Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/5.5.2
5.5.2 De strafrechter
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS465706:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie T&C Sr, aantekening 1, bij artikel 24 Sr.
In sommige Scandinavische landen denkt men daar overigens anders over. Zo kent Finland een systeem van inkomensafhankelijke verkeersboeten, dat tot absurde boetebedragen kan leiden (http://www.ad.nl/ad/nl/5597/Economie/article/detail/1968366/2010/04/02/Waarom-wel-geen-inkomensafhankelijke-boetes.dhtml). Zie ook Kamerstukken II, vergaderjaar 1977-1978, 15 012, nrs.1- 3, p. 20.
Noyon/Langemeijer, artikel 24 Sr, aantekening 2. Zie ook Vegter, Handboek Strafzaken, par. 55.1.9 over het draagkrachtbeginsel.
Aldus Vegter, Handboek Strafzaken, par. 55.1.9.
Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken, versie december 2016, p. 19 (www.rechtspraak.nl).
Hoge Raad 7 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB9630 (NJ 1986, 440, met (kritische) noot Van Veen). Overigens beschikte het hof wel degelijk over het gegeven dat de verdachte constructiebankwerker was, en had dus vrij eenvoudig – door raadpleging van de cao-bepalingen – een beeld van het inkomen van de verdachte kunnen verkrijgen.
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7663.
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 3 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8652. De verdachte, die een geldboete van € 100.000 door het hof opgelegd kreeg, had onder meer gesteld failliet te zijn gegaan en geen vermogen te hebben.
Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen, onderdeel 7, nr. 2015A001, Stcrt. 2015, 4952 (zie www.om.nl). Ook bij het aanbieden van hoge en bijzondere transacties moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de verdachte (Aanwijzing hoge transacties en bijzondere transacties, voetnoot 3, nr. 2008A021, Stcrt. 2008, nr. 209).
Bij het opleggen van een geldboete moet de strafrechter op grond van artikel 24 Sr rekening houden met de draagkracht van de verdachte. Artikel 24 Sr luidt: “Bij de vaststelling van de geldboete wordt rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin dat nodig is met het oog op een passende bestraffing van de verdachte zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen”. Hieruit volgt dat het draagkrachtbeginsel een secundaire functie vervult: eerst wordt een passende straf bepaald die is afgestemd op de ernst van het feit (delictevenredigheid) en daarna wordt bezien of die passende straf mogelijk een onevenredige inbreuk is op zijn financiële positie.1 Het is dus niet de bedoeling dat een boete zonder meer kan worden verhoogd voor een vermogende verdachte, omdat hij er anders ‘niets van zou voelen’.2 Daarentegen kan een boete voor een minder/onvermogende verdachte niet ongelimiteerd naar beneden worden bijgesteld; er moet wel sprake blijven van een ‘passende’ bestraffing. Het draagkrachtbeginsel heeft dus een beperkte reikwijdte, in die zin dat het slechts tot bijstelling van een voorgenomen boete kan leiden binnen de marges van een passende bestraffing.
Volgens de wetgever heeft het draagkrachtbeginsel in strafzaken een andere betekenis dan in het fiscale recht – bedoeld zal zijn het materiële fiscale recht – of in het sociale zekerheidsrecht. In de strafrechtelijke literatuur wordt hierover opgemerkt dat het strafrechtelijke draagkrachtbeginsel – anders dan de fiscale benadering van dit beginsel – niet te ‘technisch’ moet worden opgevat. Het dient slechts ter verzekering van een zekere materiële gelijkheid in de straftoemeting.3 In de Memorie van Antwoord bij de Wet Vermogenssancties gaat de wetgever in op deze specifieke, beperkte normerende werking van het draagkrachtbeginsel in het strafrecht:
“Bij het uitwerken van concept-richtlijnen over de toepassing van het draagkrachtbeginsel door het openbaar ministerie is gebleken dat een verantwoorde toepassing van dit beginsel meebrengt dat men moet aannemen dat de financiële draagkracht van de verdachte in het algemeen op het niveau van het minimuminkomen ligt. Met andere woorden: bij de toepassing van vermogenssancties is de «gemiddelde draagkracht» in beginsel de minimale draagkracht.
Voor de toepassing van artikel 24 is deze constatering niet onbelangrijk:
in het merendeel der gevallen zal de rechter bij de vorming van zijn oordeel of de geldboete een passende sanctie is, van de minimale draagkracht moeten uitgaan waarop in beginsel geen correctie naar beneden meer mogelijk is;
de toepassing van het draagkrachtbeginsel zal vooral moeten plaatsvinden op de minderheid van de verdachten, die een financiële draagkracht heeft welke duidelijk boven het minimum ligt; waar toegepast, zal het draagkrachtbeginsel dus in de regel een correctie naar boven van de geldboete moeten inhouden;
waar een aparte toepassing van het draagkrachtbeginsel slechts in betrekkelijke uitzonderingsgevallen zal plaatsvinden, is het weinig zinvol het openbaar ministerie en de rechter voor te schrijven dat zij boven een bepaald boetebedrag, steeds aangeven in hoeverre met de draagkracht van de verdachte is rekening gehouden.”4
Samenvattend kan gesteld worden, dat het draagkrachtbeginsel van artikel 24 Sr dus slechts in uitzonderlijke gevallen zal worden toegepast op de meer welgestelde verdachte, met als gevolg dat toepassing in deze uitzonderlijke gevallen veelal een strafverhogend effect zal kunnen sorteren. Daarmee is artikel 24 Sr niet meer dan ‘een vage intentieverklaring die bij de rijke verdachte tevens nog een rem vormt ’.5 Want ook de rijke verdachte zal geen boete mogen worden opgelegd die uitstijgt boven de bovengrens van de marge van een passende straf.
Over de wijze van onderzoek van de rechter naar de financiële positie van de verdachte, heeft de wetgever het volgende opgemerkt:
“Anders dan bij de proportionele boetestelsels zal de rechter bij hantering van het draagkrachtbeginsel volgens artikel 24, de inkomens- en vermogenspositie van de verdachte niet zo nauwkeurig mogelijk behoeven vast te stellen. Hij zal kunnen volstaan met hem bekende feiten of omstandigheden. Daaronder zijn begrepen feiten of omstandigheden die op grond van de ervaring of uit anderen hoofde bekend zijn, en natuurlijk ook gegevens die de verdachte zelf heeft verstrekt.”6
Volgens de wetgever kan de rechter dus volstaan met een algemeen, beeldvormend onderzoek en hoeft hij daarbij niet al te actief te werk te gaan. Dit is slechts anders, als de rechter een hoge boete wil opleggen en de verdachte – vermoedelijk in strijd met de werkelijkheid – aangeeft dat hij over weinig financiële middelen beschikt.7
In de oriëntatiepunten die de strafrechter hanteert voor straftoemeting,8 wordt de draagkracht van de verdachte slecht bij één categorie van delicten genoemd, namelijk bij fraudezaken. Daaronder vallen ook de fiscale fraudezaken. De rechter is niet gehouden om op grond van de oriëntatiepunten onderzoek te doen naar de financiële draagkracht van de verdachte. Daarnaast vermelden de oriëntatiepunten niet of de financiële draagkracht in strafverzwarende of strafverminderende zin in aanmerking moet worden genomen en in welke mate dit vervolgens moet gebeuren. De normerende werking van de oriëntatiepunten lijkt mij derhalve op dit punt vrij beperkt.
De normering van het draagkrachtonderzoek verloopt in de rechtspraak veelal over de band van het motiveringsbeginsel (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.3.4). Een enkele keer blijkt uit een uitspraak dat de rechter (nader) onderzoek had moeten (laten) doen. Zo bepaalde de Hoge Raad dat het gerechtshof – bij gebrek aan financiële gegevens over de verdachte – niet uit mocht gaan van de aanname, dat elke volwassene in Nederland in staat moet zijn om een boete van 750 gulden (maximum eerste categorie) te betalen.9
Over het algemeen zal de rechter kunnen volstaan met een standaardmotivering over de draagkracht van de verdachte.10 Dit is slechts anders als de hoogte van de geldboete(n) in verhouding tot de ernst van het feit verbazing wekt, of als de verdachte een specifiek draagkrachtverweer aanvoert. Is dit laatste het geval, dan zal de rechter de aannemelijkheid van het draagkrachtverweer moeten onderzoeken.11
De OvJ
Ook de OvJ moet bij het bepalen van de strafeis op grond van de strafvorderingsrichtlijnen oog hebben voor de draagkracht van de verdachte:
Indien aannemelijk is dat er sprake is van verminderde draagkracht kan dat een reden zijn om de geldboetesanctie of strafeis te matigen. Het kan echter ook reden zijn om een betaling in termijnen op te leggen, de geldboete om te zetten naar een andere sanctie of een voorwaardelijke boete te eisen.12
Overigens blijkt uit deze passage niet hoe actief de OvJ zich moet opstellen bij het bepalen van de draagkracht van de verdachte. Vermoedelijk zal het vaak aan de verdachte zelf worden overgelaten om draagkrachtverweren aan te voeren om zo een (nader) draagkrachtonderzoek bij de OvJ te initiëren.