De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.6.4.1:8.6.4.1 Inleiding
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.6.4.1
8.6.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366047:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:113/223 BW.
Zie over deze problematiek ook par. 15.4.
Parl. Gesch. Boek 3 (Vermogensrecht in het algemeen), p. 899 en 900.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aangezien de ondernemingskamer geboden kan opleggen, is tevens denkbaar dat een persoon wordt geboden om een rechtshandeling te verrichten. In par. 13.3 wordt daarvan een voorbeeld besproken. Een andere eventueel mogelijk gebod tot het verrichten van een rechtshandeling is het bijeenroepen van een aandeelhoudersvergadering,1 mits als dit niet strijdig is met art. 2:111/121 BW.2
De verplichting om een rechtshandeling te verrichten kan worden afgedwongen door middel van reële executie. Er bestaan twee varianten van reële executie: reële executie in de vorm dat een rechterlijke uitspraak de kracht van een akte krijgt (waarover par. 8.6.4.2 en 8.6.4.3) en reële executie in de vorm van dwangvertegenwoordiging (waarover par. 8.6.4.4 en 8.6.4.5). Om deze twee vormen van reële executie van elkaar te onderscheiden, zal ik de eerste variant “reële executie” noemen en de tweede variant “dwangvertegenwoordiging”.
Het gaat in beide gevallen om een discretionaire bevoegdheid die de rechter met voorzichtigheid dient toe te passen.3