Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/III.4:III.4. Conclusie
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/III.4
III.4. Conclusie
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS577926:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk was de vraag aan de orde of niet op andere wijze, indirect, de eventuele gewenste binding bereikt kan worden, bij gebrek aan contractueel erfrecht.
De leden 1 en 2 van art. 4:4 BW bewaken de toegang tot deze route. Art. 4:4 lid 1 BW heeft een ruim bereik. De testateur kan zichzelf niet op het testeergebied binden en ook niet indirect de gewenste richting op worden gestuurd. Mogelijkheden om (indirect) bindende elementen in te brengen in het erfrecht worden afgesneden.
Ondanks het ruime toepassingsgebied van art. 4:4 lid 1 BW heeft ook lid 2 nog een functie, indien erfrechtelijke bevoegdheden niet in het geding zijn. Lid 2 verbiedt in beginsel slechts de overeenkomst waar een nalatenschap (of een evenredig deel daarvan) het object van de overeenkomst is, en waarbij erfrechtelijk bevoegdheden niet in het geding zijn. Bedingen die zien op bepaalde goederen zijn niet aan het verbod onderworpen. Wel voorkomt de ‘vermommingstheorie’ dat door het eigenlijke object van de overeenkomst te vermommen, het verbod kanworden ontgaan.
Ondanks deze theorie blijft het verbod van lid 2 van art. 4:4 BW beperkt. Dit geeft veel ruimte om te werken met overeenkomsten met werking na overlijden. Deze overeenkomsten kunnen bij een gemis aan contractueel erfrecht voor quasi-contractueel erfrecht garant staan.