Grensoverschrijdende overgang van onderneming
Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/2.10.1:2.10.1 Ontslag wegens overgang van onderneming
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/2.10.1
2.10.1 Ontslag wegens overgang van onderneming
Documentgegevens:
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg
- JCDI
JCDI:ADS437109:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 15 april 1986, C-237/84 (Commissie/België).
HvJ EG 15 juni 1988, NJ 1990, 247 (Bork).
HvJ EG 12 maart 1998, NJ 1999, 143 en JAR 1998/100 (Dethier/Dassy) punt 41.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 4 lid 1 van de richtlijn overgang van onderneming bepaalt omtrent overgang van onderneming en ontslag:
‘1. De overgang van de onderneming, vestiging of onderdeel van de onderneming of vestiging vormt op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag. Deze bepaling vormt geen beletsel voor ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen.
De lidstaten mogen bepalen dat de eerste alinea niet van toepassing is op bepaalde welomschreven categorieën werknemers waarop de wettelijke voorschriften of het gebruik van de lidstaten inzake bescherming tegen ontslag geen betrekking hebben.’
Zowel uit de bewoordingen van artikel 4 lid 1 van de richtlijn overgang van onderneming als uit de structuur van de richtlijn blijkt dat de betrokken bepaling is gericht op het behoud van de rechten van de werknemers, door de krachtens het nationale recht verzekerde bescherming tegen ontslag door de werkgever uit te breiden tot het geval van verandering van werkgever in het kader van de overgang van een onderneming.1 Artikel 4 lid 1 van de richtlijn is van toepassing op iedere situatie waarin de bij de overgang betrokken werknemers op grond van het nationale recht een – zij het ook maar beperkte – bescherming tegen ontslag genieten, zodat deze bescherming ingevolge de richtlijn hun niet enkel wegens de overgang geheel of gedeeltelijk mag worden ontnomen.
De werknemers van de onderneming, wier arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking in strijd met artikel 4 lid 1 richtlijn overgang van onderneming is beëindigd met ingang van een datum vóór die van de overgang, worden geacht op de datum van overgang nog steeds in dienst van de onderneming te zijn, hetgeen met name tot gevolg heeft dat de verplichtingen van de werkgever jegens hen overeenkomstig artikel 3 lid 1 van de richtlijn van rechtswege van de vervreemder op de verkrijger overgaan.2 Om uit te maken of de overgang, in strijd met artikel 4 lid 1 van de richtlijn overgang van onderneming de enige reden was voor het ontslag, moet worden gelet op de objectieve omstandigheden waarin het ontslag is gegeven en meer in het bijzonder op de omstandigheid dat het nagenoeg gelijktijdig met de overgang is ingegaan en dat de betrokkenwerknemers door de verkrijger opnieuw in dienst zijn genomen. Een ontslag wegens overgang van onderneming werd door het Hof van Justitie dus nietig geacht.
In het arrest Dethier/Dassy oordeelde het Hof van Justitie dat in geval van een onwettig ontslag kort voor de overgang de arbeidsovereenkomst van de betrokken werknemer als nog bestaand dient te worden beschouwd ten opzichte van de verkrijger, ook al heeft deze hem niet overgenomen. De werknemer kan zich dan tegenover de verkrijger op de onwettigheid van het ontslag beroepen.3