Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.1.12.0
2.1.12.0 Introductie
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644971:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
§95 1 BGB: “Zu den Bestandteilen eines Grundstücks gehören solche Sachen nicht, die nur zu einem vorübergehenden Zweck mit dem Grund und Boden verbunden sind. Das Gleiche gilt von einem Gebäude oder anderen Werk, das in Ausübung eines Rechts an einem fremden Grundstück von dem Berechtigten mit dem Grundstück verbunden worden ist. Lid 2: Sachen, die nur zu einem vorübergehenden Zwecke in ein Gebäude eingefügt sind, gehören nicht zu den Bestandteilen des Gebäudes.”
Staudinger/Stieper (2021) BGB §95 Rn 1.
D. 9, 2, 32; D. 18, 1, 47. Zie Hoofdstuk 1, §1.2.7.
Staudinger/Stieper (2021) BGB §95 Rn 17.
Staudinger/Stieper (2021) BGB §95 Rn 3.
Palandt/Ellenberger BGB §95, p. 74; MüKoBGB/Stresemann §95 BGB Rn 1. Wieling (2007), p. 33.
Naast de wezenlijke en onwezenlijke bestanddelen kent het Duitse recht nog de zogenaamde Scheinbestandteile van onroerende zaken.1 Hieronder vallen volgens §95 BGB de zaken die met een tijdelijk doel (nur vorübergehender Zweck) met de grond of een huis zijn verbonden of die voor de uitoefening van een recht met een gebouw zijn verbonden. Deze zaken zijn geen bestanddelen.
“(…) daß dem Zwecke der Vorschrift gemäß die von derselben betroffenen Sachen durch ihre thatsächliche Verbindung mit dem Grundstücke in keinerlei rechtliche Verbindung mit demselben treten, daher nicht nur nicht als wesentliche Bestandtheile, sondern überhaupt nicht als Bestandtheile des Grundstückes angesehen werden können.”2
De regel van §95 BGB is een samenvoeging van uit het Romeinse en inheemse recht afkomstige rechtsregels. Uit dit “Germaanse” recht komt de gedachte dat zaken die “nur zu einem vorübergehenden Zweck mit dem Grund und Boden verbunden sind” (lid 1, zin 1) en zaken die “nur zu einem vorübergehenden Zwecke in ein Gebäude eingefügt sind” (lid 2) geen bestanddelen zijn van de grond respectievelijk het gebouw.3 De Romeinen kenden een uitzondering op de natrekkingsregel Superficies solo cedit in het geval zaken met de grond waren verbonden ten behoeve van het uitoefenen van het recht van erfdienstbaarheid. Leidingen of buizen die in het dienende erf waren aangelegd voor de uitoefening van het recht van waterleiding, bleven eigendom van de eigenaar van het heersende erf.4 Deze Romeinsrechtelijke uitzondering op de natrekkingsregel is in het Duitse recht niet alleen toegepast voor de gevallen waarin sprake is van erfdienstbaarheden, maar voor alle gevallen waarin zaken met de grond worden verbonden:
“Das Gleiche gilt von einem Gebäude oder anderen Werk, das in Ausübung eines Rechts an einem fremden Grundstück von dem Berechtigten mit dem Grundstück verbunden worden ist. ”5
Deze tweede zin van §95 BGB praat over een gebouw en “von anderen Werk” dat met de grond is verenigd. Onder het begrip “andere Werke” vallen de zaken die door de mens zijn vervaardigd, maar die niet onder de term gebouw vallen.6 Voorbeelden van deze “bouwwerken” zijn bijvoorbeeld stoeptegels of een stuwdam. De tegels van een pad dat door de gerechtigde van een erfdienstbaarheid is aangelegd, zijn geen bestanddelen van de grond geworden.
De term Scheinbestandteile, die in de literatuur en rechtspraak voor deze categorie zaken wordt gebezigd, is een ongelukkige. Ongelukkig, omdat deze term ook gebruikt wordt voor zaken die niet voldoen aan het zijn van een bestanddeel en daarom zelfstandige zaken zijn gebleven.7 Op deze laatste categorie zaken is §95 BGB niet van toepassing. De paragraaf is van toepassing op de gevallen waarin juist wel sprake zou zijn van bestanddeelvorming volgens §93 BGB of §94 BGB. Doordat §95 BGB een fictie creëert blijven de verbonden zaken zelfstandig.8 De verbinding wordt genegeerd. De paragraaf beperkt de reikwijdte van §93 en §94 BGB.