Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/3.4.5.1
3.4.5.1 Een ‘licht’ begrip rechtspersoonlijkheid
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS591611:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Kluiver 2012, p. 90. Vgl. Huizink 1983, p. 302, die vindt dat een ondernemingsraad slechts dan rechtspersoon genoemd moet worden, als zijn feitelijk functioneren hiermee beter verklaard kan worden. Vgl. ook Van Bladeren 2000, p. 38, die meent dat wij met het begrip rechtspersoon slechts zijn tegemoetgekomen aan onze behoefte aan antropomorfiserend denken.
Over deze functies die rechtstermen kunnen hebben, zie Cahen 1975 en Cahen 1975a, reeds aangehaald in 3.4.2.2.
Scholten 1922, p. 311.
Meijers 1947, p. 183.
Van Schilfgaarde 1974, p. 14; Timmerman 1990, p. 9. In dezelfde zin: T.P. van Duuren en J.M.M. Maeijer in Vereeniging Handelsrecht 1998, p. 29 en Bijlage 1, p. 6.
Van Schilfgaarde 1974, p. 17-20 en 24; Timmerman 1975, p. 71; Timmerman 2000, p. 163; Timmerman 2014.
Door niet anders te bepalen, gaf dit ontwerp aanleiding tot die vrees. Tijdens de vergadering van de Vereeniging ‘Handelsrecht’ van 1 november 1974, waarin zijn ontwerp werd besproken, stelde Van der Grinten dat de toepasselijkheid van Boek 2 BW op de personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid nadere overweging behoefde. Zie Timmerman 1975, p. 71. Zie ook Maeijer 1973, p. 408.
Art. 2:5 BW geeft geen definitie, omdat het slechts tot een onwenselijk debat over definiëring zou leiden. Kamerstukken II 1957-1958, 3769, nr. 5.
Assink | Slagter 2013, § 3.3, p. 76, verwijzend naar HR 13 november 1964, NJ 1965/121 (Ziekenfonds). Overigens zijn alle ziekenfondsen die bij de inwerkingtreding van Boek 2 BW geen stichting of onderlinge waarborgmaatschappij waren, ingevolge art. 48 Overgangswet NBW van rechtswege omgezet in onderlinge waarborgmaatschappijen; zie Asser/Rensen2-III* 2012/297.
De notie van abstractie van bij de entiteit betrokkenen ontleen ik aan Van Schilfgaarde 1974, p. 20: “Rechtspersoon is de juridische abstraktie van persoon.”
Thielen 1985 gaat uit van eenzelfde beperkte opvatting van het begrip ‘rechtspersoon’, waar hij verdedigt dat de rechtspersoon uit het Ontwerp-Van der Grinten niet een wezenlijk ander karakter had dan de rechtspersoon van Boek 2 BW.
Zie art. 2:30 lid 1, art. 2:44 lid 2 en art. 2:291 lid 2 BW.
Groot 1988, p. 43; Raaijmakers 2002a, p. 685.
Zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/20 en 21, welke passages overeenkomen met Asser/ Scholten I-2 1940, p. 72-74, afgezien van de laatste vier volzinnen van nr. 21, die door Kroeze zijn toegevoegd, en redactionele wijzigingen. In hoeverre Kroeze achter de van Scholten overgenomen tekst staat, is gezien zijn schroom bij het gebruik van de ik-vorm in onder meer deze tekst onduidelijk; zie het voorwoord in zijn aangehaalde werk.
Asser/Scholten 2-I 1940, p. 118. Volgens Scholten is collectieve eigendom de positie, als men aanneemt dat de VOF geen rechtspersoon is. Zie Scholten 1927, p. 386, aangehaald in 3.4.4.
De Kluiver vindt dat we het begrip ‘rechtspersoonlijkheid’ beter terzijde kunnen schuiven, om ons te richten op een rechtseconomisch perspectief. Hij noemt het begrip ‘rechtspersoonlijkheid’ een symbolische categorie, een Wodan- begrip. Dat een Germaanse god boos zou zijn, geeft wel een conceptueel kader aan onweer, maar een verklaring voor het onweer is het niet.1 Zijn beeldspraak is mooi, maar De Kluiver ziet over het hoofd dat het begrip rechtspersoonlijkheid een nuttige rechtsgevolg-benoemende functie heeft.2 Het terzijde schuiven van het begrip zou bovendien onaardig zijn tegenover de 15de eeuwse Italiaanse jurist Bartholomaeus de Saliceto, die als eerste uitdrukkelijk over rechtspersoon heeft gesproken,3 en het al zonder Nederlandstalige wikipedia- pagina moet stellen.
Meijers knoopt aan bij de gevolgen van rechtspersoonlijkheid, en dus niet bij de oorzaken, waar hij stelt dat men onder rechtspersoon nooit meer dient te verstaan dan datgene, wat subject van rechten en plichten kan zijn.4 Van Schilfgaarde en Timmerman bouwen hierop voort en bepleiten, in verschillende bewoordingen, om het maar bij de simpele, positiefrechtelijke constatering te laten dat ‘rechtspersoon’ een van natuurlijke personen te onderscheiden eenheid is die als drager van rechten en verplichtingen kan functioneren.5 Zij pleiten voor een ‘licht’ begrip rechtspersoonlijkheid, omdat een zwaar met rechtsgevolgen beladen opvatting van het begrip rechtspersoon aan de flexibiliteit van het vennootschapsrecht in de weg staat.6 Hiermee bedoelen zij dat onder meer de in titel 1 van Boek 2 BW opgenomen organisatieregels (art. 2:13 e.v.) geen essentieel onderdeel hoeven te vormen van het begrip rechtspersoon. Die organisatieregels brengen onder meer mee dat besluiten van ‘organen’ worden toegerekend aan de rechtspersoon en tegenover al degenen die bij de rechtspersoon zijn betrokken evenzeer gelding hebben (erga omnes werking). Een rechtspersoon laat zich zonder orgaantheorie ook uitstekend denken. Deze ideeën over een ‘licht’ rechtspersoonlijkheidsbegrip werden voor het eerst naar voren gebracht naar aanleiding van het Ontwerp-Van der Grinten. Men vreesde dat bedoelde organisatieregels door dit ontwerp op de personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid van toepassing zouden worden.7 De benadering van Van Schilfgaarde en Timmerman spreekt mij aan.
Zo kom ik tot de volgende, indicatief bedoelde omschrijving, die dicht bij de tekst van artikel 2:5 BW blijft:8
“Rechtspersoon is een in het recht erkende en van haar bestuurders en andere betrokkenen geabstraheerde entiteit die, tenzij uit de wet het tegen deel voortvloeit, wat het vermogensrecht betreft gelijk staat met een natuur lijke persoon.”
Ik licht deze omschrijving nader toe. Mijn omschrijving stelt als eis dat een rechtspersoon als zodanig in het recht erkend wordt, maar laat in het midden wanneer dit het geval is. Voor de meeste rechtspersonen van Boek 2 BW schrijft de wet een notariële akte voor die aan bepaalde vereisten moet voldoen. Dit geldt niet voor de informele vereniging. Het gaat om constitutieve vereisten voor de desbetreffende typen rechtspersoon naar geldend recht, niet om kenmerken die raken aan het wezen van rechtspersoonlijkheid. Mijn omschrijving sluit niet uit dat het Nederlandse recht andere entiteiten als rechtspersoon (er-) kent dan de in artikel 2:1 BW genoemde. De rechter mag aanvullingen op het in beginsel gesloten systeem van rechtspersonen aannemen, maar alleen met terughoudendheid en slechts voor zover in lijn met het systeem van de wet, zoals Assink het uitdrukt.9
Uit de gelijkstelling van de rechtspersoon met een natuurlijke persoon in het vermogensrecht volgt dat aan een rechtspersoon eigen handelingen (waaronder rechtshandelingen), gesteldheden (waaronder het hebben van schuld of kennis) en rechtsposities (waaronder het hebben van vermogen) kunnen worden toegerekend, net als aan een natuurlijke persoon. Met de mogelijkheid om eigen vermogen te hebben (waaronder goederen en financiële verplichtingen) onderscheidt de rechtspersoon zich van andere entiteiten die in het recht worden erkend, zoals een raad van commissarissen en een ondernemingsraad. Deze entiteiten kunnen convenanten aangaan en ook een bepaalde procesbevoegdheid hebben, en in zoverre rechtsbevoegd zijn, maar zij kunnen geen eigen vermogen hebben. De gegeven omschrijving gaat niet zover dat een rechtspersoon zonder vermogen onbestaanbaar is. Een dergelijke eis zou onjuist zijn. Zo pleegt een stichting bij oprichting nog geen vermogen te hebben. Met de oprichting van een rechtspersoon wordt een entiteit gecreëerd die eigen vermogen kan verwerven.10
Dat aan een rechtspersoon handelingen en gesteldheden kunnen worden toegerekend is cruciaal. Het maakt de rechtspersoon tot een vertegenwoordigingsconstructie. Paul Scholten heeft indertijd het verband tussen vertegenwoordiging en rechtspersoonlijkheid gezien. “Verscheidene vragen van de rechtspersoon zijn niet anders dan vertegenwoordigingsvragen, die alleen in algemeen verband kunnen worden behandeld.”, zo schreef hij in het voorwoord van Asser-Scholten I-2 (1940), waarin hij juist vanwege deze samenhang zowel de vertegenwoordiging als de rechtspersoon behandelde.
Handelingen en gesteldheden van personen die bij de rechtspersoon betrokken zijn, worden rechtens toegerekend aan de rechtspersoon. Bij de rechtspersonen van Boek 2 BW neemt het recht als uitgangspunt dat de rechtspersoon voor eigen rekening optreedt. Kent men rechtspersoonlijkheid toe aan een personenvennootschap, dan kan worden gezegd dat deze niet voor eigen rekening, maar voor rekening van de vennoten optreedt. Mijn omschrijving laat ruimte voor beide typen rechtspersoon. Mijn omschrijving staat niet in de weg aan een wettelijke bepaling die de vennoten aansprakelijk maakt voor de schulden van de rechtspersoon.11 Ook de rechtspersoon met beperkte rechtsbevoegdheid12 heeft binnen mijn omschrijving een plaats.
De rechtspersoon uit mijn omschrijving is een van de mens geabstraheerd toerekeningspunt.13 Met ‘geabstraheerd’ bedoel ik dat de rechtspersoon een juridische entiteit is, die los van de van tijd tot tijd erbij betrokken personen is gedacht. Zoals Kroeze het uitdrukt: in de rechtspersoon wordt het persoonsbegrip losgemaakt van de mens.14 In deze benadering is het onjuist om te zeggen dat de vennoten deelgenoten zijn in de tot het VOF-vermogen behorende goederen en tegelijkertijd vol te houden dat de VOF een rechtspersoon is. Wat dit betreft sluit mijn benadering aan bij die van Scholten en naar ik aanneem die van Kroeze, die in een krachtig betoog de leer van de collectieve eigendom bestrijden.15 Toen Scholten schreef dat de VOF rechtspersoon is, zal hij dus rechtspersoonlijkheid zonder collectieve eigendom hebben bedoeld.16 Precies in deze beperkte opvatting, waarin collectieve eigendom en rechtspersoonlijkheid niet kunnen samengaan, vat ik het standpunt van de Hoge Raad op, dat de VOF geen rechtspersoon is.