Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/3.5
3.5 Ontvanger/Wilhelm: verrekening door de fiscus ondanks een onder de fiscus gelegd derdenbeslag
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS609625:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
In de uitspraak wordt als datum van de aanslagen vermeld 31 juli 1984, maar bedoeld zal kennelijk zijn 31 juli 1985, anders zouden de aanslagen dateren van vóór de beslaglegging op 26 maart 1985, terwijl in de uitspraak wordt vermeld dat de aanslagen 'in een later stadium', dus na de beslaglegging aan Klems werden opgelegd.
Art. 1470 lid 2 (oud) BW hield in dat na een beslag onder een partij die wenste te verrekenen, deze verrekening niet mogelijk was ten nadele van de beslaglegger.
C. de Kramer, 'Gemakkelijk verrekend...?', WFR 1993/6066, p. 1201.
Zie § 3.4.1.
Zie art. 6:130 lid 1 en 2 BW en § 22.6.
Zie § 2.4.7.
In het arrest van het Hof te 's-Hertogenbosch inzake Ontvanger/Wilhelm ging het om het volgende. Wilhelm liet op 26 maart 1985 ten laste van diens debiteur Klems executoriaal derdenbeslag leggen onder de ontvanger te Kerkrade op al hetgeen de ontvanger onder zich had en/of zou verkrijgen van en/of verschuldigd was en/of zou worden aan Klems. De ontvanger liet in zijn verklaring weten dat hij ten tijde van het afleggen van de verklaring niet uit hoofde van enige aanslag een schuld aan of een vordering op Klems had, doch dat hij de mogelijkheid openhield dat alsnog zou blijken van het bestaan van materiële belastingschulden dan wel dat aan Klems negatieve aanslagen zouden worden opgelegd. In een later stadium1 werden aan Klems verschillende aanslagen opgelegd, die zagen op belastingen en premies over de jaren 1981 en 1982, derhalve op de periode vóór de beslaglegging door Wilhelm. Het ging om door Klems te betalen belastingen en premies van in totaal f 749, terwijl er daarnaast negatieve aanslagen werden opgelegd voor een bedrag van f 2.228. De ontvanger stelde zich tegenover Wilhelm op het standpunt gerechtigd te zijn om tot verrekening over te gaan en stelde per saldo f 1.479 aan Wilhelm verschuldigd te zijn. De rechtbank verwierp het beroep op verrekening, onder verwijzing naar artikel 1470 lid 2 BW (oud).2
Het Hof is het niet met het oordeel van de rechtbank eens. Het Hof komt daarbij met overwegingen die overeenkomsten vertonen met de regeling voor bestuursrechtelijke geldschulden van de vierde tranche Awb. Het overweegt dat, gelet op de aard van belastingschulden, die een gevolg is van haar publiekrechtelijke karakter, dient te worden aangenomen dat de artikelen 1461-1471 BW (oud) niet zonder meer van toepassing zijn op de ontvanger. Voor analoge toepassing van die regels, in het bijzonder van artikel 1470 lid 2 BW (oud), bestaat volgens het Hof in het onderhavige geval geen aanleiding. Het Hof merkt daarbij op dat mede gelet moet worden op artikel 11 lid 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen, krachtens welke bepalingen de belastingschulden van de Klems geacht worden te zijn ontstaan op 31 december 1982, dat wil zeggen ruimschoots voordat het derdenbeslag onder de ontvanger werd gelegd.
De Kramer vermeldt3 deze uitspraak als uitzondering op het uitgangspunt dat onder de Iw 1845 algemeen werd aangenomen dat de civielrechtelijke regels nog onverkort van toepassing waren. Wat het Hof hier in feite doet is de civielrechtelijke verrekeningsregels buiten beschouwing laten en een eigen verrekeningsysteem toepassen. Daarbij kiest het Hof voor een materiële benadering van de belastingvorderingen en -schulden, die op zichzelf niet ongebruikelijk is.4 Alleen voor de wijze waarop het Hof de verrekening toepast, valt geen specifieke wettelijke grondslag aan te wijzen. Het Hof had waarschijnlijk het beste bij de civielrechtelijke regels kunnen aanhaken. Dan zou evenzeer doorslaggevend belang toekomen aan het gegeven dat de belastingvorderingen en -schulden ten aanzien van Klems reeds, vóór het derdenbeslag onder de ontvanger werd gelegd, waren gematerialiseerd en dat tevens kon worden gesproken van dezelfde rechtsverhouding, zodat verrekening na de beslaglegging nog was toegestaan.5
De vraag doet zich voor hoe over deze zaak dient te worden beslist onder de Iw 1990. In de parlementaire geschiedenis bij de Iw 1990 is uitgebreid over deze kwestie gediscussieerd. Het standpunt van de wetgever is daarbij geweest dat een dergelijk derdenbeslag de fiscus niet belet tot verrekening over te gaan. Mij lijkt dit standpunt juist, tot het moment dat de fiscus wordt verplicht tot afdracht aan de derde over te gaan. In dat laatste geval in geen sprake meer van een aan de belastingplichtige uit te betalen bedrag in de zin van artikel 24 lid 1 Iw 1990.6 In de onderhavige zaak zou onder artikel 24 Iw 1990 de uitkomst derhalve hetzelfde zijn als in het onderhavige arrest.