144.(zie 3.6 hieronder). Ik vat die achtergrond en totstandkomingsgeschiedenis als volgt samen. Het doelvermogen om toezegging van toekomstig pensioen te kunnen nakomen moet worden toegerekend aan de werkzame jaren van de pensioengerechtigde.5.Vóór de invoering in 1995 van art. 9b Wet IB 1964 werd vaak lineair toegerekend, i.e. het doelvermogen werd tijdsevenredig over die jaren verdeeld zonder rekening te houden met tussentijds beleggingsresultaat (een rentefactor) en sterftekansen.6.Dat was wel heel voorzichtig, maar niet heel realistisch. Met art. 9b Wet IB 1964 werd de lineaire methode afgeschaft (actuariële grondslagen werden verplicht) en werd een minimum-rekenrente ingevoerd, omdat initiatief-wetsvoorstellers budgettaire dekking hadden voor de door hen gewenste afschaffing van de vermogensbelasting op ondernemingsvermogen. De politieke achtergrond van art. 9b Wet IB 1964 is dus puur budgettair.7.De (initiatief-)wetgever heeft toen kennelijk niet stilgestaan bij de mogelijkheid dat de marktrente onder de 4% zou kunnen zakken. Bij de ongewijzigde overzetting van art. 9b Wet IB 1964 in art. 3.29 Wet IB 2001 is de regering wel op die mogelijkheid gewezen, maar is zij ongemotiveerd voorbijgegaan aan het gegeven dat de verzekeringsbranche toen al met een lagere marktrente rekening hield. De regering wenste ‘voor de duidelijkheid’ een ‘concrete invulling’ te geven.8.
2.8
De eerste suggesties tot afschaffing van pensioen in eigen beheer werd al gedaan tijdens het vierde kabinet Balkenende,10.maar pas eind 2012 zegde de Staatssecretaris van Financiën toe om iets te doen aan de (grote) verschillen tussen de fiscale en commerciële waardering van pensioen in eigen beheer omdat die in de praktijk tot problemen leidden.11.Die toezegging werd gedaan bij de behandeling van het Belastingplan 2013. De Staatssecretaris verklaarde:12.
“De heren Essers en Bröcker vragen of het kabinet stappen wil ondernemen met pensioen in eigen beheer en om iets te doen aan de effecten die optreden door de verschillen in de commerciële en fiscale waardering van de pensioenverplichtingen. Het verschil tussen de fiscale en commerciële waardering hangt samen met de bijzondere positie van het pensioen in eigen beheer. Voor de jaarlijkse winstbepaling zijn regels gesteld die beogen dat de pensioenlasten voor een DGA evenwichtig in de tijd worden verdeeld. Op deze verdeling in de tijd zien de fiscale waarderingsregels toe. Het stuk gaat over de behandeling van het pensioen in het kader van de vennootschapsbelasting. Het vermogen dat voor pensioen is gereserveerd, mag aangewend worden voor het financieren van de ondernemingsactiviteiten van de besloten vennootschap. Tegelijkertijd blijft er op de pensioen-bv ook een pensioenverplichting rusten. Om te beoordelen of een pensioen-bv voldoende geld heeft om een dividend uit te keren, is het nodig om te kijken naar de commerciële en bedrijfseconomische waarde van de pensioenverplichting. Bij het uitkeren van dividend is namelijk de commerciële balans van de vennootschap altijd het uitgangspunt. Dat geldt dus ook voor de pensioenverplichting. Alleen bij het hanteren van een dergelijk uitgangspunt kan immers worden bepaald of een pensioen-bv aan de civielrechtelijke verplichtingen voldoet. Dat uitgangspunt kan ik niet loslaten, omdat ik dan zou goedkeuren dat concurrente crediteuren mogelijk worden benadeeld. Dat kan natuurlijk niet. Ook een gewezen partner met een pensioenrecht op de bv zou hierdoor kunnen worden getroffen. Ik ben mij ervan bewust dat het hanteren van twee waarderingsstelsels naast elkaar kan leiden tot onduidelijkheden en naar het gevoel van sommigen ook tot onevenwichtigheden. Om die reden zeg ik toe te kijken of er mogelijkheden zijn om de gevolgen van het huidige onderscheid tussen commerciële en fiscale waarderingsregels bij pensioen in eigen beheer te mitigeren.
2.9
Dit leidde tot verschillende brieven en Kamervragen en -antwoorden.13.Aanvankelijk zag de discussie vooral op mogelijkheden om binnen het bestaande systeem knelpunten weg te nemen, maar uiteindelijk gaf het kabinet er de voorkeur aan om het pensioen in eigen beheer helemaal af te schaffen.14.De belangrijkste redenen daarvoor waren (i) de fiscale aantrekkelijkheid ervan bestond niet meer, (ii) de waardering van pensioenverplichtingen was zeer complex geworden, vooral door de zeer lage commerciële marktrente en de fiscaal verplichte waardering naar een rekenrente van 4%, en (iii) de financiële positie van veel eigen-beheer-pensioen-BV’s was zo slecht dat veel ervan niet aan hun verplichting zouden kunnen voldoen.15.De MvT bij de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen vermeldt (‘PEB’ staat voor ‘pensioen in eigen beheer’):16.
“Gedurende langere tijd was het PEB een aantrekkelijke regeling voor de dga. Hij kon onder fiscaal gunstige voorwaarden binnen zijn besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bv) een pensioen opbouwen met als groot voordeel dat dit niet ten koste ging van de ruimte voor het doen van investeringen binnen de bv. De aantrekkelijkheid van het PEB is inmiddels grotendeels verdwenen. Hieraan liggen verschillende redenen ten grondslag, namelijk (…) de waardering van de pensioenverplichting. Verder zijn er de steeds groter wordende verschillen tussen de fiscale en de commerciële waardering van de pensioenverplichting, mede ten gevolge van de lage rentestand die relevant is voor de commerciële waardering terwijl voor de fiscale waardering een vaste rekenrente van (ten minste) 4% dient te worden gehanteerd. Voor de fiscale ruimte tot het uitkeren van dividend is uitsluitend de (hoge) commerciële waarde van de pensioenverplichting van belang. Ingeval – rekening houdend met de commerciële waarde van de pensioenverplichting – onvoldoende middelen in de bv aanwezig zijn om dividend uit te keren, wordt het uitkeren van dividend aangemerkt als een afkoop van de (gehele) pensioenaanspraak (dividendklem). Over het daaruit voortvloeiende gebrek aan flexibiliteit klagen veel dga’s. (…). De voornaamste oorzaak (…) voor het verschil tussen de fiscale waarde en de commerciële waarde zoals die zich in het bijzonder in de laatste jaren heeft gemanifesteerd, is de rentestand die lager is dan de wettelijk voorgeschreven fiscale rekenrente van (ten minste) 4%. Bij de berekening van de commerciële waarde wordt – anders dan voor de fiscale waardering – wel met die lagere rentestand rekening gehouden. De commerciële waarde van de pensioenverplichting is daarom, als gevolg van de huidige lage rentestand, momenteel aanzienlijk hoger dan de fiscale waarde van de pensioenverplichting.”
De MvT benoemt de problemen die door het verschil tussen commercieel en fiscaal kunnen ontstaan als volgt:17.
“De gevolgen van dit verschil kunnen fors zijn. Voor de heffing van loonbelasting wordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer, dat wil zeggen het bedrag dat aan een onafhankelijke, externe verzekeraar zou moeten worden betaald om het toegezegde pensioen aan te kopen, terwijl voor de vennootschapsbelasting de fiscale (balans)waarde uitgangspunt is. Kleine rechtspersonen mogen de commerciële jaarrekening opstellen op basis van de fiscale waarderingsgrondslagen (commercieel volgt fiscaal). Dit lijkt weliswaar een deel van het probleem weg te nemen, maar het heeft slechts tot gevolg dat het eigen vermogen van die rechtspersoon hoger lijkt dan het werkelijk is, waardoor vaak (ten onrechte) wordt gedacht dat er ruimte is om dividend uit te delen. In gevallen waarbij de verplichting op de balans is opgenomen op basis van de fiscale waarderingsgrondslagen en er dividend wordt uitgedeeld, wordt het deel van het vermogen aangetast dat commercieel voor het pensioen gereserveerd zou moeten blijven. Als dat het geval is, kan dat ertoe leiden dat het pensioen voor de toepassing van de loonbelasting geacht wordt te zijn afgekocht en in de heffing van loonbelasting betrokken wordt.”
Daarom deed de regering de volgende voorstellen voor het pensioen in eigen beheer:
a) Met ingang van 1 januari 201718.is het niet langer mogelijk om nog fiscaal gefaciliteerd nieuwe pensioenaanspraken op te bouwen in eigen beheer (dus is het ook niet langer mogelijk om nog te doteren aan eventueel reeds in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken).
b) De dga wordt gedurende een periode van drie jaar de mogelijkheid geboden zijn opgebouwde pensioenaanspraak af te kopen. Deze afkoopmogelijkheid betekent het volgende:
– De pensioenaanspraak wordt fiscaal geruisloos (zonder loonbelasting, revisierente en vennootschapsbelasting) afgestempeld naar het niveau van de waarde van de pensioenverplichting op de balans voor de heffing van vennootschapsbelasting (fiscale waarde van de pensioenverplichting).
– Die fiscale waarde van de pensioenverplichting vóór de afstempeling vormt het uitgangspunt (de grondslag) voor de vaststelling van de grondslag van de loonbelasting die verschuldigd is ter zake van de afkoop, met dien verstande dat op deze grondslag een korting wordt verleend.
– Ter zake van de afkoop is geen revisierente verschuldigd.
c) De dga voor wie een afkoop geen reële optie is, wordt de mogelijkheid geboden om op het moment van het fiscaal geruisloos afstempelen van de pensioenaanspraak naar het niveau van de fiscale waarde van de pensioenverplichting, de pensioenaanspraak om te zetten in een aanspraak ingevolge een zogenoemde oudedagsverplichting (…).
2.10
Art. 10a.19 Wet IB bevat het overgangsrecht bij de uitfasering van pensioenen in eigen beheer. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Met betrekking tot pensioenvoorzieningen waarvoor een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2016, als verzekeraar optreedt, blijven de artikelen 3.18, eerste lid, tweede volzin, en vijfde lid, 3.27, tweede, derde en vierde lid, 3.83, tweede en zevende lid, 5.17, tweede lid, en 7.2, achtste lid, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, zoals die artikelen en bepalingen luidden op 31 december 2016, van toepassing.
2. Bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst wordt een oudedagsverplichting als bedoeld in artikel 38p van de Wet op de loonbelasting 1964, in afwijking van artikel 3.29, gewaardeerd met inachtneming van de marktrente, bedoeld in artikel 38p, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. (…).”
Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM)
2.11
Art. 1 Protocol I EVRM garandeert het eigendomsrecht. Het luidt in de twee authentieke talen:
“Every natural or legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possessions except in the public interest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of international law.
The preceding provisions shall not, however, in any way impair the right of a State to enforce such laws as it deems necessary to control the use of property in accordance with the general interest or to secure the payment of taxes or other contributions or penalties.”
“Toute personne physique ou morale a droit au respect de ses biens. Nul ne peut être privé de sa propriété que pour cause d’utilité publique et dans les conditions prévues par la loi et les principes généraux du droit international.
Les dispositions précédentes ne portent pas atteinte au droit que possèdent les États de mettre en vigueur les lois qu’ils jugent nécessaires pour réglementer l’usage des biens conformément à l’intérêt général ou pour assurer le paiement des impôts ou d’autres contributions ou des amendes.”
2.12
De officiële, maar niet authentieke, Nederlandse vertaling luidt:
“Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”
3. Rechtspraak en literatuur over de minimum rekenrente in art. 3.29 Wet IB 2001
3.1
Tot de invoering in 1995 van art. 9b Wet IB 1964, de voorloper van art. 3.29 Wet IB 2001, hield uw rechtspraak in dat goed koopmansgebruik zich niet verzet tegen toepassing van het gelijkmatig doelvermogen opbouwende lineaire stelsel voor de waardering van pensioenverplichtingen voor slechts één of enkele werknemers.19.Tot 2000 werd het goed koopmansgebruik geacht om bij pensioenverplichtingen in eigen beheer uit te gaan van de (lage) rekenrente die door levensverzekeraars werd gebezigd (toen 4,5%). De rechtspraak sloot zich daarbij aan. Bollen-Vandenboorn merkt hierover op:20.
“Volgens vaste jurisprudentie was het ook voor pensioenverplichtingen in eigen beheer toegestaan uit te gaan van deze lage rekenrente. Zo werd in HR 14 februari 1973, nr. 16 973, BNB 1973/173 (noot M.J.H. Smeets) een rekenrente van 4½% als in overeenstemming met g.k.g. aangemerkt. Deze jurisprudentie week daarmee af van die inzake andere langlopende verplichtingen, waar g.k.g. steeds waardering op basis van actuele marktrente voorschrijft.”
Het verschil tussen de door verzekeraars gebruikte rekenrente en de hogere marktrente voor langlopende leningen werd volgens Bollen-Vandenboorn verklaard door het gegeven dat het onzeker is óf en hoe lang een hoge rentestand zich zal handhaven gedurende de zeer lange periode van opbouw van het pensioenkapitaal.
3.2
Een omslag kwam met uw arrest HR BNB 2000/275,21.inhoudende dat pensioen- en lijfrenteverplichtingen voortaan gewaardeerd moesten worden op basis van de marktrente op langlopende leningen. U overwoog:
“-3.4. Ten aanzien van het op 31 december 1992 nog niet ingegane pensioen handelt belanghebbende volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad - zie zijn arresten van 29 april 1970, nr. 16 293, BNB 1970/164, 14 februari 1973, nr. 16 973, BNB 1973/173 en 20 maart 1985, nr. 22 716, BNB 1985/147 - niet in strijd met goed koopmansgebruik door bij de waardering van het daarop betrekking hebbende gedeelte van de pensioenverplichting op de winstbepalende balans voor de bepaling van het doelvermogen uit te gaan van de rekenrente die verzekeringmaatschappijen hanteren. Volgens deze jurisprudentie behoeft ter bepaling van de op de balans op te voeren pensioenverplichting ter zake van een nog niet ingegaan pensioen ter bepaling van de omvang van het doelvermogen - in verband met de onbepaalbaarheid van de toekomstige rentestand - geen rekening te worden gehouden met door de verzekeringmaatschappijen te verlenen rentestandkortingen.
De Hoge Raad is evenwel tot het inzicht gekomen dat de onbepaalbaarheid van de toekomstige rentestand onvoldoende motivering biedt om pensioen- en lijfrenteverplichtingen wat de te hanteren rekenrente betreft anders te waarderen dan andere langlopende verplichtingen, bij welke laatste verplichtingen de te hanteren rekenrente wordt bepaald door de marktrente voor langlopende leningen (HR 13 maart 1974, nr. 17 256, BNB 1974/158).
(…).
3.6.
Pensioen- en lijfrenteverplichtingen - zowel ingegane als niet ingegane - dienen, evenals andere langlopende verplichtingen, op de winstbepalende balans te worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen ten tijde van het aangaan van de verplichtingen, met dien verstande dat bij een daling van de rentestand de verplichtingen dienovereenkomstig hoger mogen worden gewaardeerd en bij een nadien optredende stijging van de rentestand de verplichtingen dienovereenkomstig lager moeten worden gewaardeerd doch niet lager dan zij oorspronkelijk zijn gewaardeerd.
3.7.
Aan het vertrouwen dat is gewekt door de hiervóór in 3.4 vermelde jurisprudentie moet op redelijke wijze worden tegemoetgekomen. Die jurisprudentie zal daarom haar gelding blijven behouden voor alle verplichtingen ter zake van pensioenen en lijfrenten die zijn aangegaan of overgenomen vóór 1 september 2000. Een toename van pensioenverplichtingen door de stijging van de diensttijd wordt daarbij niet aangemerkt als het aangaan van nieuwe verplichtingen, evenmin als een toename daarvan door een aanpassing aan de lonen en prijzen ten gevolge van een vóór 1 september 2000 gemaakt beding.”
3.3
U stelde aldus een maximumwaarderingsregel voor langlopende verplichtingen.22.De literatuur concludeerde dat u daarmee meer gewicht gaf aan het realiteitsbeginsel van goedkoopmansgebruik dan aan het traditionele voorzichtigheidsbeginsel.23.Hoogendoorn annoteerde in BNB 2000/275:
“De Hoge Raad heeft de gelegenheid aangegrepen om een wijziging aan te brengen in een tot dusverre bestendige jurisprudentie. Het is mijns inziens een goede zaak, wanneer de Hoge Raad een constante jurisprudentie van tijd tot tijd 'tegen het licht houdt', sc. mits zulks met prudentie geschiedt. De wijziging, die de Hoge Raad in dit arrest aanbrengt, kan worden uitgelegd als een accentverschuiving van 'voorzichtigheid' naar 'realiteit'. De maatschappelijke werkelijkheid is echter niet een op een en dezelfde wijze te duiden fenomeen; daarvoor is de maatschappelijke en economische werkelijkheid te veelvormig. In concreto: vergelijkingen met andere langlopende verplichtingen kunnen zinvol zijn, mits de verplichtingen vergelijkbaar zijn! Is geen 'markt' voorhanden, dan zal naar recht en redelijkheid een passende rente worden gezocht. De eis van vergelijkbaarheid betreft mijns inziens niet slechts de duur van de verplichtingen, maar ook de aard van de (langlopende) verplichtingen. Pensioenen beogen voorziening in levensonderhoud. De verplichting of de gewoonte om pensioenen waardevast te houden indien en voorzover althans een behaalde overrente (behaald rendement boven basisrente) dit mogelijk maakt, houdt rechtstreeks verband met de doelstelling van een pensioenvoorziening. Een waardering van dergelijke langlopende verplichtingen op basis van marktrente (nominale) verplichtingen minus geschatte inflatie met een minimum van 4% ligt in de reden; '4%', dankzij 'art. 9b' (dat indertijd uit opportunisme is geboren, maar waarvan de opportuniteit intussen is achterhaald door de afschaffing van de vermogensbelasting).”
3.4
Die maximumwaarderingsregel zou niettemin na de kredietcrisis tot veel hogere pensioenverplichtingen geleid hebben dan de nooit aan de werkelijkheid aangepaste rekenrente ad 4% in art. (thans) 3.29 Wet IB 2001. In het tweede decennium van de 21ste eeuw is de rente structureel (ver) beneden de 4% gezakt, maar is art. 3.29 Wet IB 2001 niet aangepast aan die werkelijkheid.
3.5
Voor een overzicht van uw rechtspraak tussen HR BNB 2000/275, toen men nog 6% op staatsobligaties ontving, en de hieronder te behandelen rechtspraak vanaf HR BNB 2016/14, over de post-kredietcrisis-era met zeer lage tot negatieve rentestanden, verwijs ik naar onderdeel 8 van de conclusie voor HR BNB 2016/14.
3.6
HR BNB 2016/1424.betrof een pensioenlichaam dat voor € 1.903.753 een pensioenregeling had overgenomen van haar moedervennootschap. Dat bedrag omvatte een netto overnamevergoeding van € 1.883.53 en een kostenopslag van € 20.000. De overnamevergoeding was berekend op basis van 3,23% rekenrente. De marktconformiteit van een en ander stond niet ter discussie. De belanghebbende waardeerde de pensioenverplichting - dus, uiteraard - op het bedrag van de door haar ontvangen overnamevergoeding. De Inspecteur stelde echter onder meer dat art. 3.29 Wet IB 2001 ertoe noopte de pensioenverplichting te waarderen op basis van een rekenrente van ten minste 4%, hetgeen ertoe zou leiden dat een aanzienlijk deel van de ontvangen overnamesom meteen belast zou worden als gevolg van de vrijval van hetzelfde deel van de pensioenverplichting. Het Hof stelde de Inspecteur op dit punt in het gelijk; dura lex sed lex.
De conclusie bevatte onder meer de volgende beschouwing over art. 3.29 Wet IB 2001:
“10.3. (…) de artt. 9b Wet IB 1964 (art. 3.29 Wet IB 2001) en art. 8(6) Wet Vpb zijn ingrepen in goed koopmansgebruik om budgettaire redenen. Van art. 9b is dat wel heel duidelijk: dat was een pure dekkingsmaatregel van initiatiefwetsvoorstellers met een heel ander politiek motief, welk motief geld kostte waar een bezuinigings- of belastingverhogingsbron voor aangeboord moest worden. Art. 8(6) is een désaveu van uw invulling van goed koopmansgebruik waarvan senator Essers mijns inziens overtuigend betoogde dat zij hopeloos innerlijk tegenstrijdig is, om niet te zeggen opportunistisch. Beide maatregelen hebben dus een zwakke rechtsgrond. Die van art. 9b is nog het minst zwak, omdat – zeker in het huidige digitale tijdgewricht – met de initiatiefwetsvoorstellers aangenomen kan worden dan het eenvoudsbeginsel weinig gewicht meer in de schaal legt en actuariële grondslagen niet teveel gevraagd zijn. Daar staat tegenover dat in een tijd van structureel zeer aanzienlijk lagere marktrente voor een minimumrekenrente van 4% geen andere kwalificatie accuraat is dan: onrealistisch. (…). Met de boven geciteerde auteurs zie ik geen redelijke (niet-budgettaire) grond voor eenzijdige afwijking van de lange rente.
10.5.
10.6.
Dat hoeft niet tot problemen te leiden als de marktrente hoger is dan 4%. Dan kan gekozen worden voor voorzichtigheid (preBNB 2000/275) of voor realiteit (postBNB 2000/275) en kunnen beide keuzen stroken met zowel goed koopmansgebruik (afhankelijk van welk beginsel prevaleert) als met art. 3.29 Wet IB 2001 (de voorzichtige rekenrente is immers minstens 4%). Is de marktrente echter lager dan 4% (zoals al jaren structureel het geval is en nog wel even het geval zal blijven), dan is met goed koopmansgebruik slechts in overeenstemming waardering van pensioenverplichtingen op basis van ofwel die lagere marktrente (realiteitsbeginsel) ofwel een nóg lagere rente (voorzichtigheidsbeginsel). Een rekenrente lager dan 4% is echter niet in overeenstemming met art. 3.29 Wet IB 2001, zodat niet tegelijk aan zowel art. 3.25 als aan art. 3.29 Wet IB 2001 voldaan kan worden en de vraag rijst welke bepaling bij conflict voorrang heeft.
10.7.
Mede gezien de duidelijke (budgettaire) bedoelingen van de wetgever kan er weinig twijfel over bestaan dat bij conflict art. 3.29 Wet IB 2001 het goede koopmansgebruik van art. 3.25 Wet IB 2001 wegdrukt. Dat dit tot onrealistisch lage voorzieningen leidt, is niet aan de rechter om te verhelpen. Ook art. 8(6) Wet Vpb gaat bij conflict, om dezelfde reden, vóór op art. 3.25 Wet IB 2001. Het conflict is hier overigens bepaald minder scherp.
Asymmetrische gevolgen; pensioentekorten in eigen beheer
10.8.
Zoals reeds bleek, ontstaat daardoor een asymmetrische regelomgeving. (…).
10.9.
Bij de invoering van art. 9b Wet IB 1964 (art. 3.29 Wet IB 2001) heeft de wetgever kennelijk niet stilgestaan bij de mogelijkheid dat de marktrente onder de 4% zou kunnen zakken, laat staan bij de mogelijkheid dat zij daar structureel beneden zou blijven. Bij het ongewijzigd overschrijven van die bepaling in art. 3.29 Wet IB 2001 is de regering daar wel op gewezen, maar heeft zij ervoor gekozen ongemotiveerd voorbij te gaan aan het gegeven dat de verzekeringsbranche toen reeds met een lagere marktrente rekening hield (zie 6.17 t/m 6.20). Hoewel waardering van pensioenverplichtingen met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen impliceert dat de rekenrente niet hoger is dan de marktrente, wenste de regering ‘voor de duidelijkheid’ ‘concrete invulling’ te geven. Waarom die duidelijkheid en concrete invulling eenzijdig moesten zijn, is niet opgehelderd.
10.10.
Door deze asymmetrische regelomgeving ontstaan complicaties:
(i) Bij de bepaling van het doelvermogen geldt een rekenrente van 4%, ook als de marktrente lager is (zie 10.9), waardoor een te laag doelvermogen wordt bepaald. De passiefpost “pensioenverplichting” zal op pensioeningangsdatum te laag zijn om (winstneutraal) het pensioen te dekken: na pensioeningangsdatum zal deels ten laste van de (dan hopelijk aanwezige) winst van het pensioenlichaam uitgekeerd moeten worden.
(ii) Ook bij de verdeling van dat te lage doelvermogen over de opbouwperiode moet van 4% rente uitgegaan worden ook al is de marktrente lager; daardoor worden de opbouwlasten onrealistisch naar latere dienstjaren verschoven (zie 10.9);
(iii) Omdat de marktrente lager is dan 4%, wordt een lager rendement gehaald op de ingelegde premies behaald dan het 4%-rendement waarmee de pensioenverplichting oprent. De actiefposten waaruit het pensioen betaald zal moeten worden (de pensioenpot) rent dus aanzienlijk langzamer op dan de passiefpost.
10.11.
Dit betekent dat tegenover het (al te lage) doelvermogen ook nog eens reeds in de opbouwfase onvoldoende actief opgebouwd wordt om dat doelvermogen te halen. De pensioenpot is leeg voordat de pensioenverplichting is gedekt. En zelfs al zou de geactiveerde pensioenpot gelijk zijn aan de gepassiveerde pensioenverplichting, dan nog is er, door de te lage passivering, een tekort aan actief om de pensioenuitkeringen te dekken, dat niet ingelopen zal worden, tenzij de beleggingsopbrengsten (de marktrente) (meteen) na pensioeningangsdatum structureel zeer aanzienlijk boven de 4% uit zullen komen.
10.12.
De regering is zich hiervan bewust:25.
“De commerciële waarde van de pensioenverplichting is momenteel, als gevolg van de huidige lage rentestand, aanzienlijk hoger dan de fiscale waarde van de pensioenverplichting.”
Dat grote verschil tussen de economische werkelijkheid en de fiscale boeking ervan ontstaat niet slechts door de fiscaal te hoge rekenrente (art. 3.29 Wet IB 2001), maar ook door het fiscale verbod op leeftijdsterugstelling (art. 8(6) Wet Vpb) en het fiscale verbod op rekening houden met toekomstige loon- en prijsstijgingen (art. 3.26 Wet IB 2001). Eind 2009 bedroeg de totale fiscale waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer circa € 31 miljard, en de commercieel gewaardeerde totale verplichting circa € 73 miljard.26.De regering lijkt om budgettaire redenen niet van plan iets aan dit indrukwekkende verschil te veranderen:27.
“Belangrijk punt is bovendien dat deze optie [fiscale pensioenverplichting berekenen op commerciële basis; PJW] forse negatieve budgettaire consequenties heeft. Naar het zich laat aanzien zal dit bij de huidige rentestand een totale budgettaire derving van € 10 miljard met zich brengen, waarvan € 950 miljoen in het eerste jaar. De fiscale hoogte van de pensioenverplichting zal immers onder de huidige omstandigheden fors toenemen als de fiscale waardering zou moeten plaatsvinden op basis van commerciële uitgangspunten. In dat geval zal, als de marktrente boven de 4% uitstijgt, zich een tegenovergesteld effect voordoen (aangenomen dat fiscaal steeds de commerciële waarde leidend is).”
Gevolgen bij overdracht van een pensioenverplichting aan een pensioen-BV
10.13.
Uit HR BNB 2006/278 (zie 8.3) blijkt dat een zakelijke overdrachtsvergoeding voor een pensioenverplichting in eigen beheer kan worden gebaseerd op de “koopsom die zou zijn overeengekomen tussen zakelijk handelende partijen, zoals het geval is bij overdracht van de verplichtingen aan een verzekeringsmaatschappij”. Dat arrest leert voorts dat art. 9b Wet IB 1964 (art. 3.29 Wet IB 2001) alleen de jaarwinstbepaling en niet de totaalwinst betreft, zodat bij de bepaling van de overdrachtsvergoeding geen rekenrente van minstens 4% in acht hoeft te worden genomen. De overdrachtsvergoeding (gebaseerd op de zakelijke lagere marktrente die verzekeraars gebruiken) komt daardoor op een hoger bedrag uit dan het opgebouwde (gepassiveerde) deel van het (te lage) doelvermogen, dat immers verplicht bepaald is met inachtneming van een te hoge rekenrente ad 4%. Daardoor ontstaat bij de overdrager van de pensioenverplichting een verlies: de zakelijke overnamevergoeding die zij aan de overnemer van de verplichting moet betalen is hoger dan het bedrag dat zij heeft kunnen passiveren. Dat een dergelijk verlies bij de overdrager aftrekbaar is, staat niet ter discussie. De Staatssecretaris heeft op dat punt ook geen cassatieberoep ingesteld tegen ’s Hofs uitspraak over belanghebbendes wederpartij in de bij u aanhangige zaak met nummer 13/04120, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
10.14.
Bij de overnemer (in casu de belanghebbende) gebeurt het omgekeerde: bij haar moet aan het einde van het jaar waarin de pensioenverplichting is overgenomen, die verplichting worden gewaardeerd met inachtneming van art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8(6) Wet Vpb. Daardoor ontstaat fiscaal winst: de pensioenverplichting moet per jaarultimo op een lager bedrag gewaardeerd worden dan de op het moment van overname ontvangen zakelijke overnamevergoeding. Dit is een niet-bestaande winst, neming waarvan manifest in strijd is met het voorzichtigheidsbeginsel en het realiteitsbeginsel van het goede koopmansgebruik in de zin van art. 3.25 Wet IB 2001.
10.15.
Dat goede koopmansgebruik wordt echter doorkruist door het slechte koopmansgebruik van de twee andere genoemde bepalingen, (…). Wat de totaalwinst betreft, is er (dogmatisch) geen probleem: die winst wordt in latere jaren ingehaald door hogere aftrekbare kosten, ofwel gedurende de opbouwfase (dotatie aan en oprenting van de pensioenverplichting tot maximaal het doelvermogen), ofwel gedurende de uitkeringsfase als blijkt dat een te laag doelvermogen is gepassiveerd waardoor pensioenuitkeringen ten laste van de actuele jaarwinst komen. De toepassing van de artt. 3.29 Wet IB 2001 en 8(6) Wet Vpb leidt bij een overdracht zoals in casu dus weliswaar tot een niet-gerealiseerde jaarwinst bij de overnemer in het jaar van overdracht (en een concomitant verlies bij de overdrager), maar niet tot totaalwinst. Dat de overdrager verlies kan nemen, is terecht: dat had hij volgens goed koopmansgebruik al veel eerder moeten doen, maar dat werd tegengehouden door diezelfde artt. 3.29 Wet IB 2001 en 8(6) Wet Vpb.
10.16.
Omdat de overdrager verlies kan nemen en dus belasting terug kan vragen (als zij winsten had waartegen dat verlies afgezet kan worden), is het op zichzelf niet onredelijk – aangenomen dat men het naar de toekomst duwen van de aftrek van pensioenlasten ex de artt. 3.29 Wet IB 2001 en 8(6) Wet Vpb niet op zichzelf al onredelijk vindt – dat de overnemer hetzelfde bedrag aan winst moet nemen en dus in beginsel hetzelfde bedrag aan belasting moet betalen: aldus wordt de werking van de genoemde bepalingen als het ware doorgeschoven naar het opvolgende pensioenlichaam. Wel zitten aftrek en belastbaarheid bij verschillende belastingplichtigen, hetgeen de bepaling van een zakelijke overnamevergoeding tussen hen bemoeilijkt.
10.17.
Dat is echter geen principieel, maar praktisch bezwaar. Principiëler is het bezwaar dat de wettelijke temporele beperking van achterwaartse verliesverrekening er bij zulke lang lopende verplichtingen als pensioenverplichtingen licht toe kan leiden dat die tussentijdse verplichte ongerealiseerde-winstneming niet gecompenseerd kan worden met binnen die korte carry back termijn28.te lijden verliezen. Alsdan is er wél een (onredelijk) totaalwinsteffect. Dit is echter wellicht eerder toe te schrijven aan die temporeel beperkte verliescompensatie dan aan de werking van de artt. 3.29 Wet IB 2001 en 8(6) Wet Vpb.
10.18.
Bovendien moet de belasting daadwerkelijk (meteen) betaald worden. Een deel van het actief bestemd voor pensioenopbouw en -uitkering verdwijnt aldus naar de gemeenschap (daar staat echter tegenover dat de overdrager belasting terug krijgt, aangenomen dat zij haar overdrachtsverlies kan afzetten tegen andere winsten). Het door die betaling ontstane (extra) tekort aan de actiefkant zal, gelet op de lagere marktrente dan 4%, wellicht niet meer worden ingehaald in latere jaren waarin wél een significant hogere marktrente vigeert.
(…).”
U oordeelde dat inderdaad de rechter de belanghebbende niet kon beschermen tegen de doelbewust tegen goed koopmansgebruik ingaande formele wet:
“3.2.1. Indien de in de markt gebruikelijke rekenrente voor de bepaling van de waarde van pensioenverplichtingen lager is dan het in artikel 3.29 Wet IB 2001 genoemde percentage van vier, leidt waardering van de pensioenverplichting met inachtneming van laatstbedoelde rekenrente tot een inbreuk op het realiteitsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel, welke beginselen deel uitmaken van goed koopmansgebruik als bedoeld in artikel 3.25 Wet IB 2001. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.29 Wet IB 2001 heeft de wetgever evenwel onder ogen gezien dat de in de markt gebruikelijke rekenrente voor de waardering van pensioenverplichtingen lager kan zijn dan vier percent, zonder dat dit heeft geleid tot aanpassing van de voorgestelde wettekst (zie de onderdelen 6.17 tot en met 6.20 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). Dat de toepassing van het in artikel 3.29 Wet IB 2001 vermelde percentage van vier onder de hiervoor bedoelde marktomstandigheden ertoe leidt dat de jaarlijkse dotatie aan een voorziening voor een toegezegd pensioen lager is dan deze volgens goed koopmansgebruik met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen zou moeten zijn, is door de wetgever aldus voorzien en aanvaard. De mogelijkheid dat de wetgever de mate van de afwijking en de tijdsduur waarin deze zich zou kunnen gaan voordoen niet heeft kunnen voorzien, en daarmee ook geen goed beeld had van de mate van hardheid die onder bepaalde voortdurende marktomstandigheden gepaard zou kunnen gaan met de toepassing van artikel 3.29 Wet IB 2001, leidt niet tot een andere uitlegging van dat artikel.
3.2.2.
In het onderhavige geval leidt de toepassing van artikel 3.29 Wet IB 2001 niet ertoe dat een lagere last in aanmerking wordt genomen, maar dat – onmiddellijk na de overname van de pensioenverplichting - een vrijval van een gedeelte van de overnamesom verplicht tot de winst wordt gerekend. Hoewel dit des te meer indruist tegen het realiteitsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel, acht de Hoge Raad, gezien de tekst van artikel 3.29 Wet IB 2001 en de ontstaansgeschiedenis daarvan, geen grond aanwezig om voor dat geval anders te oordelen dan voor het geval waarin een pensioenlast slechts in aanmerking mag worden genomen tot een bedrag dat lager is dan het volgens die beginselen van goed koopmansgebruik zou moeten zijn.
3.2.3.
Het hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 overwogene heeft eveneens te gelden met betrekking tot de toepassing van artikel 8, lid 6, tweede volzin, van de Wet Vpb 1969. Ook bij de invoering van die bepaling heeft de wetgever voorzien dat de bepaling kan leiden tot een voorziening die lager is dan deze zou zijn bij toepassing van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.
3.2.4.
Op grond van het hiervoor in 3.2.1 tot en met 3.2.3 overwogene faalt het middel voor zover het wil betogen dat artikel 3.29 Wet IB 2001 en artikel 8, lid 6, van de Wet Vpb 1969 buiten toepassing moeten blijven wegens strijd met goed koopmansgebruik of met de bedoeling van de wetgever.”
3.7
Cornelisse (noot BNB 2016/14) concludeerde dat u geen ruimte zag om de hardheid die art. 3.29 Wet IB 2001 veroorzaakt bij kapitaalmarktrente beneden 4% weg te nemen. Hij vroeg zich af die hardheid mogelijk wél bestreden kan worden als het niet om timing-verschillen gaat, maar om hardheden die hun oorzaak vinden in ‘slechte’ grondslagen:
“In het onderhavige geding was in geschil of in het kader van de balanswaardering van een pensioenverplichting die door een belastingplichtige is overgenomen, bij de overnemer het bepaalde in art. 3.29 Wet IB 2001 onverkort toepassing vindt, ook in het geval waarbij in het kader van de overdracht van die pensioenverplichting op basis van zakelijke condities een rekenrente is gehanteerd die gelet op de ontwikkelingen op de kapitaalmarkten lager is dan 4%. De gedachte dat art. 3.29 Wet IB 2001 slechts toepassing zou vinden in het kader van de bepaling van de omvang van de dotatie (tijdens de opbouwfase) aan de pensioenverplichting acht de Hoge Raad onjuist. Deze bepaling dient ook toepassing te vinden ten aanzien van de overnemer van zo’n pensioenverplichting. Dat als gevolg daarvan de overnemer na de overname van een pensioenverplichting (althans indien de in het kader van de overdracht gehanteerde rekenrente lager is dan 4%) onmiddellijk winst moet nemen, is, vanzelfsprekend, – zoals de Hoge Raad ook tot uitdrukking brengt in r.o. 3.2.2 – in strijd met de mede aan goed koopmansgebruik ten grondslag liggende beginselen van realiteit en voorzichtigheid. Gelet evenwel op de door A-G Wattel in de onderdelen 6.17-6.20 van zijn conclusie gememoreerde parlementaire geschiedenis van art. 3.29 Wet IB 2001 en de tekst van deze bepaling was er geen ruimte voor de Hoge Raad om anders te oordelen. Daarbij is nog wel interessant te wijzen op de overweging van de Hoge Raad luidende:
“De mogelijkheid dat de wetgever de mate van afwijking en de tijdsduur daarvan waarin deze zich zou kunnen gaan voordoen niet heeft kunnen voorzien, en daarmee ook geen goed beeld had van de mate van hardheid die onder bepaalde voortdurende marktomstandigheden gepaard zou kunnen gaan met de toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001, leidt niet tot een andere uitlegging van dat artikel.”
In het kader van de motivering van zijn oordeel dat art. 3.29 Wet IB 2001 ook thans (gelet op de huidige ontwikkelingen op de kapitaalmarkt) onverkort toepassing vindt, kan deze overweging niet gemist worden maar deze impliceert tegelijkertijd dat de Hoge Raad zichzelf weinig tot geen ruimte geeft om in voorkomende gevallen een geconstateerde hardheid te repareren. Wellicht dat dit anders zou kunnen zijn met betrekking tot hardheden die niet hun oorzaak vinden in ‘slecht’ goed koopmansgebruik (timingeffecten) maar in ‘slechte’ grondslagen.”
3.8
De redactie van V-N 2015/52.12 concludeerde dat de wetgever de discrepantie tussen de wettelijk voorgeschreven minimale rekenrente van 4% en de doorgaans lagere marktrente moest aanpakken:
“In onze aantekening bij de conclusie van A-G Wattel (zie V-N 2015/10.14) zijn wij uitgebreid ingegaan op een probleem dat we de laatste tijd vaker zijn tegengekomen: de discrepantie tussen de wettelijk voorgeschreven minimale rekenrente van 4% (op grond van art. 3.29 Wet IB 2001) en de huidige doorgaans veel lagere rekenrente. Waardering van de passiefpost tegen 4% resulteert doorgaans in een vrijval van een niet onaanzienlijk gedeelte van de pensioenverplichting. Wij hebben al eerder uitgesproken dat wij deze in de jurisprudentie vaak voorkomende uitkomst onbevredigend vinden, maar dat de wetgever hiervoor verantwoordelijk is en niet de rechter. De Hoge Raad maakt – geheel conform onze in de aantekening bij de conclusie van de A-G opgenomen verwachting – ondubbelzinnig duidelijk niet op de stoel van de wetgever te willen gaan zitten. Eveneens maakt de Hoge Raad ondubbelzinnig duidelijk dat het resultaat – de vrijval vanwege de rekenrente van 4% – indruist tegen het realiteitsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3.29 Wet IB 2001 heeft de wetgever dit gevolg echter bewust aanvaard, aldus de Hoge Raad in navolging van de A-G. Daarmee is het laatste woord in wezen aan de wetgever.”
In V-N 2015/10.14 had de redactie het volgende opgemerkt:
“Het primaire cassatiemiddel van belanghebbende betreft een probleem dat we de laatste tijd al vaker zijn tegengekomen, namelijk de discrepantie tussen de wettelijk voorgeschreven minimale rekenrente (4% ingevolge art. 3.29 Wet IB 2001) en de huidige doorgaans veel lagere rekenrente. (…). De waardering op balansdatum tegen 4% leidt momenteel doorgaans tot een substantieel lagere waardering van de passiefpost en belanghebbende is van mening dat dit strijdt met het voorzichtigheidsbeginsel en het realiteitsbeginsel van goed koopmansgebruik (art. 3.25 Wet IB 2001). De A-G meent echter met de feitenrechter dat de lex specialis van de artikelen 3.29 Wet IB 2001 en 8 lid 6 Wet VPB 1969 de lex generalis van art. 3.25 Wet IB 2001 opzij zetten. Wij herhalen nog maar eens wat wij ook al in onze aantekening in V-N 2013/55.14 hebben gezegd: “Wij onderschrijven derhalve de uitkomst waartoe rechtbank en hof komen, hoezeer het resultaat ook als onbevredigend kan worden ervaren. Maar daarvoor is de wetgever, en niet de rechter, verantwoordelijk.” Wij verwachten niet dat de Hoge Raad op de stoel van de wetgever zal gaan zitten. De staatssecretaris heeft over onder andere deze kwestie een brief aan de Tweede Kamer geschreven (brief van 6 december 2013, nr. DB2013/576; zie V-N 2014/2.9). Hij concludeert dat een waardering van de pensioenverplichting op commerciële basis te grote negatieve budgettaire consequenties oplevert. Van die kant is naar onze inschatting derhalve vooralsnog geen handreiking te verwachten.”
3.9
Ook Bruijsten (NTFRB 2016/5) achtte deze uitkomst even onbevredigend als juridisch correct:
“Als ik het arrest van de Hoge Raad over de fiscale gevolgen bij de overnemer lees, met de nadruk die de Hoge Raad legt op de inbreuk op het realiteitsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel, krijg ik het gevoel dat de Hoge Raad de overnemer wel tegemoet had wíllen komen, maar dat de Hoge Raad daar simpelweg niet de ruimte voor zag. Ik kan het arrest van de Hoge Raad ook in zoverre volgen dat aan de toepassingen van de wettelijke bepalingen inderdaad geen ontsnapping mogelijk lijkt, ook niet in het geval van de overname van een pensioenverplichting.29.
Ik begrijp dat het arrest bij sommigen een onbevredigend gevoel kan oproepen. Ik heb ook mijn bedenkingen bij de uitkomst. De overnemer heeft de pensioenverplichting voor een zakelijke prijs overgenomen en in eerste instantie voor die prijs gepassiveerd. Vanuit het perspectief van de totaalwinstbepaling is dat juist. Vermogensbestanddelen die van een derde worden verkregen moeten nu eenmaal voor de (zakelijke) kostprijs op de balans worden opgenomen. Vanaf dat moment worden dan de jaarwinsteffecten van die vermogensbestanddelen bepaald.30.In casu wordt de overnemer ultimo boekjaar direct geconfronteerd met een afboeking omdat enkele specifieke regels voor de jaarwinstbepaling – die een inbreuk op goed koopmansgebruik vormen – dat voorschrijven. Maar we hebben hier te maken met een overgenomen pensioenverplichting en niet met een door de overnemer zelf ‘going concern’ opgebouwde pensioenverplichting. De Hoge Raad heeft het niet met zoveel woorden gezegd, maar ik doe het hier wel: de thans uit de wet voortvloeiende fiscale consequenties bij de overnemer vragen gewoon om een oplossing. En de bal ligt bij de wetgever. Of bij de staatssecretaris van Financiën om met een goedkeurend besluit te komen om de hardheid eruit te halen.31.”
3.10
In dezelfde zin ook Russo in FED 2015/100:
“5. De uitleg van de Hoge Raad leidt ertoe dat de waardebepaling van een pensioenverplichting bij overdracht bij de overdrager leidt tot een verlies (er van uitgaande dat de boekwaarde is bepaald met inachtneming van een rekenrente van 4% en de overdrachtswaarde met een lagere rekenrente, in deze casus 3,23%). Bij de overnemer leidt het tot winst: hij krijgt immers een bedrag voor overname van de verplichting, maar moet die verplichting weer waarderen met inachtneming van een rekenrente van 4%, dus lager. Het verschil tussen die berekende boekwaarde en de ontvangen overname som is winst.
6. (…).
7. De benadering van de Hoge Raad met betrekking tot de rekenrente leidt voor wat betreft de gevolgen van de overdracht tot een gesloten systeem: de overdrager heeft een verlies en de overnemer winst. Als beiden deze meteen kunnen verdisconteren (met name de overdrager moet beschikken over voldoende winstverleden of overige winst om de verliespost te kunnen compenseren), leidt dit niet tot ernstige problemen. Als dat niet het geval is (de overdrager kan het verlies niet meteen kwijt en de overnemer moet wel direct betalen), kan een liquiditeitsprobleem optreden. Zoals in punt 1 opgemerkt, is de beslissing gebaseerd op de wettekst en de bedoeling van de wetgever. Die heeft bewust geen mogelijkheid opgenomen om af te wijken van de rekenrente van 4%, de Hoge Raad kan die dan niet creëren. Het resultaat doet wel wat raar aan, maar is een gevolg van het feit dat de overdracht van de verplichting niet wordt geregeerd door de jaarwinstbepalingen inclusief beperkingen en de jaarlijkse waardering wel. De voorliggende uitspraken zijn dan ook niet meer dan een logische voortzetting van de doctrine. Als de gevolgen van deze doctrine niet of niet meer acceptabel zijn, is het aan de wetgever daaraan iets te doen. Nu het onderhavige artikel een inbreuk op goed koopmansgebruik vormt, duidelijk ook zo is bedoeld en blijkens de wetsgeschiedenis de wetgever bewust heeft aanvaard dat de marktrente kan afwijken van het wettelijke percentage, heeft de rechter geen ruimte. Ik ben wel van mening dat, hoezeer ook de wetgever heeft aanvaard dat de werkelijke rente kan afwijken, deze niet het oog heeft gehad op de huidige situatie van structurele lage rente. Als dit aanleiding geeft de rendementen in box 3 te heroverwegen, geldt dat naar mijn mening ook voor de rekenrente bij pensioenen (maar beide zijn acties door de wetgever, niet door de rechter).”
3.11
In de zaak HR BNB 2016/5032.ging het om een belanghebbende die de pensioenverplichting jegens haar enige aandeelhouder uitvoerde. De pensioeningangsdatum was 1 oktober 2012. Per 1 januari 2009 was de feitelijke leiding van de belanghebbende verplaatst van Curaçao naar Nederland, waardoor de belanghebbende onbeperkt binnenlands belastingplichtig werd. Bij het vaststellen van de aanslag Vpb 2008/2009 liet de Inspecteur een deel van de pensioenverplichting belast vrijvallen, nl. het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de pensioenverplichting per 1 januari 2009 en de waarde van de pensioenverplichting per 28 februari 2009, het eind van het eerste boekjaar. Bij de waardering van de pensioenvoorziening op de balans per 1 januari 2009 was een leeftijdterugstelling van vijf jaar en een rekenrente van 3,9% in acht genomen; de voorziening op de eindbalans van het eerste boekjaar werd door de Inspecteur vastgesteld zonder leeftijdsterugstelling en op basis van 4% rekenrente. In geschil was of de Inspecteur terecht de pensioenvoorziening deels belast had laten vrijvallen. Het Hof meende van niet omdat art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8(6) Wet Vpb 1969 slechts zien op mutaties van pensioenverplichtingen die zich in een bepaald jaar voordoen, en niet op de eindbalanswaardering van het eerste jaar van pensioenverplichtingen die in de openingsbalans worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer. U casseerde, verwijzende naar HR BNB 2016/14 (zie 3.6 hierboven):
2.5.
Het middel slaagt. Zoals is geoordeeld in het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2015, nr. 13/04121, ECLI:NL:HR:2015:3082, is, gezien de tekst en ontstaansgeschiedenis van artikel 3.29 Wet IB 2001 en artikel 8, lid 6, Wet Vpb 1969, geen grond aanwezig om de waarderingsregels uit deze bepalingen buiten toepassing te laten indien zij ertoe leiden dat een gedeelte van een pensioenvoorziening verplicht ten gunste van de winst vrijvalt.”
3.12
De literatuur was weinig verrast.33.Wel zette onder meer Lohuis in NTFR 2016/330 vraagtekens bij de redelijkheid van de uitkomst:
“Na het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2015, nr. 13/04121, NTFR 2015/3006 (met commentaar van Bruins Slot) is de uitkomst van dit arrest geen verrassing meer. In beide arresten gaat het om een pensioenverplichting die gedurende een jaar terecht was gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer, rekening houdend met een relatief lage rekenrente. In het onderhavige arrest vond deze waardering plaats bij immigratie van het lichaam met de pensioenverplichting, in het arrest van 15 oktober had waardering plaatsgevonden bij overname van de verplichting. Toepassing van de specifieke waarderingsregels ex art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8, lid 6, Wet VPB 1969 leidde in beide gevallen aan het einde van het jaar tot een vrijvalwinst, met name door het verplichte gebruik van de hogere rekenrente van 4%. De Hoge Raad zag in de ontstaansgeschiedenis van deze bepalingen onvoldoende grond om deze niet, dan wel in gemitigeerde vorm, toe te passen.
Men zou kunnen zeggen, dat de uitkomst in beide gevallen niet redelijk is. Er wordt immers winst belast die in het geheel niet bestaat. De Hoge Raad ziet echter in beide gevallen geen aanleiding om een duidelijke wettekst opzij te schuiven om tot een redelijker resultaat te komen. De Hoge Raad is erg voorzichtig om een wettelijke bepaling naar doel en strekking uit te leggen indien doel en strekking niet buitengewoon duidelijk blijken uit de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling. (…). Te snelle conclusies dat wettelijke bepalingen die onredelijk uitwerken naar een veronderstelde doel en strekking (welke tot een logischer en redelijker resultaat zou leiden) uitgelegd moeten worden blijven dus gevaarlijk, zo blijkt wederom uit het onderhavige arrest.”
3.13
HR BNB 2017/534.betrof een BV aan wier dga in verband met de beëindiging van een eerdere dienstbetrekking van die dga bij een derde een vergoeding door die derde was toegekend wegens inkomensderving. Die vergoeding werd in de belanghebbende ingebracht als koopsom voor een stamrecht. In de stamrechtovereenkomst had de dga drie uitkeringen van de belanghebbende bedongen. Ultimo 2009 waren twee van deze uitkeringen geëindigd en resteerde een levenslange uitkering van € 15.963 per jaar, ingaande op de 65ste verjaardag van de dga in 2015, na zijn overlijden uit te betalen aan diens partner tot haar overlijden. De belanghebbende had op haar eindbalans 2009 de stamrechtverplichting gepassiveerd voor € 243.266, actuarieel berekend op basis van een rekenrente 3%. De Inspecteur waardeerde de verplichting echter op basis van de in art. 3.29 Wet IB 2001 voorgeschreven rekenrente ad 4% slechts op € 210.999. Het Hof meende dat ook op het moment van het aangaan van de stamrechtverplichting moet worden uitgegaan van art. 3.29 Wet IB 2001 in samenhang met art. 8(6) Wet Vpb 1969, waardoor ook op dat moment moet worden uitgegaan van een waardering ad € 210.999. Volgens het Hof bestaat dan geen grond voor gedeeltelijke vrijval van de stamrechtverplichting in de periode tussen het aangaan van de verplichting en het einde van het jaar. Op het cassatieberoep van de Staatssecretaris oordeelde u echter anders:
“Het bepaalde in artikel 3.29 Wet IB 2001 is in zijn werking beperkt tot de waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen in het kader van de jaarwinstbepaling (vgl. HR 14 april 2006, nr. 41569, ECLI:NL:HR:2006:AW1747, BNB 2006/278). De in de Wet IB 2001 neergelegde systematiek inzake de jaarwinstbepaling staat niet eraan in de weg dat een gedeelte van een tegen de waarde in het economische verkeer aangegane pensioenverplichting of een soortgelijke verplichting verplicht ten gunste van de winst vrijvalt (vgl. HR 18 december 2015, nr. 14/06531, ECLI:NL:HR:2015:3605, BNB 2016/50). ’s Hofs oordeel berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting.”
3.14
De redactie van V-N 2016/53.14 achtte (ook) dit effect van art. 3.29 Wet IB 2001 onbevredigend:
“Reeds eerder heeft de Hoge Raad in soortgelijke zin beslist als in onderhavige situatie: Een verschil in waardering tussen het moment van de totstandkoming van een verplichting enerzijds en het tijdstip van de eindbalans ultimo het boekjaar anderzijds en de daarmee gepaard gaande gedeeltelijke vrijval is in overeenstemming met art. 3.29 Wet IB 2001. Het ging in die gevallen overigens wel om een pensioenverplichting. Kort gezegd, een pensioenverplichting wordt overgenomen voor de waarde in het economische verkeer, de actuarieel bepaalde waarde, waarbij momenteel een rekenrente van rond de 3% wordt gehanteerd en voor die waarde op de (openings)balans wordt gezet. Vervolgens moet de desbetreffende verplichting ultimo dat jaar op grond van art. 3.29 Wet IB 2001 worden gewaardeerd tegen een rekenrente van 4%, hetgeen tot een gedeeltelijke vrijval van de verplichting leidt. Wij verwijzen naar HR 16 oktober 2015, nr. 13/04121, BNB 2016/14, V-N 2015/52.12, en naar HR 18 december 2015, nr. 14/06531, BNB 2016/50, V-N 2015/66.9. Wij vinden de uitkomst van deze fiscale waarderingsregel van art. 3.29 Wet IB 2001 onbevredigend. Ook de Hoge Raad laat er in zijn arrest BNB 2016/14 geen misverstand over bestaan. Het resultaat druist in tegen het realiteits- en het voorzichtigheidsbeginsel, maar de wettekst en de ontstaansgeschiedenis van het wetsartikel maken dat de Hoge Raad niet anders kan oordelen dan hij heeft gedaan.”
3.15
De redactie van FutD 2016-2471) merkt op dat niet van belang is dat 4% rekenrente niet strookt met de marktrente, omdat zich geen totaalwinstprobleem voordoet:
“Hof Den Haag (…) zag geen reden om een gedeeltelijke vrijval in aanmerking te nemen. Ook op het moment van het activeren van de stamrechtverplichting, bij het afsluiten van de overeenkomst, moest volgens het Hof worden uitgegaan van een waardering op basis van een rekenrente van 4%, waardoor geen waarderingsverschil meer aanwezig was en vrijval van een deel van de verplichting ten gunste van de winst dus niet aan de orde was. Door die waardering op het moment van afsluiten van de stamrechtverplichting te corrigeren, greep het Hof echter in de totaalwinstbepaling in en dat is uitdrukkelijk niet de bedoeling van artikel 3.29 van de Wet IB 2001, zoals de Hoge Raad nu duidelijk heeft gemaakt. Die bepaling blijft volgens de Hoge Raad beperkt tot de waardering van pensioenverplichtingen in het kader van de jaarwinstbepaling. De Hoge Raad besliste in een arrest van 14 april 2006 (zie FutD 2006-0689) in dezelfde zin over de toepassing van artikel 9b van de Wet IB 1964, de voorganger van artikel 3.29 van de Wet IB 2001.
Advocaat-Generaal (A-G) Wattel (zie FutD 2015-0176 met ons commentaar) wierp al eerder de vraag op of goed koopmansgebruik de wettelijke bepaling van artikel 3.29 van de Wet IB 2001 opzij kon zetten. De A-G vond namelijk dat artikel 3.29 van de Wet IB 2001, maar ook artikel 8, lid 6, van de Wet Vpb, bepalingen van "slecht koopmansgebruik" waren, die door de wetgever waren bedoeld om de aftrek van pensioenlasten in afwijking van goed koopmansgebruik naar latere jaren te verschuiven. Toch kwam de A-G tot de conclusie dat zij moesten worden toegepast, omdat per saldo de totaalwinst niet veranderde. De Hoge Raad (zie FutD 2015-2524 met ons commentaar) was dat met hem eens. Ook in deze zaak zou de waardering op basis van een rekenrente van 4% geen gevolgen moeten hebben voor de totaalwinst. De vrijval ten gunste van de winst door de waardering op een rekenrente van 4% wordt in latere jaren goedgemaakt door de hogere, aftrekbare lasten. Dat de rekenrente van 4% op zich niet meer in overeenstemming is met de ontwikkeling van de marktrente, is dus ook niet van belang. De staatssecretaris wijst in zijn beroepschrift in cassatie in deze zaak op een uitspraak van Hof Den Haag van 8 mei 2013 (zie FutD 2013-1376 met ons commentaar), die in de duidelijke wettekst geen ruimte zag om de waardering van een pensioenverplichting op gronden van redelijkheid en billijkheid te baseren op een lagere netto rekenrente. Het was volgens het Hof aan de wetgever om een oplossing te bieden voor de discrepantie tussen de wettelijke rekenrente van artikel 3.29 van de Wet IB 2001 en de marktrente, zoals die zich in recente jaren had ontwikkeld. Voor een (mogelijke) deeloplossing van deze problematiek verwijzen wij naar het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen (zie FutD 2016-2225).”
(Andere) literatuur
3.16
De conclusie voor HR BNB 2016/14 (zie 3.6 hierboven) vermeldde al dat de literatuur vraagtegens plaatste bij het bestaansrecht en de wenselijkheid van een eenzijdige minimum rekenrente35.omdat bij de invoering van de Wet IB 2001 een marktrentepercentage van 4% al discutabel was en actuarieel in sommige gevallen al met 3% werd gerekend.36.Dieleman37.noemt als argumenten tegen waardering van pensioen in eigen beheer op basis van 4% rekenrente werden genoemd: (i) die regel tot gevolg heeft dat pensioenverplichtingen lager worden gewaardeerd dan hun waarde in het economische verkeer en de pensioenopbouw ontoereikend is om de toegezegde ouderdoms- en partnerpensioenverplichtingen na te komen (ii) 4% rekenrente voor pensioen in eigen beheer niet aansluit bij de wens van de wetgever om dga-pensioenen aan te doen sluiten bij wat voor bij verzekeraars ondergebrachte pensioen gangbaar is, en (iii) een verplichte 4% rekenrente waardeoverdracht kan belemmeren.
3.17
Ook Bartel meende dat het rekenrentepercentage geen duidelijke basis heeft, waaruit hij afleidde dat het simpelweg is gekozen omdat 4% in 1992-1994 een gangbare disconteringsvoet was:38.
De wetsgeschiedenis van art. 9b Wet IB 1964 (thans art. 3.29 Wet IB 2001) is niet alleen rommelig geweest met betrekking tot het begrip “algemeen aanvaarde actuariële grondslagen” maar ook met betrekking tot de voorwaarde dat een rekenrente in aanmerking wordt genomen van ten minste 4%. Deze voorwaarde is in de memorie van toelichting39.niet toegelicht en heeft bij de parlementaire behandeling ook geen enkele rol gespeeld; de voorwaarde is eenvoudig gezegd geen enkele keer genoemd. Dit kan alleen verklaard worden uit het feit dat de voorwaarde geen andere betekenis had dan dat een gebruikelijke disconteringsvoet dient te worden gehanteerd; 4% rekenrente was in die tijd standaard. Bij de invoering van art. 9b Wet IB 1964 ging het er alleen om, dat de lineaire methode werd afgeschaft en dat de budgettaire opbrengst zou dienen ter dekking van de kosten van de voorgestelde faciliteiten.
Ook bij de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 is geen nader inzicht in de voorwaarde verkregen. In de nota naar aanleiding van het verslag is alleen gesteld dat met de te hanteren rekenrente van 4% aangesloten werd bij het in dit verband in de praktijk algemeen gehanteerde percentage40., en in de nota naar aanleiding van het nadere verslag dat het aspect van de daarbij te hanteren rekenrente voor de duidelijkheid door de wetgever is ingevuld.41.
Bartel stelde voor om de rekenrente bij amvb of ministeriële regeling vast te stellen, zodat zij met behoud van duidelijkheid sneller aan de ontwikkeling van de marktrente aangepast kan worden. Daarvoor pleitte volgens hem ook het boven (3.6) geciteerde arrest HR BNB 2016/14:
“Voor een aanpassing van de rekenrente pleit ook dat de Hoge Raad in het arrest van 16 oktober 2015, BNB 2016/14, heeft geoordeeld, dat, indien de in de markt gebruikelijke rekenrente voor de bepaling van de waarde van pensioenverplichtingen lager is dan het in art. 3.29 Wet IB 2001 genoemde percentage van vier, waardering van de pensioenverplichting met inachtneming van laatstbedoelde rekenrente leidt tot een inbreuk op het realiteitsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel, welke beginselen deel uitmaken van goed koopmansgebruik als bedoeld in art. 3.25 Wet IB 2001.
Richting gevend bij het bepalen van de marktrente is het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2000, BNB 2000/275. De Hoge Raad overwoog in dat arrest, dat de Hoge Raad tot het inzicht was gekomen dat de onbepaalbaarheid van de toekomstige rentestand onvoldoende motivering biedt om pensioen- en lijfrenteverplichtingen wat de te hanteren rekenrente betreft anders te waarderen dan andere langlopende verplichtingen, bij welke laatste verplichtingen de te hanteren rekenrente wordt bepaald door de marktrente voor langlopende leningen, en dat pensioen- en lijfrenteverplichtingen — zowel ingegane als niet ingegane —, evenals andere langlopende verplichtingen, op de winstbepalende balans dienen te worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen ten tijde van het aangaan van de verplichtingen, met dien verstande dat bij een daling van de rentestand de verplichtingen dienovereenkomstig hoger mogen worden gewaardeerd en bij een nadien optredende stijging van de rentestand de verplichtingen dienovereenkomstig lager moeten worden gewaardeerd doch niet lager dan zij oorspronkelijk zijn gewaardeerd.”
3.18
Zoals bleek, leidt de te hoge wettelijk verplichte rekenrente ertoe dat de pensioenverplichting die een pensioen-BV voor de fiscale jaarwinstbepaling in aanmerking moet nemen, afwijkt van de werkelijke omvang van de pensioenverplichting op basis van zakelijke rekengrondslagen. Doordat de fiscus bij de vraag of dividend- of kapitaalterugbetaling de nakoming van de (werkelijke) pensioenverplichting in gevaar brengt, wél uitgaat van commerciële maatstaven, ontstaat volgens Luijken42.een nadelige situatie voor de dga (in de zaak 22/01773 waarop deze bijlage mede ziet, was die situatie – heffing ineens over de gehele pensioenvoorziening - aan de orde in de aanslag- en bezwaarfase, maar niet meer bij de rechter omdat de Inspecteur zijn standpunt herzag en geen pensioenafkoop meer aannam; niettemin is (de dga van) de belanghebbende tot in cassatie blijven klagen over dat reeds in de bezwaarfase door de Inspecteur verlaten standpunt):
“Daar waar het verschil tussen de fiscale waarde (in het kader van de jaarwinstbepaling) en de commerciële waarde in de periode tot 2008 voor de Wet LB 1964 vrijwel niet relevant was, is dat door een aantal ontwikkelingen de laatste jaren van groot belang geworden. Het belangrijkste fiscale effect is te vinden in het Vraag en Antwoord 12-008 van 21 september 201243.Hierin is door de Belastingdienst het volgende bepaald:
‘Indien de BV door het terugbetalen van het aandelenkapitaal of het uitkeren van dividend niet langer in staat is om het pensioen en/of stamrecht volledig uit te keren, is er sprake van een (gedeeltelijke) afkoop van pensioen of stamrecht. De volledige pensioen- en/of stamrechtaanspraak wordt dan op grond van artikel 19b van de Wet LB direct in de belastingheffing betrokken. Op grond van van artikel 30i van de AWR wordt er bij de pensioen- en/of stamrechtgerechtigde bovendien revisierente in rekening gebracht.
Voor de vraag of de BV nog in staat is om het pensioen en/of stamrecht volledig uit te keren, is het na de uitkering van kapitaal of dividend resterende vermogen van de BV van belang. Er moet voldoende vermogen in de BV achterblijven om het pensioen en/of stamrecht op de korte en lange termijn volledig te kunnen uitbetalen. Voor deze toets moeten alle activa en passiva van de BV (dus inclusief de pensioen- en/of stamrechtverplichting) gewaardeerd worden op de werkelijke waarde in het economisch verkeer. De waarde van de pensioen- en/of stamrechtverplichting is minimaal gelijk aan de koopsom die aan een professionele verzekeringsmaatschappij betaald zou moeten worden voor het onderbrengen van die verplichting. Bij het vaststellen van de waarde moet onder meer rekening worden gehouden met een toegekende indexatie van de pensioen- en stamrechtuitkeringen.’
Het gevolg van dit standpunt – dat in feite voortvloeit uit de wetgeving inzake de flex-bv – is dat er slechts ruimte voor het uitkeren van dividend is indien en voor zover er meer vermogen in de onderneming aanwezig is dan nodig is om de huidige pensioenverplichting per direct volledig onder te brengen bij een professionele verzekeraar. In het geval men dividend uitkeert uit vermogen dat geheel of gedeeltelijk nodig is ter dekking van de commerciële waarde van de pensioenverplichting, wordt dit beschouwd als afkoop van een deel van de pensioenaanspraken. De omvang van het afgekochte deel is dan fiscaal verder niet meer relevant omdat in dat geval de gehele pensioenaanspraak wordt belast.”
3.19
In dezelfde zin Dirks:44.
“De Belastingdienst neemt het standpunt in dat sprake kan zijn van afkoop van het in eigen beheer gehouden pensioen als dividend of kapitaal wordt uitgekeerd zoals dat mogelijk is sinds de Flex-bv-wetgeving.45.Deze visie komt erop neer dat voor een beantwoording van de vraag hoeveel dividend kan worden uitgekeerd zonder in strijd te komen met de Flex-bv-wetgeving het vermogen moet worden berekend waarbij alle activa en passiva op de waarde in het economische verkeer moeten worden gewaardeerd. Indien zonder dat voldoende vrij vermogen beschikbaar is toch dividend wordt uitgekeerd, gaat de Belastingdienst ervan uit dat de pensioenverplichting tot uitkering is gekomen. Een belangrijk probleem bij deze benadering is de waardering van de pensioenverplichting voor de vaststelling of voldoende vrij vermogen beschikbaar is. De waarde in het economische verkeer van de pensioenverplichting is namelijk volgens de Belastingdienst de waarde waarvoor de verplichting aan een beroepsverzekeraar kan worden overgedragen. Die waarde is veelal hoger dan de fiscale waarde, onder andere omdat beroepsverzekeraars hun tarieven baseren op de marktrente en rekening houden met toenemende overlevingskansen, terwijl fiscaal de rekenrente minimaal 4% bedraagt en geen rekening wordt gehouden met toenemende overlevingskansen.
Volgens de Belastingdienst is sprake van afkoop (art. 19b Wet LB 1964) indien (…) toch dividend wordt uitgekeerd terwijl geen vrij vermogen aanwezig is. Het gevolg is dat de gehele aanspraak in de heffing van de loonbelasting wordt betrokken voor het bedrag waarvoor een beroepsverzekeraar de aanspraak over zou willen nemen (art. 3.12 Uitv.reg. LB 2011).46.Op grond van art. 30i AWR wordt revisierente in rekening gebracht. Het is de vraag of deze stelling houdbaar is. Zowel in HR 21 december 2012, nr. 11/0500247.als in HR 9 november 2012, nr. 11/0141848.valt te lezen dat de rechter hier wel eens anders tegen aan zou kunnen kijken. In HR 21 december 2012, nr. 11/05002 oordeelt Hof Den Bosch49.dat de pensioenaanspraak ‘substantieel’ wordt aangetast en in HR 9 november 2012, nr. 11/01418 wordt geoordeeld dat de bezittingen een ‘aanzienlijk’ lagere waarde hebben dan de verplichtingen. Beide verwoordingen duiden erop dat een ander oordeel mogelijk is als de pensioenaanspraak slechts in beperkte mate wordt aangetast. Ook Luijken vindt dat een direct verband tussen de dividenduitkering en het niet kunnen uitkeren van het volledige pensioen veelal niet aantoonbaar is.50.Gezien de gevolgen van afkoop is het twijfelachtig of de rechter zich hier ooit over zal buigen. Aangenomen kan worden dat belastingplichtigen het zekere voor het onzekere nemen.”
4. Heffing over fictief rendement en het eigendomsgrondrecht (art. 1 Protocol 1 EVRM)
A. Algemene opmerkingen
4.1
In de boven geciteerde zaken HR BNB 2016/14 (zie 3.6), HR BNB 2016/50 (zie 3.11) en HR BNB 2017/5 (zie 3.13) werd geen beroep gedaan op het eigendomsgrondrecht in art. 1 Protocol I EVRM en destijds was het box 3-arrest HR BNB 2022/2751.(zie 4.22 hieronder) nog niet gewezen. In de zaken waarop deze bijlage ziet, wordt thans wel dat grondrecht ingeroepen. De vraag is of dat tot een andere uitkomst dan in HR BNB 2016/14 kan leiden, mede gezien het inmiddels gewezen box 3 arrest.
4.2
Bij de beoordeling van de vraag of het eigendomsrecht van een burger door de overheid is geschonden, gebruikt het EHRM een toetsingskader dat Gerverdinck in zijn proefschrift als volgt omschrijft:52.
“Het EHRM beoordeelt een gestelde schending van artikel 1 Eerste Protocol aan de hand van een in de loop der jaren door hem ontwikkeld, inmiddels uitgekristalliseerd, toetsingskader.53.Hij pleegt eerst te onderzoeken of sprake is van ‘eigendom’ (possessions in de officiële Engelse of biens in de officiële Franse tekst van artikel 1 Eerste Protocol). Zo ja, dan moet de vraag worden beantwoord of er een inbreuk (interference) wordt gemaakt op die eigendom. Zo ja, dan moet worden beoordeeld of de inbreuk gerechtvaardigd is. Daarvoor is vereist dat de inbreuk (i) is voorzien bij de wet, (ii) die wet een legitieme doestelling in het algemeen belang nastreeft, en (iii) er een redelijk evenwicht is getroffen tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. Deze drie eisen staan bekend als respectievelijk de lawfulness-toets, de general interest-toets en de fair balance-toets. Als het EHRM één van de eerste twee vragen uit het schema ontkennend beantwoordt, kan geen beroep worden gedaan op artikel 1 Eerste Protocol. Is wel sprake van een aantasting van een possession en is aan één van de drie rechtvaardigingseisen niet voldaan, dan staat vast dat het eigendomsgrondrecht is geschonden. De andere eisen hoeven dan in beginsel niet onderzocht te worden.
Het toetsingsschema kan als volgt worden samengevat:
1. Is sprake van eigendom?
2. Wordt inbreuk gemaakt op die eigendom, die het gevolg is van:
(i) een ontneming van eigendom,
(ii) regulering van eigendom, of
(iii) overige verstoringen.
3. Is die inbreuk gerechtvaardigd? Dat is het geval als de inbreuk:
(i) is voorzien bij de wet;
(ii) die wet een legitieme doelstelling heeft die in het algemeen belang is, en
(iii) proportioneel is ten opzichte van dat nagestreefde legitieme doel.”
4.3
Is sprake van een possession, dan moet beoordeeld worden of de overheid daarop inbreuk heeft gemaakt. Het EHRM onderscheidt, zoals uit het geciteerde overzicht van Gerverdinck blijkt, drie soorten inbreuken: (i) ontneming van eigendom, (ii) regulering of beperking van eigendom en (iii) overige inbreuken. Belastingheffing is steeds een inbreuk op het eigendomsrecht van burgers en valt meestal onder regulering of beperking van eigendom.
4.4
Nu art. 3.29 Wet IB 2001 een geldige voorafgaande formele wet is, waardoor aan het vereiste van lawfulness is voldaan, en diens weliswaar puur budgettaire doelstelling niet illegitimate genoemd kan worden in het licht van het algemene belang, gaat het in de drie cassatieberoepen waarop deze bijlage ziet vooral om twee vragen: (i) leidt de wettelijk verplichte fiscale onderwaardering van pensioenverplichtingen tot de aantasting van een ‘existing possession’ of een ‘legitimate expectation’ van de belastingplichtige pensioen-BV’s of van hun dga’s, en zo ja: (ii) slaat die aantasting van eigendom een fair balance tussen het private eigendomsgrondrecht en het budgettaire overheidsbelang?
B. ‘Possession’/’bien’?
4.5
De termen ‘possession/bien’ moeten ruim worden uitgelegd, hebben een autonome EVRM-betekenis en zien niet alleen op materiële zaken. De formele duiding van een recht onder het nationale recht is niet beslissend. Art. 1 Protocol I kan dus ook van toepassing zijn als naar nationaal recht het bestaan van een eigendomsrecht betwistbaar of herroepbaar is. In Molla Sali v. Greece54.overwoog het EHRM:
“124. (…) [T]he concept of “possession” in the first sentence of Article 1 of Protocol No. 1 has an autonomous meaning which is not limited to ownership of material goods and is independent from the formal classification in domestic law: certain other rights and interests constituting assets can also be regarded as “property rights”, and thus as “possessions” for the purposes of this provision (see Parrillo v. Italy [GC], no. 46470/11, § 211, CEDH 2015 and the references therein).
125. In each case the issue that needs to be examined is whether the circumstances of the case, considered as a whole, conferred on the applicant title to a substantive interest protected by Article 1 of Protocol No. 1 (ibid., § 211; see also Brosset-Triboulet v. France [GC] no. 34078/02, § 65, 29 March 2010 and Fabris v. France [GC], no. 16574/08, § 51, ECHR 2013).
126. The fact that the domestic laws of a State do not recognise a particular interest as a “right” or even a “property right” does not necessarily prevent the interest in question, in some circumstances, from being regarded as a “possession” within the meaning of Article 1 of Protocol No. 1 (see Brosset-Triboulet, cited above, § 71). A proprietary interest recognised by domestic law – even if it is revocable in certain circumstances – can constitute a “possession” for the purposes of Article 1 of Protocol No. 1 (see Beyeler v. Italy [GC], no. 33202/96, § 105, ECHR 2000‑I).
4.6
In onder meer Gratzinger and Gratzingerova v. Czech Republic55.onderscheidt het EHRM twee soorten bezittingen in de zin van art. 1 Protocol I EVRM: (i) ‘existing possessions’ en (ii) ‘assets, including claims, in respect of which an applicant can argue that he has at least a “legitimate expectation” that they will be realised.’56.Harris e.a.57.merken daarover op:
“(…). In the case of both kinds of ‘possession’, there is a sufficient proprietary interest to bring Article 1 into play. Where the proprietary interest is in the nature of a claim,58.the person in whom it is vested may be regarded as having a ‘legitimate expectation’ if there is a sufficient basis for the interest in national law, for example where there is settled case law of the domestic courts confirming its existence.59.In contrast, where there is uncertainty as to the interpretation of the law to be applied in the applicant’s claim, or where the applicant’s interpretation is rejected by the courts, there is no ‘legitimate expectation’.60.
Volgens Harris e.a. is de essentiële eigenschap van het eigendomsbegrip in art. 1 Protocol I EVRM de economische waarde van het gestelde recht:61.
“The English language text uses the word ‘possessions’ to describe the protected interest but any suggestion that it should be read narrowly is refuted by the word ‘biens’ in the French text which indicates that a wide range of proprietorial interests were intended to be protected. The essential characteristic of a ‘possession’ is the acquired economic value of the individual interest.62.”
4.7
Die economische waarde moet volgens Leijten objectief bestaan, op geld waardeerbaar zijn en voldoende vast omlijnd zijn:63.
“Iets wordt als ‘eigendom’ aangemerkt ingeval sprake is van economische waarde. De hoofdregel is dat alleen in geld waardeerbare rechten en belangen door artikel 1 EP worden beschermd.64.Het reguliere – civielrechtelijke – eigendomsrecht valt hier vanzelfsprekend onder.65.(…). Ook belastingteruggave,66.en intellectuele eigendomsrechten zoals patenten67., copyrights68.en domeinnamen69.kunnen ‘possessions’ zijn. (…). Ook socialezekerheidsuitkeringen en pensioenen vormen eigendommen, althans zodra ze zijn toegekend of aan de voorwaarden voor verkrijging ervan is voldaan.70.Hierbij is bovendien niet relevant of voor de betreffende uitkering premies zijn betaald.71.Het Hof kijkt, met andere woorden, naar de objectieve waarde van een object. (…). Wanneer het Hof de eigendomsvraag wel beantwoordt, is echter duidelijk dat het zoekt naar een economische waarde die voldoende vaststaat.
4.8
Dat de economische waarde van de claim voldoende vast moet staan volgt onder meer uit de zaak Optim and Industerre v. Belgium,72.die de - voor de belanghebbenden ongunstige - wijziging van de verjaring van belastingschulden betrof. Het EHRM oordeelde dat hoewel zij gerechtvaardigd mochten verwachten dat hun uit de wet voortvloeiende belastingschulden door verjaring zouden vervallen, ook die belastingschulden zelf voldoende vast moeten staan. Dat was volgens het Hof niet het geval, waardoor hen op dat punt geen eigendomsrecht in de zin van art. 1 Protocol I toekwam. Doordat de (hoogte van de) belastingschulden voor de rechter werd(en) betwist, stonden zij niet vast en konden zij kennelijk evenmin geëxecuteerd worden. De volgens de belanghebbenden van hen ontnomen schuldverjaring zag daarom volgens het Hof slechts op potentiële schulden (“dettes fiscales potentielles”):73.
“35. Dans certaines circonstances, un droit du débiteur à être libéré de sa dette – par le jeu de la prescription par exemple – peut pareillement être qualifié de «valeur patrimoniale» et donc de «bien» (voir, par exemple, Caisse régionale de crédit agricole mutuel Nord de France c. France (déc.) (no 58867/00, 19 octobre 2004). Il faut à cette fin que ce droit soit suffisamment établi en droit interne, de manière à ce que le débiteur puisse prétendre avoir une «espérance légitime» à cet égard (ibidem). Selon la Cour, il faut en sus que la dette dont il est question soit elle-même établie dans sa réalité et son montant: une espérance – fut-elle légitime – de se voir libéré d’une dette «potentielle» ne saurait être assimilée à un bien au sens de l’article 1 du Protocole no 1.
36. La Cour constate que la présente affaire relève de ce dernier cas de figure: les requérantes ne revendiquent pas être titulaires d’une créance, mais d’un droit à se voir libérées d’une dette par le jeu de la prescription et soutiennent que ce droit a de ce fait une valeur patrimoniale. A l’appui de leur thèse, elles font valoir qu’avant l’intervention législative qu’elles dénoncent, elles avaient une espérance légitime de bénéficier de la prescription de leur dette fiscale.
Elle ne doute pas que la première des conditions susmentionnées est remplie en l’espèce. En effet, étant donné la jurisprudence de la Cour de cassation évoquée ci-dessus, les requérantes pouvaient légitimement espérer voir leurs dettes fiscales prescrites, à défaut pour le commandement qui leur avait été adressé d’avoir un effet interruptif.
Elle constate en revanche qu’il en va à l’inverse de la seconde condition. Il résulte en effet de l’article 410 du code des impôts sur les revenus que lorsque, comme dans le cas des requérantes, une imposition fait l’objet d’une réclamation et que l’«incontestablement dû» est fixé à néant, l’imposition litigieuse ne peut être considérée comme une «dette liquide et certaine» et ne peut être recouvrée par voies d’exécution. Dans un tel cas de figure, la dette fiscale n’est établie ni dans sa réalité ni dans son montant tant qu’il n’a pas été définitivement statué sur le litige. Or, en l’espèce, la procédure initiée par les requérantes contre le rejet de leurs réclamations est pendante devant les tribunaux de première instance de Bruxelles et de Mons (paragraphe 10 ci-dessus).
37. Ainsi, certes, les requérantes avaient une «espérance légitime» de voir leurs dettes fiscales prescrites. Cependant, les dettes fiscales dont il est question n’étant dans les circonstances de la cause que potentielles, la Cour ne peut partager leur thèse selon laquelle, par l’effet de l’article 49 de la loi programme du 9 juillet 2004, les requérantes se sont trouvées privées d’un « bien » au sens de l’article 1 du Protocole no 1.”
4.9
Een inkomensverwachting is in beginsel geen possession. Volgens Leijten:74.
“(…) valt toekomstig inkomen in beginsel niet onder het bereik van artikel 1 EP. (…) [D]e enkele hoop op of verwachting van toekomstig inkomen is niet voldoende voor toepasselijkheid van artikel 1. In Ambruosi t. Italië, waarin het ging om diverse honoraria waarop een advocaat aanspraak meende te kunnen maken jegens de overheid ingevolge de Italiaanse rechtsbijstandsregeling, bekrachtigde het Hof de jurisprudentie van de Commissie hierover: ‘20. The Court recalls that future income constitutes a “possession” within the meaning of Article 1 of Protocol No. 1 only if it has been earned or where an enforceable claim to it exists (…).’”
Art. 1 Protocol I EVRM schept geen recht op verkrijging van bezittingen die de belanghebbende nog niet heeft. Harris e.a. verwoorden dat als volgt:75.
“It does not provide a right to be put into the possession of things he does not already have, however strong the individual’s interest in this happening may be.76.In Marckx v Belgium,77.the Court said that Article 1 ‘does not guarantee the right to acquire possessions whether on intestacy or through voluntary dispositions’.
4.10
De vraag of zich wel een ‘possession/bien’ voordeed, kwam bij u onder meer aan de orde in de zaak HR BNB 2022/8,78.over de terugwerkende afschaffing van de mogelijkheid om bij onjuiste premiesectorindeling de inspecteur die indeling tot vijf jaar terug te doen corrigeren. Omdat correcte premiesectorindeling volgens de wetgever ‘van rechtswege’ plaatsvindt en de Inspecteur daarvoor verantwoordelijk is, ging het bij de aanspraak van de belanghebbende op correcte sectorindeling volgens u inderdaad om een eigendomsrecht dat met terugwerkende kracht werd beknot. U overwoog:
“4.2.2. Op grond van artikel 96 Wfsv is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 95 Wfsv vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten. Welke sector dat is en vanaf welke datum de werkgever bij die sector is aangesloten, deelt de inspecteur hem bij voor bezwaar vatbare beschikking mee (artikel 97, lid 2, Wfsv). De indelingsbeschikking waarbij de inspecteur vastlegt bij welke sector een werkgever is aangesloten vormt dus de formalisering van de uit de wet en de feiten volgende (materiële) sectoraansluiting. Het uitgangspunt van artikel 96 Wfsv dat de sectoraansluiting van rechtswege plaatsvindt, brengt mee dat de inspecteur een onjuiste sectorindeling in beginsel moet herstellen door afgifte van een nieuwe indelingsbeschikking.
(….).
4.3.1.
In dit geval had de Inspecteur belanghebbende ingedeeld in sector 41 en verrichtte zij vanaf enig moment werkzaamheden die aansluiting bij sector 10 rechtvaardigden. Indeling in die sector met een eerdere ingangsdatum dan 1 september 2018 zou hebben geleid tot een teruggaaf van premies. Uit hetgeen hiervoor in 4.2.2 is overwogen, volgt dat belanghebbende een uit de wet voortvloeiende aanspraak had op terugbetaling van die teveel betaalde premies en daarmee de gerechtvaardigde verwachting dat in het verleden teveel betaalde premies zouden worden terugbetaald. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), aangehaald in de onderdelen 6.5 tot en met 6.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal volgt dat die gerechtvaardigde verwachting een bezitting is als bedoeld in artikel 1 EP.
De onderdelen van de conclusie waarnaar u verwees, luidden als volgt:
“6.5. De zaak Ramaer and Van Willigen v. Netherlands79.betrof een wijziging in de Nederlandse ziekte-kostenverzekeringswetgeving waardoor de positie van niet-ingezeten gepensioneerde verzekerden erop achteruit ging omdat zij zich moesten aansluiten bij de basisverzekering in hun woonland in plaats van Nederland en aanvullende verzekering voor eigen rekening moesten nemen. Het EHRM oordeelde dat de verwachting of wens dat hun oude verzekeringscontract zou worden voortgezet, geen possession was en dat hen evenmin een possession [was ontnomen] doordat hen een reeds ontstane vergoedingsaanspraak uit de oude verzekering zou zijn ontnomen (zij waren kennelijk in goede gezondheid, want zij hadden kennelijk niets geclaimd onder de verzekering dat gekort of ontnomen zou hebben kunnen zijn, of die claims werden nog onder het oude contract afgewikkeld):
“Whether there was a “possession”
75. (…).
76. “Possessions”, which Article 1 of Protocol No. 1 protects, can be either “existing possessions” or assets, including claims, in respect of which the applicant can argue that he or she has at least a “legitimate expectation” of obtaining effective enjoyment of a property right. It does not, however, guarantee the right to acquire property (J.A. Pye (Oxford) Ltd and J.A. Pye (Oxford) Land Ltd v. the United Kingdom [GC], no. 44302/02, § 61, ECHR 2007III)
77. The applicants likened their health care insurance contracts to social security arrangements. As in contributory social security schemes, which created an entitlement once the insured situation materialised for those who had lawfully contributed to them, they had enjoyed, under their private insurance contracts, entitlements to health care until the end of their lives since they had paid the insurance premiums stipulated. They cited Gaygusuz v. Austria, 16 September 1996, Reports of Judgments and Decisions 1996IV and Kjartan Ásmundsson v. Iceland, no. 60669/00, ECHR 2004IX.
78. The Court observes that the applicants claim as “possessions” their entitlements under their former contracts of insurance, which in their submission were more advantageous to them than the arrangements foisted on them by the Health Care Insurance Act. These contracts were terminated ex lege as from 1 January 2006, to the extent that rights could be derived from them equivalent to those to which they were entitled from that date by the application of Council Regulation (EEC) No. 1408/71 (section 2.5.2(2) of the Health Care Insurance Act (Introduction and Adaptation) Act, (…)). In consequence, to that extent their entitlements were extinguished, as indeed was the corresponding obligation to pay premiums to their insurers.
79. The Court has gone so far as to recognise as an “asset”, and therefore a “possession” in the sense of Article 1 of Protocol No. 1, a claim under civil law (see Pressos Compania Naviera S.A. and Others v. Belgium, 20 November 1995, § 31, Series A no. 332). That case concerned claims in tort, enforceable in domestic civil law from the moment the damage occurred.
80. The present case is different. The applicants were insured under contracts which, conditionally on the payment of premiums, entitled them to certain benefits in the event that the insured situation came about. They have not, however, demonstrated or even argued that after 31 December 2005 claims arising from their insurance companies and existing on or before that date were extinguished or reduced. In this respect the present case differs from Pressos Compania Naviera S.A. and Others. It also differs from social-security cases like Gaygusuz, in which Article 14 was found applicable together with Article 1 of Protocol No. 1 in that a right to benefits was, in principle, directly recognised to persons in the applicant’s position by the law but denied to the applicant on discriminatory grounds, and Kjartan Ásmundsson, in which the termination of an existing disability pension was found to be disproportionate in the circumstances.
81. The applicants’ expectations were not based on a legal provision or a legal act such as a judicial decision. Rather, they were based on the hope to see their insurance contracts continued, or renewed, on terms no less favourable for them than those which they enjoyed previously. The Court has already drawn attention to the difference between a hope of securing an asset, however understandable that hope may be, and a legitimate expectation, which must be of a nature more concrete than a mere hope and be based on a legal provision or a legal act such as a judicial decision (see, mutatis mutandis, Gratzinger and Gratzingerova v. the Czech Republic [GC] (dec.), no. 39794/98, § 73, ECHR 2002-VII; Kopecký v. Slovakia [GC], no. 44912/98, § 49, ECHR 2004IX; and Anheuser-Busch Inc. v. Portugal [GC], no. 73049/01, § 64, ECHR 2007I).
82. In the circumstances of the present case there is no “possession”. It follows that this complaint is incompatible ratione materiae with the provisions of the Convention within the meaning of Article 35 § 3 (a) and must be rejected in accordance with Article 35 § 4.”
6.6.
Is niet aan een voorwaarde voor gerechtigdheid voldaan, dan is de aanspraak dus (nog) geen possession. Hetzelfde geldt als een voorwaarde voor gerechtigdheid verloopt doordat de gerechtigde verzuimt de voor voortduring ervan vereiste handelingen te verrichten, maar hetzelfde geldt niet als een reeds ontstane gerechtigdheid later door de overheid wordt ingetrokken. Het feit dat een recht ingetrokken kan worden, ontneemt dat recht niet zijn eigendomskarakter. Grobelny v. Poland80.betrof de intrekking, gedurende 21 maanden, van een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat de betrokkene toch niet zo arbeidsongeschikt zou zijn. Het EHRM overwoog:
"58. The mere fact that a property right is subject to revocation in certain circumstances does not prevent it from being a “possession” within the meaning of Article 1 of Protocol No. 1 to the Convention (see Beyeler v. Italy [GC], no. 33202/96, § 105, ECHR 2000I, and Moskal v. Poland, no. 10373/05, § 40, 15 September 2009). On the other hand, where a legal entitlement to the economic benefit at issue is subject to a condition, a conditional claim that lapses as a result of the non-fulfilment of that condition cannot be considered to amount to “possessions” for the purposes of Article 1 of Protocol No. 1 (see Prince Hans-Adam II of Liechtenstein v. Germany [GC], no. 42527/98, §§ 82-83, ECHR 2001-VIII, and Rasmussen v. Poland, no. 38886/05, §71, 28 April 2009)."
6.7.
Het genoemde arrest Moskal v. Poland81.ging over een moeder die na 30 jaar haar baan had opgezegd nadat haar een vroegpensioen was toegekend om voor haar hulpbehoevende 7-jarige zoon te zorgen. De overheid trok het vroegpensioen echter na tien maanden in omdat zoon volgens die overheid toch geen permanente zorg nodig had. Polen stelde dat van een possession geen sprake was, nu achteraf was komen vast te staan dat mevrouw Moskal geen recht had op het vroegpensioen. Het EHRM overwoog onder meer dat als een Staat een sociale-zekerheidssysteem heeft dat van rechtswege (‘as of right’) rechten toekent aan personen die aan de wettelijke voorwaarden voldoen, dat systeem een ‘proprietary interest’ genereert dat onder art. 1 Protocol I valt voor personen die aan de wettelijke eisen voldoen:
“38. (…), Article 1 of Protocol No. 1 does not create a right to acquire property. This provision places no restriction on the Contracting State’s freedom to decide whether or not to have in place any form of social security scheme, or to choose the type or amount of benefits to provide under any such scheme. If, however, a Contracting State has in force legislation providing for the payment as of right [van rechtswege; PJW] of a welfare benefit ‑ whether conditional or not on the prior payment of contributions ‑ that legislation must be regarded as generating a proprietary interest falling within the ambit of Article 1 of Protocol No. 1 for persons satisfying its requirements (see Stec and Others v. the United Kingdom (dec.) [GC], nos. 65731/01 and 65900/01, § 54, ECHR 2005-...).
39. In the modern democratic State many individuals are, for all or part of their lives, completely dependent for survival on social security and welfare benefits. Many domestic legal systems recognise that such individuals require a degree of certainty and security, and provide for benefits to be paid – subject to the fulfilment of the conditions of eligibility – as of right [van rechtswege; PJW]. Where an individual has an assertable [verdedigbaar; PJW] right under domestic law to a welfare benefit, the importance of that interest should also be reflected by holding Article 1 of Protocol No. 1 to be applicable (see, among other authorities, Stec, cited above, § 51).”
Ik meen dat deze rechtspraak tot de conclusie noopt dat onze belanghebbenden een proprietary interest en daarmee een possession hadden als zij aan de voorwaarden (teveel betaalde premie als gevolg van een andere indeling dan die van rechtswege) voldeden. Onder die voorwaarden valt niet het doen van een verzoek, nu het restitutierecht ‘van rechtswege’ (‘as of right’) uit de wet volgt doordat de werkgever werkzaamheden in een bepaalde sector heeft doen verrichten en de Inspecteur ook van ambstwege correct moet indelen.”
4.11
Gerverdinck annoteerde in FED 2022/66:
“5. Alvorens wordt toegekomen aan de fair balance-toets (die onderdeel is van de beoordeling van de rechtvaardigingsgronden), moet eerst worden bepaald of er wel een beroep kan worden gedaan op art. 1 EP. Daarvoor is van belang dat een recht dat kwalificeert als eigendom (possession) in de zin van art. 1 EP wordt aangetast. Art. 1 EP kent een ruim eigendomsbegrip, waaronder ook de gerechtvaardigde verwachting (legitimate expectation) valt dat het effectieve genot van eigendom zou zijn verworven als een inbreuk niet zou hebben plaatsgevonden. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een door art. 1 EP beschermde gerechtvaardigde verwachting als de wetgever een uit de wet voorvloeiend recht op belastingteruggaaf door een wetswijziging met terugwerkende kracht frustreert (zie EHRM 23 juli 2009, nr. 30345/05 (Joubert/France)). Iets dergelijks doet zich voor in de onderhavige zaak. De Hoge Raad stelt namelijk vast dat de indeling in een sector van rechtswege plaatsvindt. Daarvoor is geen beschikking van de inspecteur nodig. Belanghebbende had tot 29 juni 2018 derhalve een uit de wet voortvloeiende aanspraak op premierestitutie. Deze aanspraak kwalificeert volgens de Hoge Raad als een gerechtvaardigde verwachting die haar door de wetswijziging is ontnomen.”
4.12
Het meest in de buurt van onze drie zaken komende precedent is HR BNB 2018/126,82.betreffende een belanghebbende die per 31 december 2002 voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen beschikte over bij onherroepelijke beschikking door de Inspecteur vastgestelde verrekenbare verliezen ad € 135.524. Tot 2007 waren ondernemingsverliezen onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. Op 1 januari 2007 is de carry forward echter bekort tot negen jaar. Het overgangsrecht hield in dat verliezen uit 2002 of eerder verrekenbaar bleven tot en met 2011. Op 1 januari 2012 waren verliezen uit 2002 of eerder dus niet meer verrekenbaar. De belanghebbende verloor daardoor € 135.524 aan verrekenbare verliezen die hij deels had willen gebruiken om af te zetten tegen zijn positieve inkomen 2012 uit werk en woning ad € 9.048. Hij achtte de carry forward bekorting in strijd met art. 1 Protocol 1 EVRM. Daardoor rees de vraag of de verwachting van toekomstige verrekening van een bij onherroepelijke beschikking vastgesteld verrekenbaar verlies een possession is in de zin van art. 1 Protocol I. U beantwoordde die vraag niet zichtbaar, maar wees het cassatieberoep van de belanghebbende af in het kader van een beoordeling van de vraag of de fair balance tussen individueel belang en algemeen belang was gerespecteerd. U zie voor de relevante citaten 4.15 hieronder.
C. Fair balance
4.13
Als aangenomen moet worden dat art. 3.29 Wet IB 2001 inbreuk maakt op een eigendomsrecht, moet de gerechtvaardigdheid van die inbreuk beoordeeld worden. Zoals opgemerkt, hoeft niet getwijfeld te worden aan de lawfulness (voorzienbaarheid, precisie en toegankelijkheid voor justitiabelen83.) van die bepaling, noch aan haar legitieme doel in het algemene belang, nu budgettaire dekking in de fiscale winstsfeer voor door de democratisch gekozen wetgever gewenste fiscaal-politieke desiderata ten gunste van ondernemers niet manifestly devoid of reasonable foundation84.is en binnen de wide margin of appreciation van de nationale wetgever ligt. Het komt dan dus aan op de vraag of de individuele effecten van die bepaling (dis)proportioneel zijn ten opzichte van dat legitieme budgettaire doel.85.
4.14
Op basis van de rechtspraak van het EHRM over de fair balance toets in belastingzaken concludeert Gerverdinck:86.
“Belastingheffing vormt evenals andere maatregelen op sociaal en economisch gebied in beginsel een regulering van eigendom, waarop de tweede alinea van artikel 1 Eerste Protocol van toepassing is. In vaste rechtspraak neemt het EHRM een wide margin of appreciation voor de Staat in acht bij de beoordeling van de legitimate aim en de fair balance van overheidsmaatregelen op die beleidsterreinen. De fair balance wordt in eveneens vaste rechtspraak pas geschonden geacht als er een “individual and excessive burden” op een belastingplichtige wordt gelegd.
(…).
De toetsing van de fair balance vindt in beginsel plaats op het niveau van de individuele belastingplichtige. Het EHRM zal op basis van alle relevante omstandigheden beoordelen of sprake is van een “individual and excessive burden”. Als een belastingmaatregel ter discussie wordt gesteld, volstaat het EHRM echter soms met een abstracte toetsing op regelniveau. Ook dan blijft de maatstaf echter of (in dat geval in beginsel alle) belastingplichtigen worden getroffen door die “individual and excessive burden”. Het woord “individual” lijkt in dit soort gevallen niet op zijn plaats, aangezien het EHRM geen acht slaat op het effect van de structureel excessieve belastingheffing op de individuele (financiële) positie van de belastingplichtigen: de excessiveness wordt voorondersteld omdat de regel zelf niet deugt (bijvoorbeeld het marginale 98%-tarief in de Hongaarse ambtenarenzaken). Dat doet hij ook niet, maar dan expliciet niet, in het uitzonderlijke geval waarin de pilot-judgement procedure wordt toegepast. Hij gaat dan na of een systemische (structurele) fout leidt tot een “disproportionate and excessive burden” voor in beginsel alle regeladressaten.”
4.15
In de in 4.12 al beschreven zaak HR BNB 2018/126 over de inkorting van de verlies carry forward termijn van onbeperkt naar negen maanden achtte u de fair balance tussen private rechten en het algemene belang bij belastingopbrengst niet geschonden, waarbij u voorbijging aan de vraag of temporeel onbeperkte carry forward wel een possession is. U overwoog:
“2.3. (…). Indien, zoals in het onderhavige geval, de gestelde strijdigheid met artikel 1 EP gebaseerd wordt op het betoog dat bij de afschaffing van een gunstige belastingmaatregel de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen zijn geschonden, komt het erop aan of bij die afschaffing een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) bestaat tussen het met die afschaffing nagestreefde – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele belangen. Bij de beoordeling of dit het geval is, moet aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge worden gelaten.
Bij de beoordeling of bij de beperking van de termijn voor voorwaartse verliesverrekening een ‘fair balance’ in acht is genomen, moet in aanmerking worden genomen dat niet elke wijziging van belasting-wetgeving leidt tot een door artikel 1 EP verboden inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom. Burgers kunnen in het algemeen in redelijkheid niet erop vertrouwen dat de belastingwetgeving ongewijzigd zal blijven. Er bestaat geen grond in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. Belastingplichtigen mochten na de invoering van de onbeperkte voorwaartse verliesverrekening met ingang van 1 januari 1995 dan ook niet erop rekenen dat die regeling altijd zou worden gehandhaafd (vgl. HR 23 februari 2018, nr. 16/02216, ECLI:NL:HR:2018:266, rechtsoverwegingen 2.4.3 en 2.4.4). Door met ingang van 2007 een termijn te stellen voor de tot dan toe in de tijd onbeperkte voorwaartse verliesverrekening en daarbij de hiervoor in 2.2.1 vermelde overgangsregeling te treffen, is de wetgever niet getreden buiten zijn ruime beoordelingsmarge.
Daarbij verdient opmerking dat de beschikkingen waarbij de ondernemingsverliezen zijn vastgesteld niet verder strekken dan – teneinde daarover zekerheid te verschaffen – het vaststellen van de omvang van het verlies van het desbetreffende jaar, en niet een onvoorwaardelijk recht van de belastingplichtige op verrekening ervan vestigen.”
Erg helder is dit arrest niet omdat het eerste argument (de fair balance is niet geschonden omdat burgers niet mogen vertrouwen op ongewijzigde handhaving van belastingregels en de wetgever binnen zijn margin of appreciation is gebleven) impliceert dat de verwachting van onbeperkte verrekening van vastgestelde verliezen wél een possession was waarop een (gerechtvaardigde) inbreuk is gemaakt, terwijl het tweede argument (de verliesvaststellings-beschikking is slechts administratief bedoeld) impliceert dat die verwachting géén possession was omdat de basis van de verwachting – de beschikking – niet zou strekken tot een proprietary interest.
4.16
Het viel (ook) de annotatoren op dat u in het midden liet of de verwachting van toekomstige verliesverrekening een possession is in de zin van art. 1 Protocol I EVRM. De redactie van V-N 2018/21.9 zag als mogelijke verklaring:
“(…) dat de Hoge Raad het karakter van de beschikking duidt. De Hoge Raad benadrukt immers dat de beschikking slechts het ondernemingsverlies van dat jaar vaststelt en, met name, niet een onvoorwaardelijk recht op verrekening in het leven roept. Dit is naar onze inschatting ook de achtergrond voor het feit dat de Hoge Raad niet ingaat op de vraag of sprake is van schending van gerechtvaardigde verwachtingen. Ten slotte weegt de Hoge Raad in de onderhavige zaak nadrukkelijk mee dat de wetgever een overgangsregeling heeft getroffen. Deze overgangsregeling biedt de belastingplichtige echter geen soelaas. Het maakt de afweging van de wetgever echter wel redelijker.”
4.17
Albert (noot in BNB 2018/126) achtte het in het licht van uw eerdere rechtspraak ‘vreemd’ dat u niet expliciet de zaak afdeed op ontbreken van een possession:
“De Hoge Raad zwijgt in de onderhavige procedure over de vraag of de aanspraak op verliesverrekening eigendom in de zin van art. 1 Protocol 1 EVRM vormt. Is dat niet vreemd? Immers, in het arrest van 7 december 2007 waarnaar rechtbank en Hof verwezen (gepubliceerd in BNB 2008/34), overwoog de Hoge Raad nog:
“3.6. In het vierde middel wordt een beroep gedaan op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dit beroep faalt. Indien al de aanspraak op verliesverrekening kan worden aangemerkt als een eigendom in de zin van deze verdragsbepaling, dan kan toch niet worden gezegd dat de wetgever door de beperking van dat recht op de vorenomschreven wijze daarop een ongeoorloofde inbreuk heeft gemaakt.”
In r.o. 2.3 van het onderhavige arrest verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest HR 23 februari 2018, nr. 16/00416, BNB 2018/121c*. Ook in dat arrest overwoog de Hoge Raad (r.o. 2.4.2; cursivering van mij):
“Zo de (…) voorwaardelijke aanspraak op belastingvermindering al kan worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 Protocol 1 EVRM, kan niet worden gezegd dat de wetgever door de afschaffing van deze regeling op dit eigendomsrecht een ongeoorloofde inbreuk heeft gemaakt.”
De Hoge Raad laat zich (vermoedelijk) wel impliciet uit over de vraag of de aanspraak op verliesverrekening eigendom in de zin van art. 1 Protocol 1 EVRM vormt, namelijk in de slotzin van r.o. 2.3:
“Daarbij verdient opmerking dat de beschikkingen waarbij de ondernemingsverliezen zijn vastgesteld niet verder strekken dan – teneinde daarover zekerheid te verschaffen – het vaststellen van de omvang van het verlies van het desbetreffende jaar, en niet een onvoorwaardelijk recht van de belastingplichtige op verrekening ervan vestigen.”
Het was duidelijker geweest wanneer de Hoge Raad (…) had geëxpliciteerd dat de voorwaardelijke aanspraak op belastingvermindering geen eigendom in de zin van art. 1 Protocol 1 EVRM vormt, temeer daar de A-G in tegengestelde zin had geconcludeerd. Overigens kan ik mij vinden in het oordeel dat een voorwaardelijke aanspraak op belastingvermindering niet als eigendom in de zin van art. 1 Protocol 1 EVRM wordt aangemerkt, omdat de (waarde van de) aanspraak afhankelijk is van toekomstig inkomen en toekomstige belastingwetgeving (misschien wordt de inkomstenbelasting wel afgeschaft) en niet overdraagbaar is.87.Bovendien is het mogelijk de (vermeende) inbreuk op art. 1 Protocol 1 EVRM te toetsen in het jaar waarin die inbreuk tot hogere belastingheffing leidt (i.c. 2012).88.”
4.18
De fair balance-toets was ook aan de orde in HR BNB 2022/25,89.over een exploitant van een appartementencomplex op Bonaire. Aan die belanghebbende waren door de Gouverneur van de Nederlandse Antillen twee tax holidays verleend, onder meer inhoudende vrijstelling van de grond- en winstbelastingen voor zeven resp. vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari 2008 resp. 1 januari 2007. De winstbelasting werd als gevolg daarvan geheven niet naar 15% maar naar 2%. De Nederlandse Antillen hielden echter op 10 oktober 2010 op te bestaan als staatkundige eenheid. Bonaire werd toen als openbaar lichaam in de zin van art. 134 Grondwet onderdeel van de Nederlandse Staat. Op 1 januari 2011 trad een nieuw fiscaal stelsel in werking waardoor op Bonaire de grond- en winstbelasting van rechtswege vervielen. In plaats daarvan werden aan de belanghebbende voor 2011 en 2012 aanslagen opgelegd in de nieuwe vastgoed-belasting met eilandelijke opcenten naar het reguliere tarief van 15% van de voordelen uit een op de BES eilanden gelegen onroerende zaak (art. 4.1 Belastingwet BES). In geschil was of het verdwijnen van de tax holidays in strijd was met art. 1 Protocol I EVRM. Het Hof had geoordeeld dat de belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar een individuele en buitensporige last was opgelegd, onder meer omdat in het nieuwe stelsel niet meer wordt geheven over verkoopwinst op het vastgoed, terwijl zulke verkoopwinst onder het oude stelsel wél belast zou zijn geweest met winstbelasting, zodat het nieuwe stelsel niet enkel nadelig was voor de belanghebbende. Op het daartegen gerichte middel overwoog u:
“4.1 Het eerste middel (…) voert aan dat het Hof de fair balance-toets onjuist heeft toegepast, omdat bij de beoordeling of de wetswijziging heeft geleid tot een individuele en buitensporige last alleen in concreto moet worden getoetst wat de gevolgen zijn voor de jaren waarop de onderhavige aanslagen betrekking hebben. Het Hof heeft ten onrechte ook toekomstige omstandigheden [de onbelastbaarheid van toekomstige vermogenswinst; PJW] meegewogen, aldus het middel.
4.2
Het middel faalt. Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat bij de beantwoording van de vraag of de toepassing van een nieuwe wettelijke regeling leidt tot een schending van artikel 1 EP, ook betekenis toekomt aan de gevolgen die voor de belastingplichtige in latere jaren aan deze toepassing zijn verbonden. Het op dit uitgangspunt voortbouwende oordeel van het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij is getroffen door een buitengewone last, berust op aan het Hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard en is niet onbegrijpelijk.”
4.19
Lubbers annoteerde in BNB 2022/25:
“5. Ik ben van mening dat de door het Hof gevolgde benadering, waarvan de juistheid door de Hoge Raad is bevestigd in r.o. 4.2, recht doet aan het feit dat een wijziging van een belastingstelsel voor een individuele belastingplichtige op kortere en langere termijn op sommige punten voordelig en op andere punten nadelig kan zijn. Het zou immers tot een vertekend beeld leiden indien men bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last bij een stelselwijziging op het punt van de belastingheffing ter zake van vastgoed, de fiscale gevolgen van het nieuwe stelsel bij de verkoop van dat vastgoed buiten beschouwing zou laten.
6. Het oordeel sluit in zekere zin aan bij de benadering van de Hoge Raad bij de beoordeling of de belastingplichtige door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Uit diverse arresten volgt dat de rechter die heffing moet bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene en daarbij alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel moet betrekken.
4.20
Gerverdinck (noot in FED 2022/59) zet het arrest in de context van uw andere recente arresten over de vraag of zich een individuele en buitensporige last voordeed. Hij is kritisch op het arrest omdat het zijns inziens voorbijgaat aan de gegevens dat belastingen veelal over een tijdvak worden geheven en dat de toekomst onzeker is:
“6. In cassatie betoogt belanghebbende dat het Hof art. 1 EP heeft geschonden door rekening te houden met onzekere toekomstige omstandigheden zoals de verkoop van (een deel van) de appartementen. De Hoge Raad is echter met het Hof van oordeel (in r.o. 4.2) dat betekenis kan worden toegekend aan de gevolgen voor de belastingplichtige in latere jaren. Dit oordeel komt niet geheel als een verrassing, want ook in andere jurisprudentie over art. 1 EP mocht van de Hoge Raad al naar toekomstige gebeurtenissen worden gekeken. Dit was bijvoorbeeld het geval in het arrest over de verhuurde bovenwoning (HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2517, FED 2018/3), waarin de Hoge Raad voor de vraag of de belanghebbende werd getroffen door een individuele en buitensporige last van belang vond dat een waardevermeerdering van bezittingen pas in de toekomst kan worden gerealiseerd door verkoop van de desbetreffende bezitting. Dat oordeel was evenwel nog toegespitst op de strekking van box 3 (voor dit geval het belasten van ongerealiseerde vermogenswinst). Het onderhavige arrest lijkt meer principieel van aard te zijn, want de Hoge Raad geeft een regel die abstraheert van de litigieuze Bonairiaanse belastingwetgeving.
7. In een reeks van arresten heeft de Hoge Raad de afgelopen jaren beetje bij beetje duidelijk gemaakt hoe de rechter moet beoordelen of belastingwetgeving leidt tot een individuele en buitensporige last. Die rechtspraak ging vaak, maar zeker niet altijd, over box 3. Hieronder geef ik een aantal van de rechtsregels weer die uit de recente rechtspraak gedestilleerd kunnen worden:
⁃ Er kan eerst sprake kan zijn van een individuele en buitensporige last, indien en voor zover een last zich voor een betrokkene sterker laat voelen dan in het algemeen (HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:964, FED 2017/116
⁃ Bij het ontstaan van een individuele en buitensporige last is de rechter gehouden om effectief rechtsherstel te bieden. Dat betekent dat van een betrokkene niet gevergd kan worden dat hij procedeert over elk tijdvak waarin een belasting wordt geheven (HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1644).
⁃ De rechter die vaststelt dat een betrokkene wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, moet de omvang van het rechtsherstel schattenderwijs bepalen (HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, FED 2018/110).
⁃ Bij de beoordeling of de box 3-heffing leidt tot een individuele en buitensporige last, moet de rechter de gehele financiële situatie van de betrokkene in aanmerking nemen (HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831, FED 2020/141).
⁃ Als de box 3-heffing hoger is dan het werkelijke rendement, moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen (HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047, FED 2021/124).
8. Daaraan kan na het onderhavige arrest dus worden toegevoegd dat de rechter bij het beoordelen of sprake is van een individuele en buitensporige last, betekenis mag toekennen aan de gevolgen die de betrokkende in latere jaren van die wetgeving ondervindt. Ik vraag me af of dit nu een logische uitkomst is. Het betekent dat de fiscale positie in voorkomende gevallen pas jaren na het belastingjaar definitief kan worden bepaald en afhankelijk is van (onvoorzienbare) toekomstige gebeurtenissen. Het verdraagt zich ook moeizaam met het gegeven dat veel belastingen over een bepaald tijdvak worden geheven. Of moeten Hof en Hoge Raad zo worden begrepen dat in de belastingjaren 2011 en 2012 al voorzienbaar was dat de appartementen in latere jaren met winst verkocht zouden worden? Dat lijkt me toch niet, want (bijna) niets is zeker in het leven.”
4.21
Ook de redactie van V-N 2021/51.15 signaleert een ‘totaalbenadering’:
“De Hoge Raad is het eens met deze benadering van het hof. Bij de vraag of art. 1 EP EVRM is geschonden, komt ook betekenis toe aan de gevolgen van de nieuwe regelgeving voor de belanghebbende in latere jaren. Deze ‘totaalbenadering’ van het vraagstuk van de individuele en excessieve last past bij de wijze waarop de Hoge Raad eerder heeft aangegeven hoe moet worden beoordeeld of sprake is van een dergelijke last en hoe moet worden gehandeld, indien daarvan sprake is. Bij de vermogensrendements-heffing (box 3) moet worden gekeken naar de gehele financiële positie van de betrokken belastingplichtige (HR 29 mei 2020, 19/03944, BNB 2020/141, V-N 2020/26.5), en voor het geval komt vast te staan dat sprake is van een individuele en excessieve last en dus effectief rechtsherstel moet worden geboden, is er geen reden dat rechtsherstel te beperken tot het tijdvak waarover wordt geprocedeerd (HR 5 november 2021, 20/00131, V-N 2021/49.15).”
4.22
De beruchte box 3-zaak HR BNB 2022/2790.betrof een belanghebbende aan wie voor 2017 en 2018 aanslagen IB/PH waren opgelegd onder meer wegens genot van voordeel uit sparen en beleggen. De door hem en zijn echtgenote verschuldigde box 3-heffing bedroeg voor 2017 € 12.705 en voor 2018 € 11.969, hoewel het rendement van hun box 3 vermogen in die jaren slechts € 6.612 resp. € 3.528 bedroeg. Het (massaal-bezwaar-)geschil stelde de vraag aan de orde of het voor 2017 en 2018 geldende box 3-stelsel in gevallen zoals dat van de belanghebbende een schending inhield van het eigendomsgrondrecht (art. 1 Protocol I EVRM) en het discriminatieverbod (art. 14 EVRM). U overwoog:
“3.2.1. (…). Bij de beoordeling of de heffing van box 3 op stelselniveau die ‘fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid.91.
3.2.2.
Bij deze proportionaliteitstoets komt ook het in artikel 14 van het EVRM neergelegde discriminatie-verbod in beeld. Van een stelsel dat onverenigbaar is met dit discriminatieverbod kan niet worden gezegd dat het de zojuist genoemde ‘fair balance’ respecteert. Ook hierbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.
3.2.3.
In dit verband mag niet uit het oog worden verloren dat een zekere ruwheid inherent is aan een forfaitaire regeling. Degenen die in financieel opzicht beter presteren dan het forfait veronderstelt, worden ook fiscaal gunstig behandeld ten opzichte van degenen die in dat opzicht slechter presteren. Een rechtvaardiging voor de daaruit volgende ongelijkheid kan deze eigenschap van forfaitaire regelingen echter alleen opleveren voor zover bij het vaststellen van de forfaitaire grenzen is getracht de werkelijkheid te benaderen. Het gaat immers niet alleen erom of met de regeling een redelijk doel wordt gediend maar ook of er een redelijke verhouding bestaat tussen dat doel en de ongelijkheid die wordt veroorzaakt door de voor verwezenlijking van dat doel in de regeling gekozen vormgeving.92.
(…).
3.3.2.
De wetgever heeft de grondslag van het risico-arme rendement bij de vormgeving van het sinds 2017 geldende stelsel verlaten en in plaats daarvan aansluiting gezocht bij een gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen over spaargeld en beleggingen (de vermogensmix) en bij de rendementen die door belastingplichtigen in voorafgaande jaren gemiddeld zijn behaald op die vermogensonderdelen. Daarmee rijst de vraag of deze nieuwe grondslag voldoet aan de voorwaarde dat het daarop aansluitende stelsel zodanig is vormgegeven dat daarmee wordt getracht de werkelijkheid te benaderen en in het bijzonder of met deze grondslag nog een redelijke verhouding bestaat tussen het doel dat de forfaitaire regeling beoogt te bereiken en de ongelijkheid die wordt veroorzaakt door de vormgeving van dat forfait.
3.3.3.
Bij de beantwoording van die vraag moet worden vooropgesteld dat in 2017 onveranderd is gebleven dat het forfaitaire stelsel van Hoofdstuk 5 Wet IB 2001 ertoe strekt belasting te heffen over het door de belastingplichtige genoten inkomen uit sparen en beleggen.93.Dit sluit aan bij de algemene strekking van de Wet IB 2001 om een heffing in het leven te roepen naar de, aan het daadwerkelijk genoten inkomen ontleende, draagkracht.94.Dit betekent dat naar de strekking van de wet buiten de heffing moeten blijven de voordelen die de belastingplichtige niet heeft genoten, maar had kunnen behalen als hij zijn bezittingen daaraan dienstbaar had gemaakt en/of als hij meer geluk had gehad.95.
3.3.4.
Ten aanzien van de exploitatie van vermogen geldt bovendien dat het recht op ongestoord genot van eigendom, verankerd in artikel 1 EP, meebrengt dat de Staat zich niet ongelimiteerd mag mengen in de keuzes van een burger bij het gebruik of de exploitatie van zijn bezittingen.
3.3.5.
Met het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel beoogt de wetgever aan te sluiten bij de rendementen die door belastingbetalers in de voorafgaande jaren gemiddeld zijn behaald.96.Daarmee is verlaten het voordien geldende uitgangspunt dat het forfait is afgestemd op het rendement dat alle belastingplichtigen in de praktijk gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daarvoor (veel) risico hoeven te nemen. Door deze verandering is het forfaitair stelsel verder af komen te staan van een heffing over inkomen waarvan kan worden aangenomen dat een individuele belastingplichtige het daadwerkelijk heeft genoten. Het nieuwe stelsel perkt de door artikel 1 EP gegarandeerde vrije beschikkingsmacht in doordat het een verhoudingsgewijs zware financiële last verbindt aan de keuze om niet over te gaan tot het risicovol beleggen van vermogen. Verder brengt het middel, onder verwijzing naar de conclusie van Advocaat-Generaal Wattel van 25 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:293, terecht onder de aandacht dat het stelsel degenen benadeelt die wel overgaan tot het risicovol beleggen van hun vermogen, maar die – door gebrek aan inzicht of fortuin – hun keuze moeten bekopen met een laag rendement of met vermogensverlies. Zoals Advocaat-Generaal Wattel laat zien, is eigen aan het begrip ‘risico’ dat een individuele belegger geen garantie heeft dat hij het gemiddelde rendement zal behalen. Door niettemin de heffing van inkomstenbelasting mede te baseren op het gemiddelde rendement op risicovolle beleggingen creëert het stelsel een relatieve ongelijke behandeling op basis van een omstandigheid die de betrokkenen niet zelf in de hand hebben.
3.4.
De belangen die de wetgever heeft willen dienen met de invoering van het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel liggen op het terrein van uitvoerbaarheid, realiteit en opbrengst. Vanwege het belang van uitvoerbaarheid heeft de wetgever vastgehouden aan een stelsel waarbij voor de vaststelling van het inkomen uit sparen en beleggen is uitgegaan van de fictie dat belastingplichtigen hun vermogen aanhouden in de vorm van spaartegoeden of beleggingen en van een forfaitaire vaststelling van het rendement van die tegoeden en beleggingen. De realiteit heeft de wetgever willen bevorderen door te voorzien in periodieke herijking van de in artikel 5.2, lid 1, Wet IB 2001 genoemde rendementspercentages97.. Voorts is uit budgettaire overwegingen verlaten het uitgangspunt dat het forfait aanknoopt bij het zonder veel risico haalbare rendement.98.
3.5.
Het voorgaande overziend oordeelt de Hoge Raad dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt, in redelijkheid niet kan worden gezegd dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel de uit artikel 1 EP voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan. Er bestaat niet een redelijke verhouding tussen de belangen die de wetgever heeft willen dienen met dat stelsel en de ongelijkheid die wordt veroorzaakt door de vormgeving die de wetgever heeft gekozen voor de verwezenlijking van dat doel. In het bijzonder kan de – op zichzelf begrijpelijke – wens om de uitvoerbaarheid te bevorderen en de belastingopbrengsten op peil te houden, geen voldoende rechtvaardiging bieden voor het aanzienlijke verschil in behandeling tussen degenen die positieve vruchten plukken van hun risicovolle beleggingen, en die ook fiscaal een bevoorrechte behandeling ten deel valt, en degenen aan wie dat fortuin is voorbij gegaan, en aan wie door het stelsel een relatief zware belastingschuld wordt toebedeeld. Hieraan doet niet af dat het forfaitaire rendement in de beide rendementsklassen periodiek kan worden herzien.”
4.23
Dusarduijn (NLF 2022/0106) wijst erop dat van elke belastingheffing op basis van een forfait gezegd kan worden dat zij een ongelijkheid creëert en dat dit arrest lijkt te zeggen dat zo’n ongelijkheid alleen gerechtvaardigd kan worden voor zover met het forfait getracht wordt de werkelijkheid te benaderen. Ik merk op dat dat niet noodzakelijkerwijze in het arrest gelezen hoeft te worden, nu dat immers een forfait betrof waarvan de wetgever expliciet verklaard had dat het bedoeld was om er de werkelijke vermogensinkomsten mee te benaderen. Bovendien kunnen, als de financiële belangen voor de belastingplichtige kleiner zijn dan in het geval van box 3, zeker als zij beïnvloedbaar zijn door de belastingplichtige, grotere ongelijkheden en afwijkingen van de werkelijkheid aanvaard worden: één vaste bescheiden aftrek voor de kosten van thuiswerken voor alle werknemers leidt stellig tot ongelijkheden en gaat voorbij aan de werkelijkheid van werknemers die zelden of nooit thuis werken, maar lijkt mij geen schending van het discriminatieverbod of het eigendomsgrondrecht.
4.24
Gerverdinck (FED 2022/9) wijst erop dat zelfs als de wetgever bedoelde de werkelijkheid te benaderen, nog steeds sprake kan zijn van een inbreuk op het eigendomsgrondrecht, omdat niet slechts naar bedoelingen, maar vooral naar werkelijke effecten moet worden gekeken:
“2. Op zichzelf is belastingheffing op basis van een forfaitair rendement toegestaan door de Hoge Raad. Als bij de vaststelling van het forfait maar wordt getracht om de werkelijkheid te benaderen (r.o. 3.2.3). In het stelsel zoals dat geldt vanaf 2017 wordt het rendement bepaald op basis van een veronderstelde vermogensmix, waarbij de hoogte van het rendement afhankelijk is gesteld van de omvang van het vermogen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever hiermee heeft getracht om beter aan de sluiten bij het werkelijk door belastingbetalers behaalde rendement (Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 3, p. 9). Daarmee lijkt te zijn voldaan aan de voorwaarde die de Hoge Raad stelt aan belastingheffing met behulp van een forfait. Daarmee is echter nog niet gezegd dat de fiscale maatregel geen inbreuk maakt op grondrechten. Bij de beoordeling of (belasting)wetgeving in strijd komt met grondrechten moet namelijk niet alleen worden gekeken naar verklaarde intenties van de wetgever, maar ook naar de werkelijke effecten en de positie van de door de (belasting)wetgeving getroffenen (T.C. Gerverdinck, Eigendomsgrondrecht en belastingen, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 200-201 en p. 216).”
4.25
De redactie van V-N 2022/2.3 achtte vooral de fictieve vermogensmix fataal voor box 3 2017:
“De Hoge Raad start met het herhalen van de ruime (beoordeling)vrijheid die de wetgever heeft voor wat betreft de schending van het eigendomsrecht en bij een inbreuk op het discriminatieverbod. Vervolgens start het vuurwerk in r.o. 3.3.5. De Hoge Raad legt uit dat de wetgever met de wijziging in 2017 nadrukkelijk is afgestapt van belastingheffing over een rendement dat alle belastingplichtigen zouden moeten kunnen behalen zonder daarvoor (veel) risico te lopen. In plaats daarvan wordt gekeken naar de rendementen in de afgelopen jaren. Door uit te gaan van een vermogensmix werkt het stelsel risicovol beleggen – en dus ook het discriminatoire karakter van het systeem – in de hand en is het verder verwijderd van belastingheffing over het werkelijke rendement. De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever hiermee buiten de ruim geformuleerde kaders is getreden. Dat de vermogensmix periodiek kan worden herzien, maakt dat niet anders.”
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑01‑2023
EHRM 11 september 2012, nr. 23819/06,ECLI:CE:ECHR:2012:0911DEC002381906 (Optim en Industerre v. België)
HR13 april 2018, nr. 16/04786, ECLI:NL:HR:2018:589, na conclusie Niessen (ECLI:NL:PHR:2017:567), BNB 2018/126 met noot Albert, V-N 2018/21.9 met noot redactie, FutD 2018-1021 met noot redactie, FED 2018/112 met noot Cornelisse, NTFR 2018/934 met noot Alink.
Zie B. Dieleman, Fiscale versus vennootschappelijke waardering van pensioenverplichtingen, Deventer: Kluwer 2012, p. 239.
Hoge Raad 16 oktober 2015, nr. 13/04121, ECLI:NL:HR:2015:3082, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2014:2730), FED 2015/100 met noot Russo, BNB 2016/14 met noot Cornelisse, FutD 2015-2524 met noot Fiscaal up to Date, NTFRB 2016/5 met noot Bruijsten, NTFR 2015/3006 met noot Bruins Slot, NTFR 2016/73.
Zie L.G.M. Stevens, Pensioen in de winstsfeer, Deventer: Kluwer (2010), p. 98-99 en 104.
Zie J.C.K.W. Bartel, “Dga-pensioenverplichtingen”, NTFR 2012/1068.
Conclusie A-G Wattel 18 december 2014 voor HR BNB 2016/14, ECLI:NL:PHR:2014:2730, onderdeel 6.6.
Conclusie A-G Wattel 18 december 2014 voor HR BNB 2016/14, ECLI:NL:PHR:2014:2730, onderdeel 10.9.
Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen, Stb. 2017, 115 en 116.
Zie J.J. Buijze, Wet uitfaseren pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen, Den Haag: Sdu Uitgevers (2017), p. 7.
Zie G.M.C.M. Staats e.a., Einde DGA-pensioen in eigen beheer, Deventer: Wolters Kluwer (2017) p. 2.
Handelingen 2012/13, nr. 12, item 18, 33402, 17-12-2012, p. 96-97 (Voortzetting van de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2013) (33402); het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2013) (33403); het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere wetten in verband met de herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning (Wet herziening fiscale behandeling eigen woning) (33405) en het wetsvoorstel Invoering van een verhuurderheffing (Wet verhuurderheffing) (33407)).
Zie G.M.C.M. Staats e.a., Einde DGA-pensioen in eigen beheer, Deventer: Wolters Kluwer (2017) p. 2. Staats vermeldt: Kamerstukken II 2013/14, 33752, nr. 75, brief van 6 december 2013, kenmerk DB/2013/576, brief van 2 juni 2014, kenmerk DB/2014/208M, Kamerstukken II 2013/14, 33752, nr. 94, brief van 5 december 2014, kenmerk DB2014-503, Kamerbrief Oplossingsrichtingen pensioen in eigen beheer, kenmerk: DB/2015/106 U, 1 juli 2015, Oplossingsrichtingen pensioen in eigen beheer; oudedagssparen in eigen beheer of uitfaseren van pensioen in eigen beheer?, kenmerk DB/2015/454U en ten slotte de brief van 1 juli 2016, kenmerk 2016-000009224.”
Zie Kamerstukken II, 2016-2017, 34555, nr. 3 (MvT bij de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen). Over de (on)mogelijkheden tot aanpassing wordt in de Memorie van Toelichting verwezen naar de Kamerstukken I 2013/14, 33 752, E, Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 94, Kamerstukken I 2014/15, 33 752, X, Kamerstukken I 2014/15, 33 752, AA, Kamerstukken II 2015/16, 34 002, nr. 108, Kamerstukken I 2015/16, 33 752, AB, Kamerstukken II 34 302, nr. 113, Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 117 en Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 122
Zie J.J. Buijze, Wet uitfaseren pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen, Den Haag: Sdu Uitgevers (2017), p. 7.
Toevoeging PJW: de wet is uiteindelijk in werking getreden per 1 april 2017.
Zie Hoge Raad 15 juli 1980, nr. 20 049, ECLI:NL:HR:1980:AW9929, na conclusie Van Soest (ECLI:NL:PHR:1980:AW9929) BNB 1980/274 met noot Van Dijck, en Hoge Raad 1 juli 1981, nr. 20 578, ECLI:NL:HR:1981:AW9778, BNB 1981/247.
A.H.H. Bollen-Vandenboorn, Cursus Belastingrecht, IB.3.2.22.D.e3.
HR 28 juni 2000, nr. 34169, ECLI:NL:HR:2000:AA6313, na conclusie Van Kalmthout (ECLI:NL:PHR:2000:AA6313), BNB 2000/275 met noot Hoogendoorn, FED 2000/357, FED 2001/429 met noot Aardema, WFR 2000/1032, V-N 2000/30.7 met noot van de redactie, PJ 2000/64 met noot Akkermans, NTFR 2000/931 met noot Vissers.
I. Obbink-Reijngoud en A.O. Lubbers, ‘Recente jurisprudentie inzake de waardering van pensioenverplichtingen’, WFR 2000/1363).
A.H.H. Bollen-Vandenboorn, Cursus Belastingrecht, IB.3.2.22.D.e3.
Hoge Raad 16 oktober 2015, nr. 13/04121, ECLI:NL:HR:2015:3082, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2014:2730), V-N 2015/52.12 met noot van de redactie, FED 2015/100 met noot Russo, BNB 2016/14 met noot Cornelisse, FutD 2015-2524 met noot Fiscaal up to Date, NTFRB 2016/5 met noot Bruijsten, NTFR 2015/3006 met annotatie noot Bruins Slot.
Kamerstukken II 2013/14, 33 752 (Belastingplan 2014), nr. 75, p. 3 (brief van de Staatssecretaris van Financiën van 6 december 2013 aan de voorzitter van de Tweede Kamer).
Kamerstukken II 2013/14, 33 752 (Belastingplan 2014), nr. 94, p. 12.
Kamerstukken II 2013/14, 33 752 (Belastingplan 2014), nr. 75, p. 6-7 (brief van de Staatssecretaris van Financiën van 6 december 2013 aan de voorzitter van de Tweede Kamer). Zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 752 (Belastingplan 2014), nr. 94, p. 16-17.
Voetnoot in origineel: “Bruins Slot meent in zijn commentaar onder de conclusie van A-G Wattel van 18 december 2014, nr. 13/04120, NTFR 2015/687 en HR 16 oktober 2015, nr. 13/04121, NTFR 2015/3006 nog wel een uitweg te zien door de overnamesom deels te passiveren als transitoire passiefpost en geleidelijk te laten vrijvallen. Hij wijst er daarbij ook op dat de advocaat-generaal voor zijn oplossing geen uitweg zag.”
Voetnoot in origineel: “Denk wat dat betreft bijvoorbeeld ook aan de afschrijving van bedrijfsmiddelen.”
Voetnoot in origineel: “Belanghebbende heeft in de onderhavige zaak verwezen naar het besluit van 3 juli 2008, nr. CPP2008/447M, NTFR 2008/1437. In een update van dat besluit zou de staatssecretaris expliciet op de overdracht van een pensioenverplichting en de fiscale consequenties voor de overdrager en de overnemer in kunnen gaan.”
Hoge Raad 18 december 2015, nr. 14/06531, ECLI:NL:HR:2015:3605, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2015:1672), V-N 2015/66.9 met noot van de redactie, Belastingadvies 2016/3.5, PJ 2016/25, BNB 2016/50 met noot Cornelisse, FutD 2015-3028 met noot Fiscaal up to Date, NTFR 2016/330 met noot Lohuis.
Zie bijvoorbeeld Cornelisse in BNB 2016/50: “Na het door de Hoge Raad eerder gewezen arrest (HR 16 oktober 2015, nr. 13/04121, BNB 2016/14 met mijn noot) vormt de uitkomst van dit arrest met betrekking de waardering van een pensioenverplichting per het einde van een boekjaar in licht van het bepaalde in art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8 lid 6 Wet VPB 1969 geen verrassing.” De redactie van V-N 2015/66.9 noteerde: “Het arrest betreft de waardering van pensioenverplichtingen en volgt op twee eerdere arresten HR 16 oktober 2015, nrs. 13/04120 en 13/04121, V-N 2015/52.11-12. De beslissing sluit naadloos aan op die eerdere arresten.”
Hoge Raad 14 oktober 2016, nr. 15/03451, ECLI:NL:HR:2016:2338, NLF 2016/0706 met noot Van den Dool, V-N 2016/53.14 met noot van de redactie, FED 2016/131 met noot M.C. Cornelisse, BNB 2017/5 met noot R.P.C. Cornelisse, FutD 2016-2471 met noot Fiscaal up to Date, NTFR 2016/2601 met noot Reimert.
Conclusie A-G Wattel 18 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2730, onderdelen 9.1 en 9.2.
L.G.M. Stevens, Pensioen in de winstsfeer, Deventer: Kluwer (2010), p. 115.
B. Dieleman, Fiscale versus vennootschappelijke waardering van pensioenverplichtingen (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer (2012), p. 243. Dieleman verwijst naar L.G.M. Stevens, Pensioen in de winstsfeer, Kluwer (2010), paragraaf 4.5, J.C.K.W. Bartel, DGA-pensioenverplichtingen, NTFR 2018-12 en P.M. Ravenzwaarij, ‘Fiscale regelgeving pensioen dga is toe aan grondige revisie’, PM 2006-10.
J.C.K.W. Bartel, ‘Langlevenrisico’, WFR 2016/146
Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II 1992/93, 23 071, nr. 3 en 1993/94, nr. 5 (na advies Raad van State).”
Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 7.”
Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 17.”
C.A.H. Luijken, ‘Leidt het uitkeren van dividend tot afkoop van pensioen?’, NTFR Beschouwingen 2014/32. Andere storende factoren zijn volgens hem dat geen rekening mag worden gehouden met (i) een verwachte stijging van de gemiddelde levensverwachting, (ii) de kosten van het risico dat bij overlijden van de werknemer voor pensioendatum een partnerpensioen moet worden uitgekeerd en (iii) de kosten van toekomstige indexatie van de pensioenaanspraken.
Voetnoot in origineel: “ www.belastingdienstpensioensite.nl”
F. Dirks, ‘Aanpassing pensioen in eigen beheer: kwestie van timing’, MBB 2015/10. Zie, in dezelfde zin, ook M.A.B. Bögemann, ‘Pensioen’, Forfaitair 2013/234.
Voetnoot in origineel: “CAP, Vraag & Antwoord 12-008 d.d. 200912, http://www.belastingdienstpensioensite.nl/VA_12-008_v120921.htm [28 juli 2015].”
Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II, 1992-1993, 23 046, nr. 3, p. 5.”
Voetnoot in origineel: “HR 21 december 2012, nr. 11/05002, NTFR 2013/67, BNB 2013/83 (met noot van Mertens).”
Voetnoot in origineel: “HR 9 november 2012, nr. 11/01418 (met conclusie van AG Niessen), NTFR 2012/2588, BNB 2013/73 (met noot van Heithuis.”
Voetnoot in origineel: “Hof Den Bosch 6 oktober 2011, nr. 11/00051, NTFR 2012/138.”
Voetnoot in origineel: “C.A.H. Luijken, ‘Leidt het uitkeren van dividend tot afkoop van pensioen?’, NTFR-B 2014/32, par. 3.2.”
Hoge Raad 24 december 2021, nr. 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963, na conclusie Niessen (ECLI:NL:PHR:2021:1019), FutD 2022-0005 met noot Fiscaal up to Date, NTFR 2022/37 met noot Nieuwenhuizen, V-N 2022/2.3 met noot van de redactie, FED 2022/9 met noot Gerverdinck, NLF 2022/0106 met noot Dusarduijn, NJB 2022/301, Vp-bulletin 2022/4 met noot Rebbens en Tobben, BNB 2022/27 met noot Heithuis, Belastingadvies 2022/6.2
T.C. Gerverdinck, Eigendomsgrondrecht en belastingen (Fiscale Monografieën nr 161) (diss. UvA), Deventer: Wolters Kluwer (2020), p. 19.
Voetnoot in origineel: “Zie over het toetsingskader van artikel 1 Eerste Protocol onder meer Barkhuysen & Van Emmerik 2011, p. 98-106, Gerverdinck 2016a en Schild 2012, p. 120-146.”
EHRM 19 december 2018, nr. 20452/14, ECLI:CE:ECHR:2018:1219JUD002045214 (Molla Sali v. Griekenland).
EHRM 10 juli 2002, nr. 39794/98, ECLI:CE:ECHR:2002:0710DEC003979498 (Gratzinger en Gratzingerova v. Tsjechië).
Zie nader de Conclusie van 8 april 2021, nrs. 20/02576 en 20/02572, ECLI:NL:PHR:2021:352, onderdeel 6.3, FutD 2021-1318, V-N 2021/20.5 met noot redactie, NTFR 2021/1540 met noot Jorissen, Belastingadvies 2021/11.7, NLF 2021/1460 met noot Van de Ven.
D.J. Harris e.a., Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press (2018), p. 851.
Voetnoot in origineel: “Conditional claims are discussed later.”
Voetnoot in origineel: “NKM v Hungary hudoc (2013) para 35. Regarding the stage of proceedings that the claim must reach in order to constitute a ‘possession, see Stran Greek Refineries and Stratis Andreadis v Greece A 301 -B (1994); 19 EHRR 293 (final judgment); Smokovitis and Others v Greece hudoc (2002) (first instance decision); and SA Dangeville v France 2002-III, 38 EHRR 699 (first-instance decision in line with authority). Cf ArvamtahRobati v Greece hudoc (2006) (no ‘possession’ where claim not established by final court decision).”
Voetnoot in origineel: “See Kopecky v Slovakia 2004-XI; 41 EHRR 944 para 50 GC, Anheuser-Busch Inc v Portugal hudoc 2007-1; 45 EHRR 830 para 65 GC, and loviom and Others v Romania Nos 57583/10 et al hudoc (2012) DA. See also Optim and Industerre v Belgium No 23819/06 hudoc (2012) DA 9 (no ‘legitimate expectation because the amount of tax liability unknown) See also Ramaer and Van Willigen v Netherlands No 34880/12 hudoc (2012) DA.”
D.J. Harris e.a., Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press (2018), p. 850.
Voetnoot in origineel: “See, eg, De la Cierva Osorio de Moscoso and Others v Spam Nos 41127/98 et al 1999-VII DA (peerage not a ‘possession’ where title has no economic value), and Parrillo v Italy No 46470/11 hudoc (2015) GC DA (human embryo not a ‘possession’). There was an economic value in Paeffgen GmbH v Germany Nos 25379/04 et al hudoc (2007) DA (exclusive right to use Internet domain names).”
A.E.M. Leijten, Sdu commentaar ECRM, art. 1 Prot. 1 EVRM, par. C.13.1., Den Haag: Sdu (2020)
Voetnoot in origineel: “Andere rechten vinden wellicht bescherming op grond van andere EVRM-bepalingen.”
Voetnoot in origineel: “Akdivar t. Turkije, EHRM 16 september 1996, nr. 21893/93.”
Voetnoot in origineel: “Intersplav t. Oekraïne, EHRM 9 januari 2007, nr. 803/02.”
Voetnoot in origineel: “French Laboratories t. Nederland, EHRM 4 oktober 1990, nr. 12633/87”
Voetnoot in origineel: “Melnychuk t. Oekraïne, EHRM 5 juli 2005, nr. 28743/03.”
Voetnoot in origineel: “Paeffgen GmbH t. Duitsland, EHRM 18 september 2007, nr. 25379/04, 21688/05, 21722/05 en21770/05, «EHRC» 2008/17 (m.nt. Kamperman Sanders), RvdW 2008, 307, LJN BC2029”
Voetnoot in origineel: “Zie bijvoorbeeld Moskal t. Polen, EHRM 15 september 2009, nr. 10373/05, waarbij het ging om een onterecht toegekende uitkering. Aan de gestelde voorwaarden hoeft niet te worden voldaan, indien deze beweerdelijk discriminatoir zijn, zie bijvoorbeeld Andrejeva t. Letland, EHRM 18 februari 2009, nr. 55707/00.”
Voetnoot in origineel: “Stec e.a. t. Verenigd Koninkrijk, EHRM 6 juli 2005 (GK, ontv.besl.), nr. 65731/01 en 65900/01, AB 2005/376, m.nt. Pennings, «EHRC» 2005/98, m.nt. Pennings, RSV 2006/114, «USZ» 2005/395 , m.nt. red., LJN AU4054”
EHRM 11 september 2012, nr. 23819/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0911DEC002381906 (Optim en Industerre v. België)
Zie nader T.C. Gerverdinck, Eigendomsgrondrecht en belastingen (Fiscale Monografieën nr 161) (diss. UvA), Deventer: Wolters Kluwer (2020), p. 41.
A.E.M. Leijten, Sdu commentaar ECRM, art. 1 Prot. 1 EVRM, par. C.1.3.3., Den Haag: Sdu (2020)
D.J. Harris e.a., Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press (2018), p. 853.
Voetnoot in origineel: Kopecky v Slovakia 2004-XI; 41 EHRR 944 para 35 GC For instance, future income is not a possession until it has ‘been earned or an enforceable claim to it exists’: Demmark Ltd and 11 Others v UK No 37660/97 hudoc (2000), 30 EHRR CD 144 (value of commercial business); Xenodochtakt SA v Greece No 49213/99 hudoc (2001) DA (rent); Ambruosi v Italy hudoc (2000); 35 EHRR 125 (legal fees); and Levanen and Others v Finland No 34600/03 hudoc (2006) DA (possible loss offuture income and value ofbusiness assets, inadmissible).”
Voetnoot in origineel: “A 31 (1979); 2 EHRR 330 PC. CiInze v Austria A 126 (1987); 10 EHRR 394.”
Hoge Raad 24 september 2021, nr. 20/02576, ECLI:NL:HR:2021:1239, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2021:352), FutD 2021-2946 met noot Fiscaal up to Date, NTFR 2021/3181 met noot Westerman, V-N 2021/40.6 met noot Redactie, NLF 2021/1926 met noot Van de Ven, BNB 2022/8 met noot Mertens, FED 2022/66 met noot Gerverdinck.
Voetnoot in origineel: “EHRM 23 oktober 2012, nr. 34880/12, ECLI:NL:XX:2012:BY8688 (Ramaer and Van Willigen v. Nederland), NJ 2014/331 met noot Alkema, RSV 2013/243, RvdW 2013/923, AB 2013/43 met noot Leijten, NJB 2013/11.”
Voetnoot in origineel: “EHRM 5 maart 2020, nr. 60477/12, ECLI:CE:ECHR:2020:0305JUD006047712 (Grobelny v. Polen), RSV 2020/174.”
Voetnoot in origineel: “EHRM 15 september 2009, nr. 10373/05, ECLI:CE:ECHR:2009:0915JUD001037305 (Moskal v. Polen).”
Hoge Raad 13 april 2018, nr. 16/04786, ECLI:NL:HR:2018:589, na conclusie Niessen (ECLI:NL:PHR:2017:567), BNB 2018/126 met noot Albert, V-N 2018/21.9 met noot van de redactie, FutD 2018-1021 met noot Fiscaal up to Date, FED 2018/112 met noot Cornelisse, NTFR 2018/934 met noot Alink.
Zie T.C. Gerverdinck, Eigendomsgrondrecht en belastingen (Fiscale Monografieën nr 161) (diss. UvA), Deventer: Wolters Kluwer (2020), p. 23-25, en D.J. Harris e.a., Law of the European Convention on Human Rights, Oxford University Press (2018), p. 867. Harris a.o. verwijzen naar Iatridis v Greece 1999-11, 30 EHRR 97 para 62 GC. Cf Saghinadze and Others v Georgiahudoc (2010) en Carbonara and Ventura v Italy 2000-VI paras 91 and 107, en naar Beyeler v Italy 2000-1; 33 EHRR 1225 para 88 GC.
Zie T.C. Gerverdinck, Eigendomsgrondrecht en belastingen (Fiscale Monografieën nr 161) (diss. UvA), Deventer: Wolters Kluwer (2020), p. 25 en 67-73. Zie ook de Conclusie van A-G Wattel 18 juni 2015, nr. 15/00340, ECLI:NL:PHR:2015:947, onderdelen 8.13 en 8.15, NTFR 2015/1849 met noot Van Mulbregt, FutD 2015-1571, Belastingadvies 2015/16.7, V-N 2015/38.12 met noot van de redactie.
T.C. Gerverdinck, Eigendomsgrondrecht en belastingen (Fiscale Monografieën nr 161) (diss. UvA), Deventer: Wolters Kluwer (2020), p. 26-29.
T.C. Gerverdinck, Eigendomsgrondrecht en belastingen (Fiscale Monografieën nr 161) (diss. UvA), Deventer: Wolters Kluwer (2020), p. 84.
Voetnoot in origineel: “Vergelijk M.R.T. Pauwels, Terugwerkende kracht van belastingwetgeving: gewikt en gewogen, Amersfoort: Sdu uitgevers 2009, p. 413.”
Hoge Raad 19 november 2021, nr. 20/01785, ECLI:NL:HR:2021:1718, FutD 2021-3559, V-N 2021/51.15 met noot van de redactie, NTFR 2021/4074 met noot Jansen, NLF 2021/2267 met noot Adeler, BNB 2022/25 met noot Lubbers, FED 2022/59 met noot Gerverdinck.
Hoge Raad 24 december 2021, nr. 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963, na conclusie Niessen (ECLI:NL:PHR:2021:1019), FutD 2022-0005 met noot Fiscaal up to Date, NTFR 2022/37 met noot Nieuwenhuizen, V-N 2022/2.3 met noot van de redactie, FED 2022/9 met noot Gerverdinck, NLF 2022/0106 met noot Dusarduijn, NJB 2022/301, Vp-bulletin 2022/4 met noot Rebbens en Tobben, BNB 2022/27 met noot Heithuis, Belastingadvies 2022/6.2
Voetnoot in origineel: “HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816.”
Voetnoot in origineel: “HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2756.”
Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II, 2015-2016, 34302, nr. 3, blz. 9 en 10.”
Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II, 1998-1999, 26727, nr. 3, blz. 4/5 en 38.”
Voetnoot in origineel: “Vgl. HR 30 oktober 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX5927.”
Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II, 2015-2016, nr. 3, blz. 9 en 10.”
Voetnoot in origineel: “Zie artikel 10.6bis Wet IB 2001 (tekst 2017 tot en met 2019) thans artikel 10.6ter Wet IB 2001.”
Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II, 2015-2016, 34302, nr. 3, blz. 9/10 en 20, nr. 11, blz. 22 en Kamerstukken II, 2016-2017, 34552, nr. 6, bijlage 783311, blz. 7 en 9 t/m 12.”
Conclusie 16‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage: ECLI:NL:PHR:2023:137 Eigendomsgrondrecht (art. 1 Protocol I EVRM); waardering pensioen- en stamrechtverplichtingen; verplichte 4% rekenrente (art. 3.29 Wet IB 2001) bij veel lagere marktrente; ‘possession’? ‘Interference’? (Un)fair balance? Feiten: De belanghebbende houdt alle aandelen in een pensioen BV waarmee zij een fiscale eenheid Vpb vormt. Op 31 december 2013 heeft zij haar pensioenverplichting jegens haar dga en diens echtgenote tegen de commerciële waarde ad € 2.000.585 overgedragen aan Pensioen BV. Op basis van een brief van de Inspecteur is de pensioen-verplichting tot de pensioeningangsdatum 1 januari 2014 bepaald op commerciële grondslagen, i.e. met 2,57% rekenrente en leeftijdscorrecties, en vanaf 1 januari 2014 op basis van fiscale grondslagen, i.e. met 4% rekenrente en zonder leeftijdscorrectie. In een na aanslagoplegging 2014 ingediende aangifte Vpb 2014 is de pensioenverplichting ultimo 2013 fiscaal conform de commerciële jaarrekening van Pensioen BV gewaardeerd op € 2.000.585 en per 31 december 2014 op € 1.583.570. De Inspecteur heeft daarop een navorderingsaanslag Vpb 2014 conform die aangifte opgelegd, uitgaande van de in art. 3.29 Wet IB 2001 voorgeschreven 4% rekenrente. In geschil is de vraag of de pensioenverplichting terecht en naar het juiste bedrag is gecorrigeerd, met name of het eigendomsgrondrecht wordt geschonden door belastingheffing over de vrijval. De Rechtbank Noord-Holland meent, gezien HR BNB 2016/14, dat de wettelijk voorgeschreven lastwaardering naar 4% rekenrente niet wegens onverenigbaarheid met de eisen van goed koopmansgebruik buiten toepassing kan blijven of anders dan grammaticaal kan worden uitgelegd. Ook het beroep op art. 1 Protocol I EVRM heeft zij verworpen, met name omdat de bestreden heffing over de vrijval van een deel van de pensioenverplichting geen individuele en buitensporige last op de belanghebbende legt, gegeven haar inkomens- en vermogenspositie. Het Hof Amsterdam heeft zich in hoger beroep aangesloten bij het oordeel dat de Rechtbank en heeft dier overwegingen overgenomen. Hij overwoog dat het oordeel van de Rechtbank mede inhoudt dat een fout in de balanspost op 31 december 2013 is gemaakt die op basis van de foutenleer in 2014 wordt gecorrigeerd. Op basis van de parlementaire geschiedenis van art. 3.29 Wet IB 2001 heeft het Hof belanghebbendes standpunt verworpen dat die bepaling de ex art. 1 Protocol I EVRM vereiste fair balance tussen doel en middel schendt. Zelfs als dat anders zou zijn, zou het Hof daaraan geen consequenties verbinden omdat de per 2017 ingevoerde Wet uitfasering pensioen in eigen beheer de beëindiging van in eigen beheer gehouden pensioenvoorzieningen fiscaal faciliteert. Of zich een individuele en buitensporige last voordoet, moet volgens het Hof beantwoord worden in het licht van belanghebbendes positie (de eenheid) en niet slechts van de positie van Pensioen BV omdat de belanghebbende de belastingplichtige is die aan de werking van art. 3.29 Wet IB 2001 is onderworpen. Daarbij gaat het Hof uit van de belastinglast die zich na toepassing van de foutenleer in 2014 bij haar manifesteert. Gezien de omvang van belanghebbendes eigen vermogen, heeft zij het Hof niet overtuigd dat art. 3.29 Wet IB 2001 voor haar in 2014 tot een individuele en buitensporige last leidt zoals bedoeld in art. 1 Protocol I EVRM. A-G Wattel meent dat de belanghebbende terecht constateert dat of zich een fout heeft voorgedaan die met de foutenleer gecorrigeerd moet worden tot aan ’s Hofs uitspraak niet aan de orde is geweest en dat het Hof voorbij lijkt te gaan aan een afspraak met de fiscus over de in de opbouwfase te hanteren rekenrente. Dat leidt echter niet tot cassatie omdat toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 ook zonder fout in 2013 en ook zonder foutenleer leidt tot belaste vrijval van hetzelfde deel van de pensioenverplichting eind 2014. ’s Hofs maatstaf voor een buitensporige last volgt vaste rechtspraak. De klacht daarover mist overigens belang, omdat de vraag naar zo’n last niet rijst bij ontbreken van interference met een possession. De A-G acht ook ongegrond de klacht dat het Hof ten onrechte die last heeft beoordeeld bij de fiscale eenheid in plaats van bij Pensioen-BV stand alone en ten onrechte van belang heeft geacht dat ‘het 4%-discontoforfait’ vóór oprichting van Pensioen-BV voordelig kan zijn geweest. Van fiscaal gevoegde vennootschappen wordt de Vpb geheven alsof er één belastingplichtige is, waarbij het vermogen en de werkzaamheden van de dochter deel uitmaken van die van de moeder en de belasting wordt geheven bij de moeder. De individuele en buitensporige last-toets moet dan volgens de A-G op eenheidsniveau worden aangelegd. Ook als dat anders zou zijn en de last-toets bij Pensioen BV zou moeten worden aangelegd, leidt dat niet tot cassatie omdat het Hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat zich evenmin een individuele en buitensporige last voordoet als art. 3.29 Wet IB 2001 alleen bij Pensioen-BV wordt toegepast. Voor het overige berust de klacht volgens de A-G op verkeerde lezing van ’s Hofs uitspraak. Ook deze klacht mist overigens volgens hem belang omdat omdat de Hoge Raad bij gebrek aan een possession niet toekomt aan de vraag of sprake is van een dergelijke last. De klacht dat het Hof ten onrechte betekenis heeft gehecht aan de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen acht A-G Wattel ongegrond. Uit met name HR BNB 2022/25 volgt dat de feitenrechter bij de vraag of de toepassing van een wettelijke regeling tot een schending van art. 1 Protocol I EVRM leidt, betekenis mag hechten aan de gevolgen ervan in latere jaren. Voor zover de belanghebbende betoogt dat de heffing over de vrijval van een deel van de pensioenvoorziening haar de mogelijkheid ontneemt om in de toekomst aan haar pensioenverplichtingen te voldoen, meent A-G Wattel dat die mogelijkheid inderdaad bestaat, maar dat daarover niets met zekerheid is te zeggen omdat dat afhangt van toekomstige (rente)ontwikkelingen. Art. 3.29 Wet IB 2001 verschuift de aftrekbaarheid van pensioen- en stamrechtlasten naar de toekomst, maar dat brengt (nog) niet mee dat de belanghebbende een ‘existing possession’ of de ‘legitimate expectation’ van een possession wordt afgenomen in de zin van de rechtspraak van het EHRM. Voor een possession in de zin van art. 1 Protocol I EVRM is vereist een objectieve, op geld waardeerbare en voldoende vastomlijnde aanspraak. Uit onder meer EHRM Optim and Industerre v. Belgium en Ramaer and Van Willigen v. Netherlands blijkt dat rechtens bestreden belastingschulden onvoldoende vaststaan om hun mogelijke verjaring als legitimate expectation aan zien, dat toekomstige inkomsten en voorwaardelijke aanspraken geen possession zijn en dat voor een proprietary interest vereist is een rechtstreeks op de wet, een onherroepelijke beschikking of een rechterlijke uitspraak gebaseerde aanspraak of verwachting van bezitsverwerving. Aan die criteria is in casu niet voldaan. Het gaat volgens de A-G om het spiegelbeeld van een bezitsverwachting, nl. om belanghebbendes verwachting of vrees dat haar in de toekomst een activum, nl. een deel van haar beleggingsresultaat zal blijken te zijn of worden ontnomen dat zij nodig zal hebben voor de nakoming van haar pensioen- en stamrechtverplichtingen. Volgens de A-G is die verwachting of vrees, hoezeer wellicht ook realistisch, (nog) geen interference in een existing possession of een legitimate expectation in de zin van art. 1 Protocol I EVRM. Vooralsnog ontbreenkt zijns inziens ofwel de interference, ofwel de vereiste proprietary interest. Daarin verschilt de zaak van het box 3-arrest HR BNB 2022/27: bij box 3 ging het niet om iets wat in de toekomst slechts een verschil in heffingstiming zou kunnen blijken te zijn, maar om actuele en definitieve ontneming van eigendom van spaarders. In casu gaat het om potentiële toekomstige aftrekposten die mogelijk niet verwezenlijkt zullen blijken te kunnen worden. In 2014 is niet (zo goed als) zeker dat in de toekomst meer totaalwinst zal worden belast dan behaald. De door art. 3.29 Wet IB 2001 in 2014 geforceerde jaarwinst kan in latere jaren bij voldoende toekomstig beleggingsresultaat nog gecompenseerd worden door hogere aftrekbare lasten, om nog te zwijgen van andere imponderabilia zoals de verhouding tussen inflatie en nominaal beleggingsrendement, de kans op sterftewinst en het langlevenrisico dat ook bij marktconforme rekenrente bestaat. Art. 3.29 Wet IB verschuift een aftrekpost naar een onzekere toekomst en verhoogt daarmee weliswaar de actuele belastingheffing, maar verlaagt de toekomstige belastingheffing. Daarbij komt dat de belanghebbende in 2017 de fiscaal gefacilieerde mogelijkheid is geboden om van het pensioen in eigen beheer af te geraken. Daarom kan in 2014 ook niet beoordeeld worden of het in die toekomst zal blijken te gaan om een fair of een unfair balance en evenmin of het zal blijken te gaan om een zodanige heffing dat zich – bovendien - een individual and excessive burden voordoet. Daarover kan overigens in die toekomstige jaren geprocedeerd worden. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/02644
Datum 16 januari 2023
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Vennootschapsbelasting 2014
Nr. Gerechtshof 19/00060
Nr. Rechtbank 17/1087
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak van
[X] B.V.
tegen
Staatssecretaris van Financiën
1. Overzicht
1.1
Bij deze conclusie gaat een bijlage die ook gaat bij de zaken 20/03460 en 22/01773, waarin ik vandaag eveneens concludeer en die hetzelfde probleem betreffen van de (gevolgen van de) onrealistische rekenrente in art. 3.29 Wet IB 2001 voor de fiscale waardering van pensioen- en stamrechtverplichtingen in eigen beheer.
1.2
Gegeven uw arresten HR BNB 2016/14, HR BNB 2016/50 en HR BNB 2017/5 (zie de onderdelen 3.6 t/m 3.15 van de bijlage), was deze zaak niet geselecteerd voor conclusie, evenmin als de genoemde aanhangige zaken 20/03460 en 22/01773. Op uw verzoek concludeert het parket alsnog in deze drie zaken.
1.3
De belanghebbende houdt alle aandelen in een pensioen BV waarmee zij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (Vpb) vormt. Op 31 december 2013 heeft zij haar pensioenverplichting jegens haar directeur/grootaandeelhouder (dga) en diens echtgenote tegen de commerciële waarde ad € 2.000.585 overgedragen aan Pensioen BV. Op basis van een brief van de Inspecteur is de pensioenverplichting tot de ingangsdatum van het pensioen op 1 januari 2014 bepaald op commerciële grondslagen, i.e. met een rekenrente van 2,57% en met leeftijdscorrecties, en vanaf 1 januari 2014 op basis van fiscale grondslagen, i.e. met 4% rekenrente en zonder leeftijdscorrectie. In een na primitieve aanslagoplegging 2014 ingediende aangifte Vpb 2014 is de pensioenverplichting per ultimo 2013 fiscaal conform de commerciële jaarrekening van Pensioen BV gewaardeerd op € 2.000.585 en per 31 december 2014 op € 1.583.570. De Inspecteur heeft daarop een navorderingsaanslag Vpb 2014 conform die aangifte opgelegd, waartegen de belanghebbende bezwaar heeft gemaakt en na afwijzing daarvan beroep heeft ingesteld.
1.4
De Rechtbank meent, gezien HR BNB 2016/14, dat de in art. 3.29 Wet IB 2001 voorgeschreven lastwaardering naar 4% rekenrente niet buiten toepassing kan blijven of anders dan grammaticaal kan worden uitgelegd wegens onverenigbaarheid met de eisen van goed koopmansgebruik. Ook belanghebbendes beroep op art. 1 Protocol I EVRM heeft zij verworpen, met name omdat de bestreden heffing over de vrijval van een deel van de pensioenverplichting geen individuele en buitensporige last op de belanghebbende legt, gegeven haar inkomens- en vermogenspositie zoals die blijkt uit de gedingstukken.
1.5
Het Hof heeft zich in hoger beroep aangesloten bij het oordeel dat de Rechtbank en heeft dier overwegingen overgenomen. Hij heeft daaraan toegevoegd dat het oordeel van de Rechtbank mede inhoudt dat een fout in de balanspost op 31 december 2013 is gemaakt die op basis van de foutenleer in 2014 wordt gecorrigeerd. Op basis van de parlementaire geschiedenis van art. 3.29 Wet IB 2001 heeft het Hof belanghebbendes standpunt verworpen dat die bepaling de ex art. 1 Protocol I EVRM vereiste fair balance tussen doel en middel schendt. Zelfs als dat anders zou zijn, zou het Hof daaraan geen consequenties verbinden omdat de op 1 januari 2017 ingevoerde Wet uitfasering pensioen in eigen beheer de beëindiging van in eigen beheer gehouden pensioenvoorzieningen fiscaal faciliteert.
1.6
De vraag of zich een individuele en buitensporige last voordoet, moet volgens het Hof beantwoord worden in het licht van belanghebbendes positie en niet slechts van het licht van de positie van Pensioen BV omdat de belanghebbende de belastingplichtige is die aan de werking van art. 3.29 Wet IB 2001 is onderworpen. Voor de beantwoording van die vraag gaat het Hof uit van de belastinglast die zich na toepassing van de foutenleer in 2014 bij haar manifesteert. Gezien de omvang van belanghebbendes eigen vermogen, heeft zij het Hof niet overtuigd dat de toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 voor haar in 2014 tot een individuele en buitensporige last leidt zoals bedoeld in art. 1 Protocol I EVRM.
1.7
De belanghebbende stelt twee cassatiemiddelen voor. Middel (i) stelt dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden te oordelen dat het oordeel van de Rechtbank mede zou inhouden dat een fout in een balanspost op 31 december 2013 is gemaakt die op basis van de foutenleer in 2014 wordt gecorrigeerd en dat het Hof overigens ten onrechte een fout heeft verondersteld, gegeven de afspraken die met de Inspecteur waren gemaakt over de pensioenopbouw en -waardering.
1.8
Middel (ii) heeft vijf onderdelen: het Hof heeft (a) een verkeerde maatstaf aangelegd bij de vraag of zich een individuele en buitensporige last voordoet; (b) ten onrechte de vraag naar die last beoordeeld bij de fiscale eenheid in plaats van bij Pensioen-BV en ten onrechte van belang geacht dat ‘het 4%-discontoforfait’ vóór oprichting van Pensioen-BV voordelig kan zijn geweest; (c) ten onrechte betekenis gehecht aan de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen; (d) ten onrechte slechts een last in 2014 aanwezig geacht en (e) ten onrechte geoordeeld dat het bestreden waarderingsvoorschrift lawful is, nu de wetgever de 4% niet heeft gemotiveerd en geen tegenbewijs toelaat.
1.9
Ad middel (i): de belanghebbende constateert terecht dat de vraag of zich een fout heeft voorgedaan die met de foutenleer gecorrigeerd moet worden tot aan ’s Hofs uitspraak niet aan de orde is geweest en dat het Hof voorbij lijkt te gaan aan een afspraak met de fiscus over de tijdens de opbouwfase te hanteren rekenrente. Dat leidt echter niet tot cassatie omdat toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 ook zonder fout in 2013 en ook zonder foutenleer leidt tot belaste vrijval van hetzelfde deel van de pensioenverplichting eind 2014.
1.10
Ad middel (ii)(a): dit middel bestrijdt het oordeel dat voor een buitensporige last vereist is dat die zich bij de belastingplichtige sterker doet gevoelen dan in het algemeen. Die maatstaf is echter vaste rechtspraak en overigens meen ik dat het onderdeel belang mist omdat u mijns inziens niet toekomt aan de vraag of sprake is van een dergelijke last.
1.11
Ad middel (ii)(b): van fiscaal gevoegde vennootschappen wordt de Vpb geheven alsof er één belastingplichtige is, waarbij (i) zij tezamen worden beschouwd, (ii) de werkzaamheden en het vermogen van de dochter deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moeder en (iii) de belasting wordt geheven bij de moeder. De individuele en buitensporige last-toets moet dan mijns inziens op eenheidsniveau worden aangelegd. De vergelijking met HR BNB 2017/115 gaat mijns inziens mank. Ook als dat anders zou zijn en de last-toets bij Pensioen BV stand alone zou moeten worden aangelegd, leidt dat evenmin tot cassatie omdat het Hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat zich evenmin een individuele en buitensporige last voordoet als art. 3.29 Wet IB 2001 alleen bij Pensioen-BV wordt toegepast. Voor het overige berust het onderdeel mijns inziens op verkeerde lezing van ’s Hofs uitspraak. Het Hof bedoelt kennelijk dat als in jaren vóór oprichting van Pensioen BV de werkelijke rente hoger was dan 4%, de waardering op grond van art. 3.29 Wet IB niet verschilde van de commerciële waardering, en dat dat zou worden veronachtzaamd als alleen de positie van de later opgerichte pensioen-BV in aanmerking wordt genomen bij de beoordeling van een mogelijke individuele en buitensporige last. Ook als dit alles anders zou zijn, meen ik dat dit onderdeel strandt omdat onderdeel (e) strandt: mijns inziens doet zich (nog) geen aantasting van een eigendomsrecht voor.
1.12
Ad middel (ii)(c): uit met name HR BNB 2022/25 volgt dat de feitenrechter bij de vraag of de toepassing van een wettelijke regeling tot een schending van art. 1 Protocol I EVRM leidt, betekenis mag hechten aan de gevolgen ervan in latere jaren. Ook de belanghebbende gaat daarvan overigens uit in middelonderdeel (ii)(d), waardoor de middelonderdelen (d) en (e) onderling onverenigbaar zijn. In casu moeten mijns inziens zelfs mogelijke ontwikkelingen in latere jaren in de beschouwing worden betrokken omdat het om een jaarwinstkwestie en daarmee om verschuiving van heffing naar latere jaren gaat.
1.13
Ad middel (ii)(d): uit HR BNB 2022/25 volgt (dus) inderdaad dat bij de beoordeling van de verenigbaarheid van art. 3.19 Wet IB 2001 met het eigendomsgrondrecht betekenis kan worden gehecht aan de gevolgen die voor de belastingplichtige in latere jaren aan de toepassing ervan zijn verbonden. Uit ’s Hofs volgt echter niet dat hij enkel de gevolgen in 2014 in aanmerking heeft genomen; integendeel juist.
1.14
Ad middel (ii)(e): voor zover de belanghebbende betoogt dat de litigieuze heffing over de vrijval van een deel van de pensioenvoorziening haar de mogelijkheid ontneemt om in de toekomst aan haar pensioenverplichtingen te voldoen, meen ik dat die mogelijkheid inderdaad bestaat, maar dat daarover niets met zekerheid te zeggen valt omdat dat afhangt van toekomstige (rente)ontwikkelingen. Art. 3.29 Wet IB 2001 verschuift de aftrekbaarheid van pensioen- en stamrechtlasten naar de toekomst, maar dat brengt (nog) niet mee dat de belanghebbende een ‘existing possession’ of de ‘legitimate expectation’ van een possession wordt afgenomen in de zin van de rechtspraak van het EHRM over het eigendoms-grondrecht. Uit de onderdelen 4.5 t/m 4.12 van de bijlage bij deze conclusie blijkt dat voor het bestaan van een possession in de zin van art. 1 Protocol I EVRM minstens vereist is een objectieve, op geld waardeerbare en voldoende vastomlijnde aanspraak. Uit onder meer de EHRM-arresten Optim and Industerre v. Belgium en Ramaer and Van Willigen v. Netherlands blijkt dat rechtens bestreden belastingschulden onvoldoende vaststaan om hun mogelijke verjaring als legitimate expectation aan te merken, dat toekomstige inkomsten en voorwaardelijke aanspraken geen possession zijn en dat voor het vereiste ‘proprietary interest’ vereist is een rechtstreeks op de wet, een onherroepelijke beschikking of een rechterlijke uitspraak gebaseerde aanspraak of verwachting van bezitsverwerving.
1.15
Dat is mijns inziens in casu niet het geval. Het gaat om het spiegelbeeld van een bezitsverwachting, nl. om belanghebbendes verwachting of vrees dat haar in de toekomst een activum, nl. een deel van haar beleggingsresultaat zal blijken te zijn of worden ontnomen dat zij nodig zal hebben voor de nakoming van haar pensioen- en stamrechtverplichtingen. Die verwachting of vrees is mijns inziens, hoezeer wellicht ook niet-onrealistisch, (nog) geen interference in een existing possession of een legitimate expectation in de zin van art. 1 Protocol I EVRM. Mijns inziens ontbreekt aldus vooralsnog ofwel de interference, ofwel de vereiste proprietary interest.
1.16
Daarin verschilt de zaak van de box 3-spaarrentegevallen van HR BNB 2022/27: in de box 3 zaken stond elk belastingjaar definitief vast dat spaarders een deel van hun spaargeld werd ontnomen. Het ging in de box 3 zaken niet om iets wat in de toekomst slechts een verschil in heffingstiming zou kunnen blijken te zijn, maar om actuele en definitieve ontneming van eigendom. In belanghebbendes geval gaat het om potentiële toekomstige aftrekposten die mogelijk niet verwezenlijkt zullen blijken te kunnen worden. In 2014 is niet (zo goed als) zeker dat in de toekomst meer totaalwinst zal worden belast dan behaald. De door art. 3.29 Wet IB 2001 in 2014 geforceerde jaarwinst kan in latere jaren bij voldoende toekomstig beleggingsresultaat nog gecompenseerd worden door hogere aftrekbare lasten, om nog te zwijgen van andere imponderabilia zoals de verhouding tussen inflatie en nominaal beleggingsrendement, de kans op sterftewinst en het langlevenrisico dat ook bij marktconforme rekenrente bestaat. Art. 3.29 Wet IB verschuift een aftrekpost naar een onzekere toekomst en verhoogt daarmee weliswaar de actuele heffing, maar verlaagt de toekomstige belastingheffing. Daarbij komt dat de belanghebbende in 2017 de fiscaal gefacilieerde mogelijkheid is geboden om van het pensioen in eigen beheer af te geraken.
1.17
Omdat het om afschuiven van toekomst-onzekerheden en mogelijke gefacilieerde afwikkeling vanaf 2017 gaat, kan in 2014 ook niet beoordeeld worden of het in die toekomst zal blijken te gaan om een fair of een unfair balance en evenmin of het zal blijken te gaan om een zodanige heffing dat zich – bovendien - een individual and excessive burden voordoet. Daarover kan overigens in die toekomstige jaren geprocedeerd worden.
1.18
Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de belanghebbende ongegrond te verklaren.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
De belanghebbende is opgericht op 14 april 1987. Zij bezit alle aandelen in [A] BV (pensioen-BV), opgericht op 20 november 2013. Al haar aandelen worden gehouden door haar dga [B]. Pensioen-BV is sinds haar oprichting opgenomen in een fiscale eenheid in de zin van art. 15 Wet Vpb 1969 met de belanghebbende als moeder.
2.2
Op 31 december 2013 heeft de belanghebbende haar pensioenverplichting jegens haar dga en diens echtgenote tegen de commerciële waarde van € 2.000.585 overgedragen aan pensioen-BV. Op basis van een door het Hof niet met zoveel woorden vastgestelde afspraak met de Inspecteur, die wel wordt genoemd in een brief die het Hof onder de feiten vermeldt, werd de pensioenverplichting tot de pensioeningangsdatum bepaald op commerciële grondslagen, i.e. met een rekenrente van 2,57% en leeftijdscorrecties, maar moest per ingangsdatum worden gerekend met fiscale grondslagen, i.e. een rekenrente ad 4% zonder leeftijdscorrecties. Het pensioen is ingegaan op 1 januari 2014. Volgens de commerciële jaarrekening 2014 van Pensioen-BV bedroeg de pensioenverplichting per 31 december 2013 € 2.000.585 en per 31 december 2014 € 1.583.570.
2.3
Ten tijde van het opleggen van de aanslag Vpb 2014 had de belanghebbende nog geen aangifte gedaan. Die aangifte is vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 50.000. In de nadien ingediende aangifte Vpb 2014 is de pensioenverplichting conform de commerciële jaarrekening van Pensioen-BV per 31 december 2013 gewaardeerd op € 2.000.585 en per 31 december 2014 op € 1.583.570 op basis van een rekenrente van 4%. De Inspecteur heeft daarop een navorderingsaanslag 2014 conform de aangifte opgelegd, waartegen de belanghebbende vergeefs bezwaar heeft gemaakt. Uitgaande van een rekenrente van 2,288% bedroeg de pensioenverplichting eind 2014 € 2.193.100.
2.4
In geschil is of de pensioenverplichting ultimo 2014 moet worden gewaardeerd volgens art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8(6) Wet Vpb 1969 of naar actuariële maatstaven en in het eerste geval, of die waardering het eigendomsgrondrecht van 1 Protocol I EVRM schendt.
De Rechtbank Noord-Holland1.
2.5
De Rechtbank meende op grond van HR BNB 2016/142.(zie onderdeel 3.6 van de bijlage) dat art. 3.29 Wet IB 2001 niet buiten toepassing kan blijven of anders dan grammaticaal moet worden uitgelegd wegens strijd met goed koopmansgebruik. HR BNB 2016/14 laat dat niet toe, hoezeer een rekenrente van 4% in 2014 ook indruist tegen het realiteitsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel.
2.6
Over het beroep op het eigendomsgrondrecht heeft de Rechtbank overwogen dat art. 3.29 Wet IB 2001 voldoende toegankelijk en precies is en dat zijn effect voldoende voorzienbaar is. Dat waarderingsvoorschrift dient een legitiem doel in het algemeen belang en de wetgever met het uitvaardigen ervan niet buiten de hem toekomende ruime beoordelingsmarge gegaan. Van schending van de fair balance tussen algemeen en individueel belang is dan op regelniveau geen sprake. Dan resteert de vraag of de belanghebbende een individuele en buitensporige last is opgelegd. De Rechtbank meent van niet omdat de heffing over de gedeeltelijke vrijval van de pensioenverplichting in het licht van belanghebbendes inkomens- en vermogenspositie zoals deze blijkt uit de gedingstukken op zichzelf niet van een zodanige omvang is dat die heffing als buitensporig kan worden aangemerkt.
Het Gerechtshof Amsterdam3.
2.7
Het Hof meent dat de rechtbank over de toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en heeft haar gronden daarvoor overgenomen. Hij heeft daarbij overwogen dat de belanghebbende de pensioenverplichting ten onrechte niet al per 31 december 2013 met inachtneming van 4% rekenrente had gewaardeerd en dat een dergelijke fout in de waardering op de balans van 31 december 2013 met toepassing van de foutenleer in 2014 wordt gecorrigeerd.
2.8
Het Hof heeft belanghebbendes standpunt verworpen dat een fair balance ontbreekt tussen het met art. 3.29 Wet IB 2001 beoogde doel en het met die bepaling gekozen middel, in strijd met art. 1 Protocol I EVRM op regelniveau. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 3.29 Wet IB 2001 volgt dat het op 4% stellen van de bij waardering van pensioenverplichtingen in aanmerking te nemen rekenrente is gebaseerd op het streven naar eenduidigheid omdat uit een zonder specificatie op actuariële grondslagen gebaseerde waardering niet zou zijn af te leiden welke rekenrente in aanmerking zou moeten worden genomen.4.Bezien tegen deze achtergrond en gegeven de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever bij de totstandkoming van belastingwetten toekomt, acht het Hof de fair balance tussen het middel van art. 3.29 Wet IB 2001 en het daarmee te dienen doel niet verstoord. Het gestelde verschil tussen de wettelijke rekenrente en de actuarieel in aanmerking te nemen rekenrente maakt dat niet anders omdat de wettelijke rekenrente bedoeld is om voor een lange periode te gelden, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de wettelijke rekenrente sedert de inwerkingtreding van art. 9b Wet IB 1964 op 1 januari 1995 heeft gegolden. Zelfs als art. 3.29 Wet IB 2001 onverenigbaar zou moeten worden geacht met art. 1 Protocol I EVRM, zou het Hof daaraan geen consequenties verbinden, mede dat de op 1 januari 2017 in werking getreden Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen5.(zie de onderdelen 2.8 t/m 2.10 van de bijlage) een gefaciliteerde beëindiging van in eigen beheer gehouden pensioenvoorzieningen mogelijk heeft gemaakt.
2.9
De vraag art. 3.29 Wet IB 2001 een individuele en buitensporige last produceert, moet volgens het Hof beantwoord worden op basis van belanghebbendes positie en niet slechts op basis van de positie van Pensioen-BV stand alone, nu het de belanghebbende is die aan de werking van art. 3.29 Wet IB 2001 is onderworpen. Het Hof acht daarbij van belang dat Pensioen-BV pas in 2013 is opgericht, waardoor bij beoordeling van alleen haar positie voorbij zou worden gegaan aan in eerdere jaren mogelijk gunstiger rekenrente of andere voordelen voor een pensioenvoorziening in eigen beheer. En ook hier acht het Hof relevant dat de belanghebbende op basis van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer de mogelijkheid had en mogelijk ook heeft benut om het pensioen in eigen beheer fiscaal gefaciliteerd te beëindigen.
2.10
Voor de vraag naar een individuele en buitensporige last, is het Hof uitgegaan van de last die zich na toepassing van de foutenleer in 2014 manifesteert en heeft hij de berekening van de Inspecteur gevolgd. Op die basis heeft de belanghebbende, gegeven de omvang van haar eigen vermogen, niet aannemelijk gemaakt dat toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 in 2014 bij haar leidt tot een individuele en buitensporige last.
2.11
De redactie van FutD 2020-2275 annoteerde:
“Pensioenen, lijfrenten en stamrechtverplichtingen moeten fiscaal worden gewaard op basis van actuariële grondslagen en een rekenrente van minimaal 4%, zo schrijven artikel 3.29 Wet IB en artikel 8 Wet Vpb voor. In dezelfde maand waarin de Nederlandse polder een definitief pensioenakkoord heeft bereikt, heeft niet alleen Hof Amsterdam, maar ook Hof Arnhem-Leeuwarden (zie FutD 2020-2067) zich uitgelaten over de verenigbaarheid van deze fictieve fiscale rekenrente met artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM. Bij deze procedures is een duidelijke parallel te trekken met de procedures over de verenigbaarheid van de fictieve rendementen in box III met het eigendomsrecht dat voortvloeit uit artikel 1 EP EVRM (zie FutD 2019-1585 met ons commentaar). Immers, de (commerciële) rekenrente is tegenwoordig bijzonder laag in vergelijking met jaren geleden. De rentes op de financiële markten dalen al sinds de jaren '70 van de vorige eeuw en ook de renten op bijvoorbeeld spaarrekeningen en hypotheken zijn historisch laag. Het is niet de verwachting dat dit de komende decennia zal gaan veranderen. Niet voor niets worden in het nieuwe pensioenakkoord de bestaande pensioenaanspraken uit het huidige stelsel losgelaten, waarmee de noodzaak voor het gebruik van een commerciële rekenrente is komen te vervallen. Het lijkt dus niet meer van deze tijd dat de fiscale wetgever nog altijd een rekenrente voorschrijft van 4% en bovendien zware sancties oplegt bij het "morrelen" aan bestaande pensioen-aanspraken. Een fiscale rekenrente van 4% betekent immers dat de pensioenuitvoerder fiscaal een lager bedrag ten laste van de winst kan brengen dan (…) daadwerkelijk nodig (…) om de toegezegde pensioenen uit te kunnen keren. Wij kunnen ons dan goed voorstellen dat er bij individuele pensioenuitvoerders gedurende meerdere jaren sprake is van het betalen van inkomsten- of vennootschapsbelasting over een met een fictieve rekenrente van 4% berekende fiscale winst, terwijl er commercieel gezien op basis van de marktrente van winst geen sprake is of dat zelfs sprake is van verliezen. Met de recente uitfasering van het pensioen in eigen beheer lijken deze bezwaren wellicht wat naar de achtergrond verdrongen, maar dat neemt niet weg dat er in de praktijk nog grote aantallen pensioen-, lijfrente- en stamrechtverplichtingen op de balans staan.
In de fiscaliteit slaagt een beroep op het eigendomsrecht van het EP EVRM maar zelden. Ook de beide Hoven zien in de bezwaren tegen de fiscale rekenrente geen ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht van het EP EVRM. Als er al sprake is van een inbreuk op "regelniveau" dan herhaalt Hof Amsterdam de beslissing van de Hoge Raad in de box III-procedures dat het niet aan de rechter zou zijn om te voorzien in rechtsherstel (zie onder meer FutD 2019-1585 met ons commentaar). Bovendien is in beide zaken volgens beide Hoven geen sprake van een individueel buitensporige last. Wat ons daarbij opvalt, is dat het te betalen bedrag aan Vpb onder andere lijkt te worden afgezet tegen het eigen vermogen van de belastingplichtige. Aangezien de vennootschapsbelasting geen vermogensbelasting is, maar een inkomstenbelasting, lijkt ons dat een verkeerde vergelijking. Wij zouden menen dat wanneer jarenlang méér belasting moet worden betaald dan er daadwerkelijk aan inkomen wordt genoten, dat op zichzelf een individueel buitensporige last vormt (immers de feitelijke onmogelijkheid om een "decent profit" te behalen). De omvang van het vermogen doet er dan niet toe. Beide Hoven refereren ook aan de tijdspanne waarin de toetsing aan het EVRM zou moeten plaatsvinden, dat dit jaaroverstijgend is. Net zoals in de box III-procedures (zie FutD 2015-0841 met ons commentaar) kunnen wij ons er inderdaad goed in vinden dat die toets de ontwikkelingen over meerdere jaren in ogenschouw neemt. Maar omdat voor box III inmiddels vaststaat dat sprake is van strijd met het EVRM, verbaast het ons toch wel dat de twee Hoven voor wat betreft de fiscale rekenrente nog niet zover zijn. Ook het argument dat de wetgever onlangs een uitfaseringsmogelijkheid heeft ingevoerd voor pensioenen in eigen beheer en dat daarom niet in rechtsherstel hoeft te worden voorzien, overtuigt ons niet - het feit dat de wetgever dit heeft gedaan toont wat ons betreft juist te meer aan dat er iets niet (meer) in de haak is en zou juist nopen tot verder onderzoek of in de jaren vóór uitfasering sprake is van een individueel buitensporige last. Bovendien rekent de fiscale wetgever anno 2020 voor alle overige soortgelijke pensioenverplichtingen nog altijd stug door met 4%, dus voor die verplichtingen is er niets veranderd. Verder is in de literatuur überhaupt de nodige kritiek geuit op de interpretatie van artikel 1 EP EVRM door de Hoge Raad in de box III-procedures. Nu de Hoven zich achter deze oordelen van de Hoge Raad scharen, zal het interessant zijn om te vernemen hoe het EHRM in Straatsburg tegen deze Nederlandse (beperkte) uitleg van het eigendomsrecht aankijkt.”
3. Het geding in cassatie
3.1
Belanghebbende heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De belanghebbende heeft gerepliceerd. De Staatssecretaris heeft afgezien van dupliek.
3.2
De belanghebbende stelt twee middelen van cassatie voor: (i) Schending van het recht en/of verzuim van vormen doordat het Hof het oordeel van de rechtbank ten onrechte opvat als toepassing van de foutenleer en (ii) schending van het recht en/of verzuim van vormen door onjuiste toepassing van art. 1 Protocol I EVRM.
3.3
Ad (i) licht de belanghebbende toe dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden met zijn oordeel dat de rechtbank een waarderingsfout op de balans per 31 december 2013 zou hebben geconstateerd die op grond van de foutenleer in 2014 moet worden gecorrigeerd, en dat trouwens geen sprake is van een fout, gegeven de afspraken die met de Belastingdienst zijn gemaakt over de pensioenopbouw en -waardering.
3.4
Middel (ii) omvat een aantal klachten die de belanghebbende van de volgende kopjes heeft voorzien, waaraan ik letters toevoeg:
3.5 (
(a) Individuele last: het Hof heeft een verkeerde maatstaf gebruikt bij de vraag of de belanghebbende een individuele en buitensporige last is opgelegd. Hij lijkt te toetsen of Pensioen BV op specifieke feiten kan wijzen die zich wel bij Pensioen BV voordoen maar niet bij met haar vergelijkbare pensioen-BVs. Zo’n algebraïsche vergelijkingstoets heeft u volgens de belanghebbende niet bedoeld; u bedoelde dat collectieve buitensporigheid niet onder art. 1 Protocol I EVRM valt.
3.6 (
(b) vermogenspositie pensioen-BV of fiscale eenheid: een individuele en buitensporige last moet in casu niet op het niveau van de eenheid, maar bij Pensioen BV stand alone beoordeeld worden. De fiscale eenheid ziet slechts op de heffing en afdracht van de Vpb, die naar de winst wordt geheven, niet naar vermogen. De gevoegde vennootschappen behouden hun eigen vermogenspositie en eigen contractuele verplichtingen. Met het aangaan van de fiscale eenheid heeft Pensioen BV geen eigendomsgrondrecht overgedragen. Het Hof heeft verder ten onrechte van belang geacht dat vóór oprichting van Pensioen BV ‘het 4%-discontoforfait’ voordelig voor de belanghebbende kan zijn geweest. Ook met die overweging treedt het Hof buiten de rechtsstrijd, terwijl bovendien een forfait juist als kenmerk heeft dat de fiscus zijn heffingsrecht tot op de forfaitaire hoogte beperkt. Dat geeft geen aanspraak op een soort van tegenprestatie als het forfait in het voordeel van de contribuabele uitwerkt. Een inkomsten- of winstbelastingforfait behoort aan de veilige kant te zitten om schending van het eigendomsgrondrecht te vermijden.
3.7 (
(c) Wet uitfasering pensioen in eigen beheer: de in 2014 en tijdens bezwaar nog niet bekende faciliteiten in die latere wet zijn niet relevant bij de beoordeling van de individuele en buitensporige last in 2014. Door de geforceerde afwaardering van de pensioen-verplichting ondervindt Pensioen BV in 2014 een disproportionele last, die wordt veroorzaakt door het langdurig achterwege blijven van aanpassing van het discontoforfait aan het uit de hand lopende verschil tussen fiscale en werkelijke waardering van pensioenverplichtingen.
3.8 (
(d) Eenmalige disproportionele last? ’s Hofs oordeel dat voor de ‘buitensporige last’-vraag uitgegaan moet worden van de belastinglast die zich in 2014 manifesteert, is onjuist, aldus de belanghebbende: “De vraag rijst of een disproportionele last slechts in een kort tijdvak, bijvoorbeeld een kalenderjaar, kan worden vastgesteld. Aldus redenerend zou het de Europese Staten gegeven zijn het eigendomsgrondrecht van natuurlijke en rechtspersonen geleidelijk uit te hollen.”
3.9 (
(e) Lawfulness van forfaits:art. 3.29 Wet IB 2001 is niet lawful omdat in de gehele afweging rondom het ‘discontoforfait’ nooit een deugdelijke reden is gegeven voor de verplichte 4%. De lawfulness van een forfait hangt af van (i) de mogelijkheid van tegenbewijs dan wel (ii) periodieke evaluatie. Het gaat niet aan de boer die ervoor kiest tarwe uit te zaaien, te belasten naar de opbrengst van aardappelen die hij ook had kunnen verbouwen.
3.10
Bij verweer meent de Staatssecretaris ad middel (i) dat het Hof kennelijk meende dat de belanghebbende in verband met de samenval van de pensioenoverdracht op 31 december 2013 en de pensioeningang op 1 januari 2014 al op de eindbalans 2013 met 4% rekenrente had moeten waarderen en daarom een fout op die balans zag die op de eindbalans 2014 hersteld moest worden. Maar ook art. 3.29 Wet IB pas vanaf 2014 toegepast zou worden, zou hetzelfde bedrag in 2014 zijn vrijgevallen door omrekening van het ingegane pensioen naar de maatstaven van art. 3.29 Wet IB 2001. Nu het Hof zich in conformeert aan het oordeel van de rechtbank, is niet van belang of de correctie voortvloeit uit de toepassing van de foutenleer dan wel uit reguliere toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 in 2014.
3.11
Ad middel (ii) wijst de Staatssecretaris op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juni 2020,6.dat oordeelde dat waardering van een stamrechtverplichting met 4% rekenrente art. 1 Protocol I EVRM niet schendt, nu dat waarderingsvoorschrift een voldoende basis heeft in de Wet IB 2001 en voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitvoering is, zodat aan de eis van lawfulness en bescherming tegen arbitrariness is voldaan. Dat voorschrift heeft ook een legitimate aim. Zo op stelselniveau al het eertijds door de wetgever veronderstelde minimaal mogelijke rendement van 4% in 2010 niet langer haalbaar was, is die vaststelling geen rechtstekort waarin de rechter op stelselniveau kan voorzien zonder keuzes te maken op gebieden als belastingtarief, rekenrente of verliesverrekening. Ook het oordeel dat zich geen individuele en buitensporige last voordoet, acht de Staatssecretaris juist: het Hof heeft er terecht op gewezen dat de belanghebbende over een omvangrijk eigen vermogen beschikt waarmee zij ook na betaling van de bestreden aanslag aan haar verplichtingen uit hoofde van de pensioenregeling kan voldoen. Dat de wetgever belastingplichtigen de mogelijkheid van fiscaal gefaciliteerde afkoop heeft geboden, mocht het Hof zijns inziens daarbij meewegen.
3.12
Bij repliek wijst de belanghebbende onder meer op het eindrapport van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, waaruit haars inziens volgt dat het parlement bij schrijnende situaties geïnformeerd wil worden hoe dergelijke in de uitvoering ontstane gevallen zijn ondervangen en hoe de verantwoordelijke bewindspersonen erover zijn geïnformeerd. De handhaving van het rekenrentepercentage in jaren waren het verschil met een actuarieel percentage disproportioneel was, roept om toelichting, die ontbreekt.
4. Beoordeling
Middel (i): verrassingsbeslissing
4.1
De belanghebbende merkt terecht op dat de vraag of sprake is van een fout die met de foutenleer gecorrigeerd moet worden tot aan ’s Hofs uitspraak kennelijk niet aan de orde is geweest en dat in zoverre sprake is van een verrassingsbeslissing. De Staatssecretaris vermoedt dat het Hof art. 3.29 Wet IB 2001 al per ultimo 2013 van toepassing achtte en wijst daartoe HR BNB 2006/278. Die zaak betrof een belanghebbende die haar drie directeuren een pensioen had toegezegd. De pensioenverplichtingen werden ondergebracht bij een gevoegde dochter van de belanghebbende. Die dochter droeg de pensioenverplichtingen enige jaren later over aan de persoonlijke holdings van de directeuren, waarbij de overdrachtswaarden werden berekend op basis van een rekenrente van 4,75%. Het Hof oordeelde dat zakelijk handelende partijen een rekenrente van 4% zouden hebben gebruikt, mede gelet op art. 9b Wet IB 1964 (de voorloper van art. 3.29 Wet IB 2001; zie onderdeel 2.7 van de bijlage). Het hiertegen gerichte middel trof doel omdat die bepaling niet gaat over totale winst, maar over jaarwinst. U overwoog:
“3.4. Ook slaagt het middel voorzover het opkomt tegen het oordeel dat bij de bepaling van de koopsom voor de overgedragen pensioenvoorziening op grond van artikel 9b van de Wet een rekenrente van ten minste 4 percent in acht genomen moet worden. De werking van artikel 9b is beperkt tot de jaarwinstbepaling.”
4.2
De belanghebbende merkt eveneens terecht op dat het Hof ongemotiveerd voorbij lijkt te gaan aan de afspraken met de fiscus over de pensioenopbouw. Ook in de door de Staatssecretaris gesuggereerde verbeterde lezing van de Hofuitspraak is dat het geval.
4.3
Dat leidt echter niet tot cassatie. hoe dan ook is de belanghebbende eind 2014, kort gezegd, de sigaar. Ook als eind 2013 geen balansfout is gemaakt, moet de belanghebbende haar pensioenverplichting eind 2014 waardering volgens de dwingende regel van art. 3.29 Wet IB 2001 en valt dus een deel van de eind 2013 gepassiveerde verplichting belast vrij.
Middel (ii): het eigendomsgrondrecht
4.4 (
(a) de maatstaf voor de individuele en buitensporige last-toets: De belanghebbende meent dat het Hof die toets verkeerd heeft aangelegd, met name ten onrechte de eis heeft gesteld dat de gestelde last zich bij de belastingplichtige sterker moet doen gevoelen dan in het algemeen. Deze eis is echter vaste rechtspraak, zoals blijkt uit onder meer HR BNB 2017/1157.en HR BNB 2017/1878.en de daarin genoemde rechtspraak. Overigens bestaat mijns inziens geen belang bij dit onderdeel omdat onderdeel (e) strandt: mijns inziens doet zich (nog) geen aantasting van eigendom voor.
4.5 (
(b) bij wie moet de last-toets worden aangelegd? Van fiscaal gevoegde vennootschappen wordt de Vpb geheven alsof er één belastingplichtige is, waarbij (i) zij tezamen worden beschouwd, (ii) de werkzaamheden en het vermogen van de dochter deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moeder en (iii) de belasting wordt geheven bij de moeder. De individuele en buitensporige last-toets moet dan mijns inziens op eenheidsniveau worden aangelegd. De vergelijking met HR BNB 2017/115 gaat mijns inziens mank. Ook als dat anders zou zijn en de last-toets bij Pensioen BV stand alone zou moeten worden aangelegd, leidt dat evenmin tot cassatie omdat het Hof in r.o. 5.8.10 feitelijk en mijns inziens niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat zich evenmin een individuele en buitensporige last voordoet als art. 3.29 Wet IB 2001 alleen bij Pensioen-BV wordt toegepast. Voor het overige berust het onderdeel mijns inziens op verkeerde lezing van ’s Hofs uitspraak. Het Hof overweegt in r.o. 5.8.5:
“Bovendien bestaat de pensioen BV nog maar sedert eind 2013 en zou een uitsluitend aan dit lichaam relateren van de volgens belanghebbende opgetreden last voorbijgaan aan de daaraan voorafgaande periode waarin de pensioenvoorziening is gevormd en waarin de wettelijk voorgeschreven rekenrente gunstig(er) voor belanghebbende kan zijn geweest (…)”.
Het Hof bedoelt kennelijk dat als in jaren vóór oprichting van Pensioen BV de marktrente hoger was dan 4%, waardering op grond van art. 3.29 Wet IB niet verschilde van de commerciële waardering, en dat dat gegeven zou worden veronachtzaamd als alleen de positie van de later opgerichte pensioen-BV in aanmerking wordt genomen bij de beoordeling van een mogelijke individuele en buitensporige last.
4.6
Ook als dit alles anders zou zijn, meen ik dat dit onderdeel strandt c.q. geen belang heeft, omdat onderdeel (e) strandt: mijns inziens doet zich (nog) geen aantasting van een eigendomsrecht voor.
4.7 (
(c) Rekening houden met de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer (zie de onderdelen 2.8 t/m 2.10 van de bijlage)? Uit met name HR BNB 2022/25 (zie onderdeel 4.18 van de bijlage) volgt dat de feitenrechter bij de beantwoording van de vraag of de toepassing van een wettelijke regeling tot een schending van art. 1 Protocol I EVRM leidt, betekenis mag hechten aan de gevolgen van die toepassing in latere jaren. Ook de belanghebbende gaat daarvan overigens uit in middelonderdeel (ii)(d), waardoor de middelonderdelen (d) en (e) onderling onverenigbaar zijn. In casu moeten mijns inziens zelfs mogelijke ontwikkelingen in latere jaren in de beschouwing worden betrokken omdat het bij de toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 om jaarwinstbepaling gaat en daarmee om verschuiving van belastingheffing naar latere jaren.
4.8 (
(d) Ten onrechte slechts naar 2014 gekeken? Uit HR BNB 2022/25 volgt (dus) inderdaad dat bij de beoordeling van de verenigbaarheid van art. 3.19 Wet IB 2001 met het eigendomsgrondrecht betekenis kan worden gehecht aan de gevolgen die voor de belastingplichtige in latere jaren aan de toepassing ervan zijn verbonden. Zoals gezegd, moeten mijns inziens zelfs mogelijke ontwikkelingen in latere jaren in de beschouwing worden betrokken omdat het bij de toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 om jaarwinstbepaling gaat en daarmee om verschuiving van belastingheffing naar latere jaren. Uit ’s Hofs volgt echter geenszins dat hij enkel de gevolgen in 2014 in aanmerking heeft genomen; integendeel. Hij overweegt onder meer, bij de fair balance-toets, dat de wettelijke rekenrente bedoeld is om voor een lange periode te gelden en herhaalt dat in iets andere woorden bij de individuele en buitensporige last-toets in de overweging dat er ook perioden kunnen zijn geweest waarin de marktrente hoger was, terwijl het Hof verder expliciet wijst op de in 2017 geboden fiscale faciliteiten van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen. Ook dit middel strandt mijns inziens, c.q. heeft geen belang in verband met het volgende:
4.9 (
(e) gebrek aan lawfulness omdat 4% niet is gemotiveerd en geen tegenbewijs is toegelaten? Voor het protocol van toetsing van belastingmaatregelen, met name van belastingheffing over fictief rendement, aan het eigendomsgrondrecht, verwijs ik naar onderdeel 4 van de bijlage. Daaruit volgt (zie met name onderdeel 4.3 en 4.4 van de bijlage) dat het in een geval zoals dat van de belanghebbende om twee vragen gaat: (i) leidt de wettelijk verplichte fiscale onderwaardering van pensioenverplichtingen tot aantasting van een ‘existing possession’ of een ‘legitimate expectation’ van de belanghebbende of van haar dga, en zo ja: (ii) slaat die aantasting van eigendom een fair balance tussen het private eigendomsgrondrecht en het budgettaire overheidsbelang? Ik lees dit middelonderdeel daarom als niet zozeer klagende over de lawfulness van art. 3.29 Wet IB 2001, waaraan bezwaarlijk getwijfeld kan worden, zoals het Hof al vaststelde, maar als klagende over disproportionaliteit en daarmee als (opnieuw) klagende over schending van de vereiste fair balance.
4.10
In de zaken HR BNB 2016/14, HR BNB 2016/50 en HR BNB 2017/5 (zie de onderdelen 3.6 t/m 3.15 van de bijlage) oordeelde u dat als de marktrente op langlopende leningen lager ligt dan de wettelijke 4%-rekenrente, de verplichte waardering van pensioenverplichtingen op basis van die 4% onverenigbaar is met de realiteits- en voorzichtigheidsbeginselen van goed koopmansgebruik, maar dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de marktrente lager dan 4% zou kunnen worden en desondanks de wettekst niet heeft aangepast. Dat zo zijnde, zag u geen ruimte voor de rechter om in te grijpen. De vraag rijst of deze lijn herzien moet worden in het licht van uw box-3-arrest HR BNB 2022/27 (zie de onderdelen 4.22 t/m 4.25 van de bijlage), waarin vermogensaantastende heffing over niet-bestaand spaarrendement in strijd werd geoordeeld met het discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht van art. 1 Protocol I EVRM. Ook het fiscaal deels negeren van wel degelijk bestaande ondernemingsverplichtingen leidt tot actuele belastingheffing over nog niet-bestaande winst waarvan niet vaststaat dat die behaald zal worden.
4.11
Onderdeel (ii)(e) klaagt in wezen dat de verplichte belaste gedeeltelijke vrijval van de pensioenvoorziening zonder tegenbewijsmogelijkheid onevenredig is omdat die het de belanghebbende onmogelijk maakt om aan haar pensioenverplichtingen te voldoen.
4.12
Die mogelijkheid bestaat inderdaad, maar daarover valt mijns inziens niets met zekerheid te zeggen omdat zij van toekomstige feiten en (rente)ontwikkelingen afhangt, zodat (nog) niet gezegd kan worden dat de belanghebbende een ‘existing possession’ of de ‘legitimate expectation’ van een possession wordt afgenomen. Het gaat om verschuiving van aftrekbare pensioen- en stamrechtlasten naar de toekomst (een jaarwinstkwestie), niet om het definitief weigeren van aftrek van pensioen- en stamrechtlasten (een totale-winstkwestie). Blijkt in de toekomst inderdaad door de verplichte vrijval in 2014 de nakoming van belanghebbendes pensioen- en stamrechtverplichtingen onmogelijk te zijn gemaakt, dan kan in het jaar waarin dat blijkt, alsnog beroep gedaan worden op art. 1 Protocol I EVRM, waarbij dan de vraag rijst of de belanghebbende of haar dga ‘victim’ is van die pensioenaantasting.
4.13
Uit de onderdelen 4.5 t/m 4.12 van de bijlage bij deze conclusie blijkt dat voor het bestaan van een possession ex art. 1 Protocol I EVRM minstens vereist is een objectieve, op geld waardeerbare en voldoende vastomlijnde aanspraak. Uit onder meer de EHRM-arresten Optim and Industerre v. Belgium (onderdeel 4.8 bijlage) en Ramaer and Van Willigen v. Netherlands (onderdeel 4.10 bijlage) blijkt dat rechtens bestreden belasting-schulden onvoldoende vaststaan om hun mogelijke verjaring als legitimate expectation aan te merken, dat toekomstige inkomsten en voorwaardelijke aanspraken geen possession zijn en dat voor het vereiste ‘proprietary interest’ vereist is een rechtstreeks op de wet, een onherroepelijke beschikking of een rechterlijke uitspraak gebaseerde aanspraak of verwachting van bezitsverwerving. Een niet daarop gebaseerde verwachting of hoop is onvoldoende.
4.14
In casu gaat het om het spiegelbeeld van een bezitsverwachting, nl. de verwachting of vrees dat in de toekomst een activum, nl. een deel van belanghebbendes beleggingsresultaat haar zal blijken te zijn of te worden ontnomen dat zij nodig heeft voor de nakoming van haar pensioenverplichtingen. Die verwachting of vrees is mijns inziens, hoezeer ook niet-onrealistisch (al stijgt de rente inmiddels weer en verhogen pensioenfondsen de pensioenaanspraken en -uitkeringen), (nog) geen interference in een existing possession of een legitimate expectation in de zin van art. 1 Protocol I EVRM. Mijns inziens ontbreekt aldus vooralsnog ofwel de interference, ofwel de vereiste proprietary interest.
4.15
Daarin verschilt belanghebbendes zaak mijns inziens van de box 3-spaarrentegevallen waarover u in HR BNB 2022/27 oordeelde: in box 3 zaken stond elk belastingjaar steeds definitief vast dat spaarders een deel van hun spaargeld werd ontnomen. Het ging in de box 3 zaken, anders dan in belanghebbendes geval, niet om iets wat in de toekomst slechts een verschil in heffingstiming zou kunnen blijken te zijn, maar om actuele en definitieve ontneming van eigendom. In belanghebbendes geval gaat het om potentiële toekomstige aftrekposten die mogelijk niet verwezenlijkt zullen blijken te kunnen worden. In 2014 of nu is niet (zo goed als) zeker dat de fiscus uiteindelijk meer totaalwinst zal belasten dan daadwerkelijk zal blijken te worden behaald. De door art. 3.29 Wet IB 2001 in 2014 geforceerde jaarwinst kan in latere jaren bij voldoende toekomstig beleggingsresultaat nog gecompenseerd worden door hogere aftrekbare lasten, om nog te zwijgen van andere imponderabilia zoals de verhouding tussen inflatie en nominaal beleggingsrendement, de kans op sterftewinst en het langlevenrisico dat ook bij marktconforme rekenrente bestaat.
4.16
De onredelijke gevolgen van de te hoge rekenrente van art. 3.29 Wet IB 2001 zijn daarmee wezenlijk anders van aard – want mogelijk tijdelijk en meevallend - dan het acuut onteigenende effect van het verplichte fictieve spaarrendement van box 3. Box 3 belastte niet-bestaande spaarinkomsten definitief; art. 3.29 Wet IB daarentegen verschuift een aftrekpost naar een onzekere toekomst en verhoogt daarmee weliswaar de actuele belastingheffing, maar verlaagt de toekomstige belastingheffing. Het verschuift toekomst-onzekerheden ten gunste van de fiscus naar de belastingplichtige c.q. de pensioengerechtigde, maar daarvan kan mijns inziens niet gezegd worden dat die bestaande eigendom of een concrete, objectieve vastomlijnde, juridisch gerechtvaardigde verwachting van eigendomsverkrijging aantast. Daarbij komt dat belastingplichtigen zoals de belanghebbende in 2017 de fiscaal gefacilieerde mogelijkheid is geboden om van het pensioen in eigen beheer af te geraken. Omdat het om afschuiven van toekomst-onzekerheden en mogelijke gefacilieerde afwikkeling vanaf 2017 gaat, kan in 2014 - of in 2023 - ook niet beoordeeld worden of het in die toekomst zal blijken te gaan om een fair of een unfair balance; in 2014 of nu kan niet beoordeeld worden of het zal blijken te gaan om heffing over meer dan de totale winst en wel zodanig dat zich – bovendien - een individual and excessive burden voordoet.
4.17
Kortom: art. 3.29 Wet IB 2001 is onredelijk eenzijdige wetgeving, maar geen schending van grondrechten, en het staat de fiscale wetgever vrij om onredelijke wetten te maken en slecht koopmansgebruik voor te schrijven.
4.18
Nu het bovendien, gezien de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer (2017), om een verdwijnende en wellicht grotendeels al verdwenen kwestie gaat, zou de vraag rijzen of er voor de rechter, als het al om een eigendomsrechtaantasting en om een unfair balance zou gaan, nog een goede grond zou bestaan om deze op (uit)sterven liggende oude koe nog uit de sloot te hijsen. U vergelijke uw ouwekoeien-rechtspraak over het (niet meer) toepassen van het gelijkheidsbeginsel op oude gevallen als de wetgever de ongelijkheid inmiddels heeft weggenomen, zoals het Tandartsvrouwarrest HR BNB 1990/619.en het Zware-metalenarrest HR BNB 1993/332.10.
5. Conclusie
Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de belanghebbende ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑01‑2023
Rechtbank Noord-Holland 17 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:10861, FutD 2019-0094, V-N 2019/15.2.2, NTFR 2019/508, NLF 2019/0146.
HR 16 oktober 2015, nr. 13/04121, ECLI:NL:HR:2015:3082, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2014:2730), FED 2015/100 met noot Russo, BNB 2016/14 met noot Cornelisse, FutD 2015-2524 met noot Fiscaal up to Date, NTFRB 2016/5 met noot Bruijsten, NTFR 2015/3006 met noot Bruins Slot, NTFR 2016/73.
Gerechtshof Amsterdam 7 juli 2020, nr. 19/00060, ECLI:NL:GHAMS:2020:1923, FutD 2020-2275 met noot van Fiscaal up to Date, V-N 2020/45.1.1, NTFR 2020/2421, NLF 2020/1761.
Het Hof verwijst naar Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 460 en Kamerstukken II, 1999/2000, 26 727, nr. 17, p. 246.
Stb. 2017, 115.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2020, nr. 19/00905, ECLI:NL:GHARL:2020:5098, FutD 2020-2067, VN 2020/45.1.2, Belastingadvies 2020/21.5 met noot Stam, NTFR 2020/2226, NLF 2020/1602. Tegen deze uitspraak is beroep in cassatie ingesteld. In deze zaak, bij u ingeschreven onder kenmerknummer 20/03460, wordt heden geconcludeerd. De zaak deelt met de onderhavige conclusie een gemeenschappelijke bijlage.
Hoge Raad 17 maart 2017, nr. 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:442, na conclusie Ettema, ECLI:NL:PHR:2016:1036, NLF 2017/0683 met noot Jaeger, FED 2017/119 met noot Pauwels, V-N 2017/17.25 met noot redactie, BNB 2017/115 met noot Meussen, FutD 2017-0651 met noot redactie, NTFR 2017/793 met noot Wiezer.
Hoge Raad 2 juni 2017, nr. 16/04765, ECLI:NL:HR:2017:964, na conclusie Niessen (ECLI:NL:PHR:2017:221), NLF 2017/1475 met noot Elbert, V-N 2017/28.13 met noot redactie, NJB 2017/1300, FED 2017/116 met noot Gerverdinck, BNB 2017/187 met noot Pauwels, NTFR 2017/1727 met noot Van der Vegt.
HR 27 september 1989, nr. 24 297, na conclusie Moltmaker, ECLI:NL:HR:1989:ZC4110, BNB 1990/61, m.nt. Scheltens.
HR 6 oktober 1993, nr. 27 825, na conclusie Moltmaker, ECLI:NL:HR:1993:ZC5470, BNB 1993/332, m.nt. Van Leijenhorst.