Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/3.6:3.6 Afsluiting
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/3.6
3.6 Afsluiting
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS949729:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 juli 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0708JUD001022603 (Yumak and Sadak/Turkey).
Bovendien moet de toelaatbaarheid van maatregelen altijd los gezien worden van de wenselijkheid van die maatregelen. Zie daarover verder nog par. 16.3.
Zie bijvoorbeeld EHRM 8 juli 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0708JUD001022603 (Yumak and Sadak/Turkey), par. 111.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de jurisprudentie van het EHRM vatte al snel na de totstandkoming van artikel 3 Protocol 1 EVRM de gedachte post dat de bepaling, die zich naar de letter van de tekst tot de lidstaten richt, het karakter van een individueel in te roepen recht heeft. Ook op nationaal niveau kwam, met de zelfstandige vermelding van het kiesrecht in artikel 4 Gw, die met de grondwetsherziening van 1983 tot stand werd gebracht, tot uitdrukking dat het kiesrecht als een aan iedere Nederlandse burger toekomend grondrecht wordt beschouwd. Niet langer werd het kiesrecht primair gezien als een door de burger uitgeoefende staatsfunctie. Niettemin is het van belang om erop te wijzen dat het kiesrecht, naast een individueel karakter, ook – nog altijd – een institutioneel karakter heeft. Het recht draait niet alleen om wie er kiest, maar ook om wat en waarom gekozen wordt. Artikel 4 Gw spreekt in dat kader van het recht om ‘de leden van de algemeen vertegenwoordigende organen te kiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen’. Artikel 3 Protocol 1 EVRM heeft het over ‘het kiezen van de wetgevende macht’. Uitoefening van het kiesrecht heeft dus ook een institutioneel doel, dat gelegen is in het kiezen van de leden van de volksvertegenwoordiging. Een vrij en eerlijk verkiezingsverloop is dan ook niet alleen van belang in het kader van het grondrechtelijke karakter van het kiesrecht, maar ook om recht te doen aan dit instrumentele karakter van het recht. Vrije en eerlijke verkiezingen leveren een volksvertegenwoordiging op waarvan met recht kan worden gezegd dat zij democratisch is gekozen.
De jurisprudentie van het EHRM is een belangrijke bron van standaarden waaraan een vrij en eerlijk verkiezingsverloop moet voldoen. Het Hof schetst hierin, op het oog, een gedetailleerd normenkader. Wanneer het Hof beperkingen van het kiesrecht toetst aan artikel 3 Protocol 1 EVRM, staat daarbij zoals gezegd de vraag centraal of ‘de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht’ is geschonden, waarbij lidstaten een grote margin of appreciation van het Hof krijgen. Deze margin of appreciation heeft enkele consequenties die in het kader van dit onderzoek van belang zijn om te vermelden. Zij betekent dat enkele kiesrechtelijke uitgangspunten zich in de jurisprudentie van het Hof lastig laten uitkristalliseren. De margin of appreciation staat in sommige gevallen aan adequate bescherming van een uitgangspunt door het Hof in de weg. Het gevolg daarvan is dat verdragspartijen, bijvoorbeeld op grond van de specifieke politieke geschiedenis van of situatie in een land, met op het oog verstrekkende beperkingen wegkomen. Eerder noemde ik al de zaak Zdanoka/Latvia, waarin het Letland vrij stond om een ex-lid van een voormalige communistische partij van verkiezingsdeelname uit te sluiten. Ook kan men denken aan de zaak Yumak and Sadak/Turkey, waar het Hof oordeelde dat de door Turkije gehanteerde kiesdrempel van 10% niet in strijd was met artikel 3 Protocol 1 EVRM.1
Daarbij komt een tweede punt in beeld: het feit dat dergelijke beperkingen in andere landen door het EHRM zijn toegestaan, betekent niet per se dat zij ook in Nederland toegestaan zouden zijn.2 De oordelen zijn immers geveld met het oog op de specifieke situatie in de betreffende landen.3 Ter illustratie: wanneer de Nederlandse wetgever plotsklaps een kiesdrempel van 10% zou invoeren, is allerminst gezegd dat deze maatregelen de toets aan artikel 3 Protocol 1 EVRM zou doorstaan. Het EHRM zou in dat geval beoordelen of de beperking gelet op de Nederlandse situatie gerechtvaardigd zou zijn. Een en ander laat zien dat de jurisprudentie van het Hof dus enerzijds nadere invulling geeft aan de in artikel 3 Protocol 1 EVRM vervatte normen, maar dat zij zich anderzijds niet altijd laat toepassen op gelijksoortige beperkingen van andere lidstaten. Het werk van de Venice Commission, in het bijzonder de Code of Good Practice in Electoral Matters, voorziet in beter veralgemeniseerbare standaarden. Ook daar geldt echter, zoals ook de volgende hoofdstukken zal worden aangestipt, dat beperkingen op het kiesrecht, of regulering van het verkiezingsverloop meer in het algemeen, steeds beoordeeld moeten worden in het licht van de voor een lidstaat specifieke politieke situatie of geschiedenis.
Terugkerend naar het voorbeeld van de kiesdrempel van 10%: de introductie van een dermate hoge kiesdrempel zou overigens in strijd zijn met artikel 53 lid 1 Gw, waarin het beginsel van evenredige vertegenwoordiging is vastgelegd. Zonder grondwetswijziging zou een kiesdrempel van 10% naar nationaal constitutioneel recht ongeoorloofd zijn. Ook nationaal recht kan dus in de weg staan aan beperkingen die het EHRM in andere lidstaten toelaatbaar heeft geacht. De jurisprudentie van het EHRM is weliswaar richtinggevend, maar allerminst de enige factor van belang bij het bewerkstelligen van vrije en eerlijke verkiezingen.