Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/2.9:2.9 Samenvatting en tussenconclusie
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/2.9
2.9 Samenvatting en tussenconclusie
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950328:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De algemene opschortingsregeling vulde een leemte aan die de in het oude BW geregelde enac en het eveneens daarin geregelde retentierecht lieten in de wet. Met de invoering van het algemene opschortingsrecht loste de wetgever de onder het oude BW bestaande moeilijkheid om vast te stellen hoever men mocht gaan met de uitbreiding van de wettelijke opschortingsrechten, door uitleg, analogische toepassing of aan de hand van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, op. Dit algemene opschortingsrecht is tot op zekere hoogte origineel te noemen, omdat het in mindere mate voortborduurt op de rechtsontwikkeling van de enac en het retentierecht in Nederland en vooral is geïnspireerd door het Duitse Zurückbehaltungsrecht als bedoeld in § 273 Abs. 1 BGB.
Afdeling 6.1.7 BW bevat algemene regels over opschortingsrechten. Het BW bevat daarnaast bijzondere opschortingsregelingen, waarvan de meest in het oog springende de enac en het retentierecht zijn. Voor zover een bijzondere regeling geen toepassing van de algemene opschortingsregeling is, kan de algemene opschortingsregeling daarop wel overeenkomstig van toepassing zijn.
De grondslag van de bevoegdheid van de schuldenaar om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten als hij een opeisbare vordering op zijn wederpartij heeft, is gelegen in de beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Verbintenissen over en weer die op grond van de wet, een overeenkomst of de redelijkheid en billijkheid gelijktijdig behoren te worden nagekomen, hangen zodanig met elkaar samen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de wederpartij nakoming verlangt zonder harerzijds nakoming aan te bieden. Wanneer gelijktijdige nakoming is vereist, heeft de schuldenaar van de wederpartij die deze gelijktijdigheid doorbreekt of dreigt te doorbreken op grond van artikel 6:52 lid 1 BW een eigenhandige bevoegdheid de nakoming van zijn verbintenis uit te stellen, tótdat zijn wederpartij haar verbintenis is nagekomen. Het algemene opschortingsrecht is dan ook tijdelijk van aard. Dit recht beoogt de schuldenaar te beschermen tegen voornoemde doorbreking of dreigende doorbreking van de gelijktijdige nakoming van de verbintenissen over en weer. Met het afweren van de verlangde nakoming voorkomt de schuldenaar dat hij zijnerzijds nakomt zonder gelijktijdige nakoming van zijn wederpartij te verkrijgen. De uitoefening van het algemene opschortingsrecht is tevens gericht op het verkrijgen van nakoming van de wederpartij. Daartoe spoort de schuldenaar zijn wederpartij aan. Dat het algemene opschortingsrecht ook wel wordt uitgeoefend met het oog op een eventuele verrekening of, in geval van verbintenissen uit overeenkomst, een eventuele ontbinding, brengt mijns inziens niet mee dat verrekening en ontbinding tot het doel of de strekking daarvan moeten worden gerekend.
Met de aansporing van de wederpartij tot gelijktijdige nakoming, fungeert het algemene opschortingsrecht als een pressiemiddel. Daarnaast heeft het algemene opschortingsrecht een zekerheidskarakter. De uitoefening van het algemene opschortingsrecht beschermt de schuldenaar tegen het risico op insolventie van zijn wederpartij en geeft een bepaalde mate van zekerheid dat zijn wederpartij ook zal nakomen, al dan niet door middel van verrekening. De functie van pressiemiddel en het zekerheidskarakter zijn evenwel te relativeren, omdat het steeds de wederpartij is die ten aanzien van de vordering van de schuldenaar de nakomingshandeling zal moeten verrichten. Als zij redenen heeft om dat niet te doen of een nakomingshandeling in de vorm van het uitbrengen van een verrekeningsverklaring verricht terwijl de waarde van de vordering die van de verbintenis overstijgt, zal de schuldenaar rechtsmaatregelen moeten nemen.
De algemene opschortingsregeling is van aanvullend of regelend recht. Partijen kunnen daarvan afwijken of die uitsluiten. Voor zover een afwijking of uitsluiting in algemene voorwaarden is opgenomen en onredelijk bezwarend of oneerlijk is, is zij op vordering van de schuldenaar vernietigbaar of dient zij, in geval van een consument-schuldenaar, ambtshalve te worden vernietigd. Een overeengekomen verrekeningsverbod staat niet aan een opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW in de weg.
Een gegrond beroep op het algemene opschortingsrecht ontneemt de opeisbaarheid aan de verbintenis van de schuldenaar, zodat de schuldenaar met het niet nakomen van zijn verbintenis ook niet tekortschiet. Zijn wederpartij heeft daarom geen recht op schadevergoeding of, voor zover de verbintenissen over en weer voortvloeien uit een overeenkomst, ontbinding vanwege die niet-nakoming. Op grond van de aanvullende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan de schuldenaar wel gehouden zijn tot vergoeding van verkregen voordeel. Tevens komt de wederpartij door een gegrond beroep op het algemene opschortingsrecht in schuldeisersverzuim te verkeren, voor zover het uitblijven van haar nakoming aan haar kan worden toegerekend en geen andere omstandigheden bestaan waardoor de schuldenaar wordt belet in de nakoming van zijn verbintenis. De wederpartij is dan niet zelf opschortingsbevoegd. Daarentegen leidt een ongegrond beroep op het algemene opschortingsrecht terstond tot verzuim van de schuldenaar, zodat hij gehouden is zijn wederpartij de schade te vergoeden die zij daardoor heeft geleden en, voor zover de verbintenissen over en weer voortvloeien uit een overeenkomst, zijn wederpartij ontbindingsbevoegd is. Die wederpartij kan in verband met de niet-nakoming van de schuldenaar opschortingsbevoegd zijn op grond van artikel 6:52 BW.
Een opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW eindigt als niet meer aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan, bijvoorbeeld doordat de wederpartij inmiddels harerzijds is nagekomen, of als de uitoefening van het algemene opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt. Ook eindigt die opschortingsbevoegdheid als de schuldenaar in schuldeisersverzuim komt te verkeren, als nakoming door zijn wederpartij blijvend onmogelijk wordt of als zekerheid is gesteld voor de voldoening van zijn vordering, tenzij deze voldoening daardoor onredelijk zou worden vertraagd. De opschortingsbevoegdheid kan ook eindigen in het geval waarin de nakoming van de verbintenis voor de schuldenaar blijvend of tijdelijk onmogelijk is geworden.