Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.3.4
9.3.4 Oproeping vermogensverschaffers
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192736:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 383 lid 6 Fw; Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 66-67. Art. 10 lid 4 Herstructureringsrichtlijn schrijft voor dat de rechter “(…) op efficiënte wijze, met het oog op een voortvarende behandeling van de kwestie” een beslissing neemt. De maximale termijn van 30 dagen, die het Richtlijnvoorstel nog bevatte, is uit de finale tekst verdwenen.
Art. 383 lid 5 Fw. In onderdeel G van het Voorstel van Wet is voorzien in een aanpassing van art. 362 lid 2 Fw. Behalve art. 262 Rv en art. 269 Rv (inzake relatieve bevoegdheid), zijn de bepalingen uit de algemene titel voor verzoekschriftprocedures niet van toepassing op verzoeken in het kader van een WHOA-procedure. De wetgever acht dit noodzakelijk vanwege de specifieke aard van de insolventieprocedure. Vgl. Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 71. In het Voorontwerp WCO II sloot de wetgever voor de oproepingsvoorschriften expliciet aan bij de oproepingsvereisten die gelden in het kader van de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (‘WCAM’), vgl. art. 376 Voorontwerp WCO II en de concept MvT Voorontwerp WCO II, p. 73-74.
Vgl. §8.5.1.
489. Op grond van art. 383 lid 4 Fw bepaalt de rechtbank “zo spoedig mogelijk” bij beschikking de datum van de zitting waarop zij de homologatie zal behandelen. Deze zitting wordt gehouden minstens acht, maar maximaal veertien dagen nadat het verslag van de stemming(en) ter inzage is gelegd bij de griffie.1 De aanbieder van het akkoord geeft van de beschikking van de rechtbank “onverwijld schriftelijk kennis” aan de stemgerechtigden.2
De WHOA schrijft voor dat de oproeping schriftelijk dient te geschieden. Op dit punt is de WHOA dus strenger dan ten aanzien van de oproeping voor de stemming, die immers op elke passende wijze kan geschieden.3 Waarom voor de oproeping voor de homologatie wél het schriftelijkheidsvereiste wordt gesteld, wordt niet toegelicht. Deze beperking lijkt mij onnodig. Het lijkt redelijk op dit punt een soortgelijke zorgvuldigheidsnorm te hanteren als de norm die zou moeten gelden bij de oproeping voor de stemming, zoals besproken in §8.5.1 en 8.5.2. De vermogensverschaffers moeten immers in staat worden gesteld om eventuele bezwaren tegen de homologatie daadwerkelijk naar voren te brengen. Dat kunnen zij doen tot aan de dag van de homologatiezitting.4 Het tijdvak tussen oproeping en homologatie wordt door de rechter bepaald en niet – zoals het geval is bij de oproeping voor de stemming – door de aanbieder. Een termijn van acht tot maximaal veertien dagen nadat de uitslag van de stemming ter inzage is gelegd, is kort. Het kan bijvoorbeeld niet zo zijn dat de schuldeisers feitelijk slechts drie dagen de tijd hebben om zich te beraden op eventuele bezwaren én deze kenbaar te maken aan de rechter. Het is daarom terecht dat de aanbieder van het akkoord de beschikking van de rechtbank onverwijld aan de betrokken vermogensverschaffers moet bekendmaken.