Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/8.2.1
8.2.1 Bestaande en toekomstige schulden
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250338:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 7.2.3, voor het moment dat de moedermaatschappij een beroep kan doen op de intrekking van de 403-verklaring.
Kamerstukken II 1983/84, 16551, 11, p. 15 (NnavhEV), Van Achterberg 1989, p. 229, Bartman 2002, p. 24-25, Van Wijngaarden 2006a, p. 619, Zwemmer 2012, p. 238-239, Beckman – SDU Commentaar Ondernemingsrecht 2019, art. 2:404 BW, aant. C.1, Van Zoest 2019, p. 32-33, E.C.A. Nass 2019, p. 141 en 231 en Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, p. 226-227. Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 16 april 2009, JOR 2009/161, m.nt. Van der Zanden (BosGijze/Jones Lang LaSalle), r.o. 5.5.1-5.5.2. Zie Zwemmer 2011, p. 231-232, die het wenselijk vindt dat art. 2:404 lid 2 BW wordt gewijzigd, zodat een moedermaatschappij slechts aansprakelijk is voor de schulden die tot één jaar na de intrekking van de 403-verklaring voortvloeien uit een rechtshandeling die de 403-maatschappij heeft verricht tot het moment dat de moedermaatschappij tegenover de crediteur een beroep kan doen op de intrekking. In tegenstelling tot Zwemmer zie ik echter geen reden voor deze beperking van de reikwijdte van de overblijvende aansprakelijkheid. De crediteuren hebben weliswaar weer de mogelijkheid om de jaarrekening van de 403-maatschappij in te zien. Maar als daaruit blijkt dat er een aanzienlijk risico is dat de 403-maatschappij niet in staat zal zijn haar schulden te voldoen en de crediteuren zich niet meer op de moedermaatschappij kunnen verhalen, worden zij hierdoor aanzienlijk benadeeld. Dit geldt in het bijzonder voor de crediteuren die een duurovereenkomst zijn aangegaan met de 403-maatschappij waaruit periodiek nieuwe vorderingen voortvloeien – ook meer dan een jaar na de intrekking van de 403-verklaring.
Als een moedermaatschappij haar 403-verklaring heeft ingetrokken, blijft zij op grond van art. 2:404 lid 2 BW aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht tot het moment dat de moedermaatschappij tegenover de crediteur een beroep kan doen op de intrekking.1 Dit betreft alle bestaande en toekomstige schulden die voortvloeien uit deze rechtshandelingen. Dus ook de schulden die ontstaan nadat de moedermaatschappij een beroep kan doen op de intrekking van de 403-verklaring.2 Als de 403-maatschappij bijvoorbeeld voor de intrekking van de 403-verklaring een arbeidsovereenkomst met een werknemer is aangegaan, is de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk voor alle bestaande en toekomstige schulden van de 403-maatschappij die uit deze overeenkomst voortvloeien. Dit wordt niet anders als de moedermaatschappij nadien de 403-verklaring intrekt.