Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/16.8.5:16.8.5 Conclusie/eigen mening
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/16.8.5
16.8.5 Conclusie/eigen mening
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS484841:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wijting 2000, p. 386.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Allereerst zou ik willen opmerken dat, gelet op alle onduidelijkheden, een wettelijke regeling nodig is.1
De oplossing zou dan naar mijn oordeel vanuit praktisch oogpunt aangedragen moeten worden. Daarbij dienen zich slechts twee mogelijkheden aan:
de hoofdgerechtigde wordt deelgenoot in de mandelige zaak;
de overige deelgenoten verkrijgen het onverdeeld aandeel in de mandelige zaak.
Daarbij zou ik, rekening houdend met de belangen van alle betrokkenen, willen kiezen voor de volgende weg:
Ingeval de eigenaar van een met een beperkt recht belast erf medewerking verleent aan de totstandkoming van mandeligheid ten behoeve het beperkte recht zal bij einde van dit recht de mandeligheid verbonden zijn aan de onroerende zaak. Na het einde van het beperkte recht heeft de eigenaar slechts de mogelijkheid tot verkoopen levering ex art. 5:66. Alsdan bestaat voor de overige deelgenoten de zekerheid dat het tenietgaan van het beperkte recht niet zal leiden tot een vergroting van hun aandeel en een verzwaring van verplichtingen. De eigenaar behoeft zich niet te beklagen. Hij is op voorhand akkoord gegaan met de constructie.
Ingeval deze toestemming vooraf niet wordt verleend zou ik willen opteren voor een oplossing analoog aan het bepaalde in art. 5:84 lid 2. De mandelige onroerende zaak blijft gekoppeld aan de eigendom van het erf. De positie van de eigenaar zou ik willen versterken door te bepalen dat het steeds is toegestaan afstand te doen van zijn rechten. De overige deelgenoten zullen – al dan niet tezamen – verplicht moeten meewerken aan deze afstanddoening (vgl. art. 5:66).