Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/2.2
2.2 Directe werking en voorrang
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931190:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik gebruik de begrippen ‘directe werking’ en ‘rechtstreekse werking’ als elkaars synoniemen.
Barents & Brinkhorst 2012/90-106; Craig & De Búrca 2020, p. 217 e.v.; Lenaerts & Van Nuffel 2023/711-715; De Witte 2021, p. 192-205.
HvJEG 5 februari 1963, C-26/62, ECLI:EU:C:1963:1, Jur. 1963, p. 3 e.v. (Van Gend & Loos), p. 23.
HvJEG 15 juli 1964, C-6/64, ECLI:EU:C:1964:66, Jur. 1964, p. 1203 e.v. (Costa/ENEL).
HvJEG 15 juli 1964, C-6/64, ECLI:EU:C:1964:66, Jur. 1964, p. 1203 e.v. (Costa/ENEL), p. 1218-1219.
HvJEG 9 maart 1978, C-106/77, ECLI:EU:C:1978:49, Jur. 1978, p. 629 e.v.; NJ 1978/656 (Simmenthal), r.o. 24. Zie over het leerstuk van ‘voorrang’ nader Barents & Brinkhorst 2012/107-115; Craig & De Búrca 2020, p. 303-316; Lenaerts & Van Nuffel 2023/688-690; en De Witte 2021, p. 205-211.
HvJEG 5 februari 1963, C-26/62, ECLI:EU:C:1963:1, Jur. 1963, p. 3 e.v. (Van Gend & Loos), p. 22. Zie Lenaerts & Van Nuffel 2023/711-715.
HvJEG 5 februari 1963, C-26/62, ECLI:EU:C:1963:1, Jur. 1963, p. 3 e.v. (Van Gend & Loos), p. 24.
HvJEG 15 januari 1986, C-44/84, ECLI:EU:C:1986:2, Jur. 1986, p. 29 (Hurd), r.o. 47.
Zie Conclusie A-G Van Gerven (ECLI:EU:C:1993:860) voor HvJEG 13 april 1994, C-128/92, ECLI:EU:C:1994:130, Jur. 1994, p. I-01209 (Banks), nr. 27. Vgl. voorts Gutman 2011, p. 715; Barents & Brinkhorst 2012/90-106; Brüggemeier 2015/86-89; Craig & De Búrca 2020, p. 223-225; Lenaerts & Van Nuffel 2023/712; en De Witte 2021, p. 205-211. Zie over de ontwikkeling van het leerstuk van ‘directe werking’ De Witte 2021, p. 192-205.
21. Directe werking en voorrang. Het Unierecht vormt een eigen rechtsorde. Unierechtelijke regels kunnen ‘directe’ of ‘rechtstreekse’ werking hebben in de lidstaten,1 dat wil zeggen: werking zonder dat daartoe nationale wetgeving nodig is.2 In het arrest Van Gend & Loos oordeelde het Hof van Justitie dat de Nederlandse vennootschap Van Gend & Loos zich voor de Nederlandse rechter rechtstreeks kon beroepen op het vrij verkeer van goederen,3 op grond waarvan lidstaten zich dienden te onthouden van het heffen van in- of uitvoerrechten of heffingen met gelijke werking.4 De (inmiddels) Unierechtelijke rechtsorde roept dus rechten en verplichtingen van particulieren in het leven, onafhankelijk van de wetgeving van lidstaten. In het arrest Costa/ENEL voegde het Hof van Justitie hieraan toe dat het Unierecht voorrang geniet boven het nationale recht van de lidstaten.5 Lidstaten “[kunnen] tegen de rechtsorde, die zij op basis van wederkerigheid hebben aanvaard, niet ingaan met een later, eenzijdig afgekondigd wettelijk voorschrift”. 6 Dit geldt zowel voor vroegere als latere nationale wetgeving.7
22. Directe werking; voorwaarden. Om direct (rechtstreeks) te kunnen werken, moet een Unierechtelijke regel aan bepaalde eisen voldoen. Het Hof van Justitie overwoog in het arrest Van Gend & Loos dat het voor de al dan niet directe werking van een regel van Unierecht aankomt op “de geest, de inhoud en de bewoordingen daarvan”.8 Het oordeelde vervolgens dat art. 12 EEG-Verdrag “een duidelijk en onvoorwaardelijk verbod bevat” en dat “dit verbod er zich krachtens zijn aard geheel toe leent onmiddellijk effect te verlangen in de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en hun justitiabelen”.9 Om die reden kon Van Gend & Loos zich voor de nationale rechter rechtstreeks beroepen op art. 12 EEG-Verdrag.
In latere rechtspraak heeft het Hof van Justitie de criteria voor directe werking verduidelijkt. Wil aan een regel van Unierecht directe werking toekomen, dan dient die regel (i) voldoende duidelijk (en nauwkeurig) te zijn, (ii) onvoorwaardelijk te zijn en (iii) niet afhankelijk te zijn van een discretionaire uitvoeringsmaatregel.10 In de kern komt deze maatstaf erop neer of de regel van Unierecht door de nationale rechter onmiddellijk kan worden toegepast op een voorliggend geschil, dat wil zeggen: zonder dat de nationale rechter hiervoor gebruikt hoeft te maken van nadere (discretionaire) bevoegdheden.11 Of in het concrete geval aan deze voorwaarden is voldaan, zal niet altijd aanstonds duidelijk zijn. Wel is duidelijk dat de vraag of een regel van Unierecht directe (rechtstreekse) werking heeft, zelf wordt beheerst door het Unierecht.