Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/15.3.1
15.3.1 Achtergrond
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947746:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie, voor het feit dat het hier om de Kamer in oude samenstelling gaat, art. 2.1 lid 4
De burgerlijke rechter zal zich, op grond van de objectum litis-leer, wel bevoegd verklaren, maar in de literatuur wordt aangenomen dat hij zich inhoudelijk niet over het geschil zal uitlaten. Vgl. Van Vught 2015, p. 28-32; Broeksteeg 2020, p. 214. Ook de Kiesraad voorziet dit: Kiesraad 2021c, p. 3. Michel is een andere mening toegedaan: Michel 2012, p. 2181. Ook de ABRvS voorziet dat er een effectieve rechtsgang openstaat bij de burgerlijke rechter: ABRvS 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1520. Mijns inziens zal de burgerlijke rechter zich inderdaad bevoegd verklaren, maar zich, wellicht tenzij sprake is van zeer ernstige onregelmatigheden, terughoudend opstellen in het licht van art. 58 Gw en het daaraan ten grondslag liggende beginsel van de machtenscheiding. De rechter zal het oordeel van de Tweede Kamer respecteren, zodat een beroep geen kans van slagen heeft. Van een ‘effectieve rechtsgang’ kan in die gevallen niet gesproken worden.
Bovend’Eert & Kummeling 2017, p. 114-115.
Zie Van Vught 2015, p. 12-13.
De Kieswet spreekt niet over een hertelling, maar over een ‘nieuwe opneming van de stembiljetten’. Daarbij kan het gaan om het slechts opnieuw tellen van de stemmen, maar ook bijvoorbeeld om het beoordelen van de geldigheid van uitgebrachte stemmen. Ik schaar al deze situaties onder de noemer ‘hertelling’.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen komt dit vaker voor. Zie daarover Veenstra & Brüheim 2018.
Zie Broeksteeg 2020, p. 213-214.
Handelingen II 2020/2021, nr. 62, item 3, p. 1.
Tot 1 januari 2023 was deze periode nog korter, te weten acht dagen. Omdat de procedure met een aantal controletaken werd uitgebreid, werd die termijn echter met vijf dagen verlengd. Zie Kamerstukken II 2019/20, 35489, nr. 3, p. 2.
Broeksteeg 2020, p. 214.
Blijkens het bovenstaande is de procedure van de vaststelling van de verkiezingsuitslag zo ingericht dat fouten in een vroeg stadium worden verholpen en bezwaren al tijdens de telprocedure kunnen worden ingebracht. Als de uitslag eenmaal is vastgesteld, dan zijn de mogelijkheden daartoe duidelijk beperkter. De verkiezingsuitslag, zoals die wordt vastgesteld door het centraal stembureau, kan niet bij de bestuursrechter worden aangevochten. De Awb zondert besluiten inzake de vaststelling van de verkiezingsuitslag uit van beroep bij de bestuursrechter. 1Achtergrond van deze uitzondering is de opvatting dat met een beroepsmogelijkheid ‘de gang van zaken tijdens de verkiezing (…) op onaanvaardbare wijze [zou] kunnen worden verstoord’.2 Zou rechterlijk beroep tegen de verkiezingsuitslag open staan, dan zouden tal van procedures de verkiezingsuitslag op losse schroeven kunnen zetten, hetgeen het verkiezingsproces aanzienlijk zou vertragen. In dit stelsel komt het belang van een voorspoedig verkiezingsverloop tot uitdrukking.
De eenmaal vastgestelde verkiezingsuitslag kan, in het geval van Tweede Kamerverkiezingen, slechts door de Tweede Kamer zelf worden ‘opengebroken’. Artikel 58 Gw geeft de Kamer deze bevoegdheid en luidt als volgt: ‘Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.’ Het onderzoek naar de geloofsbrieven blijft hierna verder buiten beschouwing. De kern van artikel 58 Gw is dat het te allen tijde de Kamer zelf is die, in oude samenstelling, beslist over de toelating van nieuwe leden en geschillen die omtrent hun verkiezing rijzen.3 Voor een rechterlijk oordeel is geen plaats.4 Werd hierboven al duidelijk dat de bestuursrechter zich niet over de rechtmatigheid of juistheid van de verkiezingsuitslag kan uitlaten, ook de burgerlijke rechter, als ‘restrechter’, zal daar gelet op artikel 58 Gw in de meeste gevallen geen oordeel over kunnen geven. 5De ratio van dit systeem moet gezocht worden in het principe van de machtenscheiding. Het belang van een zelfstandige en onafhankelijke positie van de volksvertegenwoordiging ten opzichte van de andere staatsmachten is steeds reden gebleven om de beslissing omtrent verkiezingsgeschillen niet bij een ander overheidsorgaan te leggen.6 Al in de Grondwet van 1815 werd de bevoegdheid tot het beslechten van verkiezingsgeschillen aan de Kamers toebedeeld.7 Bij de grondwetsherziening van 1917 werd, door het toevoegen van de zinsnede ‘voorzover de wet niet anders bepaalt’, de mogelijkheid geschapen om berechting van verkiezingsgeschillen aan de rechterlijke macht op te dragen, maar in 1983 werd de zinsnede weer verwijderd.8
De Commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven is belast met het uitbrengen van een verslag aan de Tweede Kamer over het verkiezingsverloop, de vaststelling van de uitslag en de toelating van de leden.9 De Kamer is formeel niet gebonden aan de bevindingen van de Commissie, maar neemt in de praktijk wel haar conclusies over. Blijkens de Kieswet staan de Tweede Kamer vervolgens bij het beslechten van verkiezingsgeschillen twee middelen ter beschikking. De Kamer kan besluiten tot een hertelling (artikel V 4a Kw)10 of tot het ongeldig verklaren van de stemming in één of meer stembureaus, waarop een herstemming volgt (artikel V 6 Kw). Het is dan aan het centraal stembureau om daarop, voor zover nodig, een nieuwe verkiezingsuitslag vast te stellen. 11De ongeldigheid van de stemming staat niet in de weg aan de benoeming van de Kamerleden op wier verkiezing de ongeldigheid geen invloed kan hebben.12 De bevoegdheid tot het gebruik van deze middelen is in de wet niet nader ingekaderd. 13In de vorige paragraaf kwam aan de orde dat het centraal stembureau tijdens de zitting ter vaststelling van de uitslag slechts tot hertelling kan besluiten als de (vermoedelijke) fouten van invloed kunnen zijn op de zetelverdeling. Dit criterium ontbreekt voor de bevoegdheid van de Tweede Kamer. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid om een herstemming te gelasten, waarbij het bovendien opmerking verdient dat de Tweede Kamer daartoe het exclusieve recht heeft: het centraal stembureau kan daartoe niet overgaan.
De Kamer past deze bevoegdheden, in ieder geval voor zover het de Tweede Kamerverkiezingen betreft, in de praktijk zelden toe. 14In 1998 werd tot een hertelling besloten, toen bleek dat een deel van de stemmen uit de gemeente Gramsbergen, aanvankelijk niet was meegeteld. Toen dit alsnog gebeurde, rezen bij de Commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven twijfels omtrent de juistheid van de vaststelling van de verkiezingsuitslag. De laatste restzetel was mogelijk aan de verkeerde kandidaat toegewezen, waarop het centraal stembureau de opdracht kreeg om de verkiezingsuitslag opnieuw vast te stellen. 15In 2021 werd een hertelling gelast voor een stembureau in Ede, waar aanvankelijk 43 stemmen leken te missen. Na hertelling bleken er echter drie stemmen te veel uitgebracht. Er schortte nog meer aan het oorspronkelijke proces-verbaal. Zo ontbraken daarop vijf lijsten, bleken sommige lijsten fors meer stemmen te hebben gekregen dan door het stembureau gemeld en waren uitgebrachte voorkeurstemmen onjuist weergegeven. 16Ook in 2023 gaf de Tweede Kamer opdracht tot een hertelling, nadat in een aantal stembureaus in Tilburg een onverklaarbaar verschil van meer dan 15 stemmen was geconstateerd. Na de hertelling waren de verschillen (grotendeels) verdwenen. 17In al deze gevallen leidde hertelling niet tot een andere zetelverdeling. Tot een herstemming is het nooit gekomen. Van substantiële onrechtmatigheden bij de verkiezingen die daartoe aanleiding zouden kunnen zijn, is tot op heden niet gebleken.
Tot slot verdient het nog opmerking dat hertelling en herstemming slechts uitkomst kunnen bieden voordat de nieuwe Kamerleden zijn toegelaten. Daarbij is van belang dat de periode tussen de stemmingen en de eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer beperkt is tot dertien dagen. 18Komen onregelmatigheden bij het tellen van de stemmen of het verloop van de stemming daarna pas aan het licht, dan kunnen zij geen gevolgen meer hebben voor de verkiezingsuitslag. Deze situatie deed zich voor bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2017, toen pas na de toelating van de nieuwe Kamerleden duidelijk werd dat een aantal stemmen in de gemeente Boxmeer niet was meegeteld.19 Aan deze onregelmatigheid konden daarom geen gevolgen meer worden verbonden.