Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/7.5.2:7.5.2 De onderzoeksplicht en klachttermijn van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/7.5.2
7.5.2 De onderzoeksplicht en klachttermijn van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973568:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onderzoek naar de verhouding tussen de wettelijke klachtplichten en de korte verjaringstermijnen in dit boek liet zien dat over de band van een geobjectiveerd aanvangsmoment van de klachttermijn (door het aannemen van een onderzoeksplicht) klachtplichtberoepen worden gehonoreerd waardoor het verjaringsrecht de pas wordt afgesneden. Dat zou kwestieus gevonden kunnen worden wanneer een schuldeiser al te gemakkelijk op grond van art. 6:89 of 7:23 lid 1 BW een onderzoeksplicht wordt opgelegd.
De conclusie in dit boek is evenwel dat met het aannemen van een onderzoeksplicht niet licht wordt omgesprongen. Weliswaar wordt zelfs in gevallen waarin op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad de meeste terughoudendheid moet worden betracht bij het opleggen van een onderzoeksplicht nog weleens zo’n plicht aangenomen. De indruk die de in dit boek bestudeerde rechtspraak wekt, is echter dat vooral in voor de hand liggende gevallen met zo’n geobjectiveerd aanvangsmoment van de klachttermijn wordt gewerkt.
Vervolgens werd geconcludeerd dat de rechtspraak van de Hoge Raad, waarin voor de indamming van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW vooral is gesleuteld aan die termijn, effectief is. In dit verband werd geconcludeerd dat de nadeelfactor eigenlijk niet weg is te denken bij de beoordeling van de redelijkheid van de in acht genomen klachttermijn van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW. Dat valt toe te juichen. De klachtplichten moeten in feite geschaard worden onder de rechtsverwerkingscategorie waarbij onredelijke schuldenaarsbenadeling als gevolg van het handelen van de schuldeiser het hem belet om zijn vordering nog geldend te maken. Daarbij past dat in afwezigheid van schuldenaarsnadeel een klachtplichtberoep niet goed denkbaar is. Het is vooral dit beoordelingskader dat ertoe heeft geleid dat honorering van een klachtplichtberoep een uitzonderingskarakter heeft gekregen, wat past bij het Obliegenheit-karakter van de klachtplichten.
Toch is er ruimte voor kritiek. De focus op de termijn heeft als risico dat uit het oog wordt verloren dat de klachtplichten zijn geschreven voor gevallen met een scherp omlijnd klaagmoment. Dat sluit ook aan bij het perspectief van de klachtplicht als consistentieplicht. Tijdsverloop, of de lengte van een in het gegeven geval in acht genomen klachttermijn, is niet het scharnierpunt waarop een klachtplichtberoep moet worden beoordeeld. Het gaat om het missen van een specifiek klachtmoment met onomkeerbare gevolgen. In rechtspraak in feitelijke instanties leidt de benadering van de Hoge Raad soms tot focus op de termijn, waar in feite een geval met een scherp klaagmoment aan de orde is.