Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.6.3:16.6.3 Het kapitaal
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.6.3
16.6.3 Het kapitaal
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404647:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van der Heijden 1936, p. 190.
Van der Heijden 1936, p. 191.
Polak 1935, p. 331.
Art. 36ͤ WvK 1928 bepaalde: “De [verlaring van geen bezwaar] mag alleen worden geweigerd op de overweging […] dat de oprichters te zamen voor ten minste een vijfde gedeelte in het maatschappelijk kapitaal deelnemen.”
Art. 26g WvK 1928.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het begrip ‘kapitaal’ kreeg in de wet van 1928 een nieuwe betekenis. Dit had tot dan toe als maatstaf gediend voor de aanspraken van de aandeelhouders; het was het totale bedrag van hun inbreng. Vanaf een zeker moment waren vennootschappen echter inbreng gaan aanvaarden tot een hoger of lager bedrag dan waartoe aandelen in het kapitaal werden uitgegeven; in dat geval was sprake van agio (of disagio). In de nieuwe wet werd daarom tot uitdrukking gebracht dat het kapitaal niet noodzakelijkerwijs samenviel met de inbreng van de aandeelhouders.
Van der Heijden merkte hierover op: “Het kapitaal duidt zoo niet langer het bedrag aan van den inbreng, doch het bedrag tot hetwelk de n.v. zich wegens den inbreng in vennootschappelijke schuldbetrekking jegens haar aandeelhouders stelt. […] Tijdens de duur der vennootschap moet zij, zoolang niet opgeheven, onvereffend blijven. […] Kapitaal is onlosbare vennootschappelijke schuld aan aandeelhouders wegens hun inbreng of verplichting daartoe.”1
Van der Heijden wees erop dat het voormalige ‘kapitaal-is-inbreng-begrip’ niet alleen in strijd was met het bedingen van agio of disagio bij de uitgifte van aandelen, maar zich tevens slecht verhield met de mogelijkheid van aandeelhouders het kapitaal te verminderen zonder dat aan hen iets werd teruggegeven. Het kapitaal moest daarom onder de passiva op de balans worden vermeld; de inbreng was het actief dat daar tegenover kwam te staan. Het begrip ‘nominaal kapitaal’ werd geïntroduceerd; dit bedrag drukte de ‘verplichting’ van de vennootschap jegens haar aandeelhouders uit en gaf aan welk deel van het vermogen tijdens het bestaan van de NV niet door de aandeelhouders mocht worden onttrokken.
Van der Heijden overwoog: “Het nominale bedrag van het kapitaal is het bedrag, tot hetwelk de vennootschap zich verplicht haar vermogen onder vennootschappelijk verband te houden. Het bedrag daarvan zal de vennootschap uitsluitend aanwenden als middel ter bereiking van het vennootschappelijke doel. […] Het kapitaal werkt dus als klem, die het vennootschappelijk vermogen tot bepaalden omvang bijeen moet houden.”2
Ingevolge art. 36d WvK 1928 diende de akte van oprichting het bedrag van het maatschappelijk kapitaal te vermelden, waaronder werd verstaan het nominale bedrag van de gezamenlijke aandelen dat kon worden uitgegeven zonder wijziging van de statuten. Tevens moest het bedrag vermeld worden waarvoor door de oprichters in dat maatschappelijk kapitaal was deelgenomen, men sprak van het geplaatst kapitaal.3 De nieuwe wet schreef voor dat ten minste een vijfde van het maatschappelijk kapitaal geplaatst was.4 Het geplaatste kapitaal hoefde niet geheel in de kas van de vennootschap te worden gestort; slechts indien minder dan een vierde van het geplaatst kapitaal was gestort, waren bestuurders “voor hunne handelingen […] hoofdelijk voor het geheel aan derden verbonden, onverminderd de aansprakelijkheid der naamlooze vennootschap, voor zooverre binnen de grenzen der akte van oprichting is gehandeld”.5