Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.3.4.8
2.3.4.8 Toepassing op de stille cessie / Steunargumenten ontleend aan art. 3:62 BW en de parlementaire geschiedenis
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS589460:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Rongen & Verhagen 2003, p. 690. Het begrip recht in art. 7:423 BW dient op dezelfde wijze te worden uitgelegd als het begrip recht in titel 3.1 BW en titel 3.4 BW, namelijk als een goed of vermogensrecht. Een privatieve last kan niet in absolute zin de bevoegdheid van de lastgever beperken om een overeenkomst aan te gaan (in louter verbintenisrechtelijke zin is dat wel mogelijk). Zie ook J.J.A. de Groot 1995, p. 315. Vgl. Zie Kamerstukken II 17 779, nr. 8, p. 10. Mogelijk anders: Asser/Kortmann 5-III 1994, nr. 158 laatste alinea. De privatieve last kan betrekking hebben op beschikkingshandelingen. Zie HR 14 januari 2011, JIN 2011/241 (Mesdag), m.nt. J.W.A. Biemans; J.J.A. de Groot 1995, p. 315. Anders: Christiaans & Van Wechem 1995, p. 590; en Asser/Kortmann 5-III 1994, nr. 154 en Asser/Tjong Tjin Tai 7 -IV* 2009, nr. 281, heiden voor zover een akte van levering vereist is.
Vgl. bewaargeving en huur waar ook aan een derde op grond van de overeenkomst bevoegdheden worden toegekend ten aanzien van een goed. Groefsema neemt een afzonderlijke rechtsfiguur 'machtiging' aan op grond waarvan de bevoegdheid van de lasthebber om in eigen naam voor rekening van de lastgever rechtshandelingen te verrichten wordt gegrond. Zie Groefsema 1993. Vgl. Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 136; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 141.
Vgl. Asser/Kortmann5-III 1994, nr. 38 en 128; Bloembergen 1995, p. 878; Hijma, Van Dam, Van Schendel & Valk 2010, nr. 121.
Andere bepalingen die zich voor overeenkomstige toepassing lenen zijn art. 3:61 lid 2, 3:63 t/m 3:66 BW, art. 3:68-3:69 BW en art. 3:72 BW. Art. 3:67 BW (nader te noemen meester) leent zich niet voor overeenkomstige toepassing. Zie voor art. 3:61lid 2 en 3:69 BW, o.a. Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 103; en mijn noot (sub 4.2) onder HR 14 januari 2011, JIN 2011/241 (Mesdag).
Zie Kamerstukken II 1991-1992, 17 779, nr. 8, p. 7; vgl. Asser/Kortmann5-III 1994, nr. 171; Christiaans & Van Wechem 1995, p. 589; Tjittes 1990b, p. 112. Anders: Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 280.
Zie Kamerstukken II 1991-1992,17 779, nr. 8, p. 8; Kamerstukken II 1991-1992,17 779, nr. 13, p. 3; Leijten 1996, p. 420-422 en p. 423-424; Asser/Perrick 4* 2009, nr. 535. Zie voorts de vergelijking tussen de volmachtverlening tot beheer en de instelling van een bewind, T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 468, en de vergelijking tussen de privatieve last en het bewind, W. Snijders 1993, p. 236.
Zie Kamerstukken II 1991-1992, 17 779, nr. 8, p. 7-10; Tjittes 1990b, p. 112 en 114; W. Snijders 1993, p. 237-238; Uniken Venema & Eisma 1990, p. 209-212; Asser/Kortmann S-Ill 1994, nr. 168-169 en 171; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 283 en 287-288.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 11; en Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3. Zie hiervóór nr. 27-30. Vgl. Biemans 2004, p. 537.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3. Zie hiervóór nr. 27 en 30.
De Minister spreekt over het 'beheer' van de stil gecedeerde vordering en de daaraan verbonden zekerheidsrechten en over de stille cedent als 'beheerder' in het kader van securitisaties, Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 2 en 11. Zie in dezelfde zin ten aanzien van securitisaties, Ruys 2004, p. 84-86; en Reehuis 2004, nr. 87.
Zie art. 17 lid 2 van Richtlijn 2008/48/EG van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot in trekking van Richtlijn 87/102/EEG, dat bepaalt: 'De consument wordt geïnformeerd over de in lid 1 bedoelde overdracht, behalve indien de oorspronkelijke kredietgever, in overleg met de nieuwe houder van de schuldvordering, tegenover de consument het krediet verder beheert.' Vgl. ook overweging 41 van de Richtlijn.
52. De bevoegdheden zullen in de regel aan de stille cedent worden toegekend in het belang van de stille cessionaris als de rechthebbende van de stil gecedeerde vordering. De bevoegdheden van de stille cedent hebben betrekking op één bepaald goed, namelijk de stil gecedeerde vordering.
Wordt de stille cessie in het hiervoor gegeven schema geplaatst, dan is de normale verwachting dat de stille cedent beheersbevoegd is, en op grond daarvan ook inningsbevoegd. De stille cessie vertoont meer overeenkomsten met (bijvoorbeeld) bewind dan met pand. Op grond van de systematische analyse zou de stille cedent met uitsluiting van de stille cessionaris beheersbevoegd zijn (en derhalve ook exclusief inningsbevoegd). Omdat de bevoegdheden van de stille cedent voortvloeien uit lastgeving, zou bij de stille cessie derhalve een privatieve last (art. 7:423 BW) voor de hand liggen op grond waarvan de stille cedent als lasthebber met uitsluiting van de stille cessionaris als lastgever beheersbevoegd is.1 Voor zover beschikkingshandelingen geen beheershandelingen zijn, ligt het op grond van de systematische analyse in de verwachting dat de stille cedent hiertoe alleen met medewerking of toestemming van de stille cessionaris bevoegd is. Tot deze handelingen zou de stille cedent derhalve niet exclusief bevoegd zijn. Met de toekenning van de beheersbevoegdheid aan de stille cedent, is nog niet bekend waartoe de stille cedent precies bevoegd is. De precieze inhoud van de beheersbevoegdheid hangt af van de omstandigheden van het geval. De (mogelijke) inhoud van de beheersbevoegdheid ten aanzien van vorderingen is in de literatuur niet onderzocht. Aanwijzingen voor de (mogelijke) inhoud van de beheersbevoegdheid bestaan, maar zijn niet bij een regeling te vinden. Zij komen verspreid voor in de wet, de rechtspraak en de literatuur.
53. Voor de opvatting dat de stille cedent als lasthebber exclusief beheersbevoegd is en alleen met toestemming van de stille cessionaris ook bevoegd is tot andere rechtshandelingen, bieden de regeling van volmachtverlening en de parlementaire geschiedenis bij art. 7:423 BW steun.
Hoewel bij volmachtverlening partijen vrij zijn om de inhoud van de volmacht te bepalen, bieden de vormvoorschriften in art. 3:62 BW aanwijzingen over de mogelijke omvang van de bevoegdheden van de stille cedent. Met name art. 3:62 lid 2 BW is voor de stille cessie van belang. Het bepaalt dat een bijzondere volmacht die in algemene bewoordingen is verleend, zich slechts uitstrekt tot daden van beschikking indien dit ondubbelzinnig is bepaald. Niettemin strekt een volmacht die voor een bepaald doel is verleend, zich uit tot alle daden van beheer en van beschikking die dienstig kunnen zijn tot het bereiken van dit doel. Als voor het innen van een vordering een volmacht wordt verleend, wordt deze voor een bepaald doel verleend. De volmacht strekt zich dan uit tot alle daden van beheer en beschikking die dienstig kunnen zijn tot de inning van de vordering. Verplicht de lastgeving de lasthebber om te handelen in naam van de lastgever (art. 7:414 lid 2 BW), dan veronderstelt de lastgeving tevens een volmacht en is art. 3:62 lid 2 BW rechtstreeks van toepassing. Gaat het om een last tot inning in eigen naam, dan volgt de toekenning van de bevoegdheden uit de lastgeving zelf.2 Een wettelijke regeling voor de lasthebber die in eigen naam handelt, zoals bij volmachtverlening, ontbreekt.3 De bepalingen van de regeling inzake volmacht lenen zich voor overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de bepalingen zich daartegen verzet. Art. 3:62 lid 2 BW is naar mijn mening van overeenkomstige toepassing op een last tot inning in eigen naam.4 Is aan de stille cedent een last tot inning verleend, dan strekt de last zich uit tot alle daden van beheer en beschikking die dienstig kunnen zijn tot de inning van de vordering.
Uit de parlementaire geschiedenis bij art. 7:423 BW blijkt voorts dat de wetgever de privatieve last onder meer heeft bedoeld voor de cessie ter incasso,5 waarmee door de wetgever wordt bedoeld een last tot inning in eigen naam,6 en dat de privatieve last ter vervanging heeft gediend van de niet ingevoerde titel inzake bewind (titel 3.6 Ontw.BW).7 Bij de privatieve last wordt in de regel aangenomen dat deze bedoeld is voor het beheer van goederen; en bij de privatieve last tot inning wordt aangenomen dat deze bedoeld is voor het beheer van de vordering, en derhalve niet alleen voor de inning daarvan in strikte zin.8 Gelet op het rechtskarakter van de stille cessie biedt de parlementaire geschiedenis in zoverre steun dat bij de stille cessie het in de normale lijn der verwachtingen ligt dat, ten eerste, de stille cedent exclusief bevoegd is, en, ten tweede, dat aan de stille cedent in het kader van het beheer van de stil gecedeerde vordering vergelijkbare bevoegdheden toekomen als een bewindvoerder. Dit stemt overeen met de inzichten ontleend aan het hiervoor gegeven overzicht.
54. Ook de parlementaire geschiedenis bij de invoering van art. 3:94 lid 3 BW beidt voor het voorgaande aanknopingspunten. AI eerder is opgemerkt dat de Minister van mening is dat de stille cedent exclusief inningsbevoegd is.9 En ondanks dat de Minister zich bij de invoering van de stille cessie op het standpunt heeft gesteld dat de regeling van de stille cessie en de regeling van de stille verpanding "met elkaar in de pas dienen te lopen",10 bevat de parlementaire geschiedenis bij de invoering van art. 3:94 lid 3 BW voldoende aanwijzingen dat eigenlijk ook de Minister van mening is dat bij de stille cessie in de regel sprake zal zijn van het beheer over de vordering.11 Ook de Europese wetgever heeft zich in het kader van de stille overdracht van rechten uit een kredietovereenkomst in deze zin uitgelaten.12