Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/3.2
3.2 Beoosten de Vecht: verrekeningsverbod ten aanzien van een belastingschuld
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS609623:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie eveneens § 1.8.5 voor het huidige Franse recht, dat op dit punt niet is gewijzigd.
De Hoge Raad refereert hier aan § 395 BGB: zie daarover Faber, t.a.p., p. 95, noot 236. deze bepaling luidt: 'Gegen eine Forderung des Reichs- oder eines Bundesstaats sowie gegen eine Forderung einer Gemeinde oder eines anderen Kommunalverbandes is die Aufrechnung nur zuliissig, wenn die Leistung an dieselbe Kasse zu erfolgen hat, aus der die Forderung de Aufrechnenden zu berichten ist.' Zie daarover de § 1.4, 1.8.3 en 3.7.
Zie verder § 3.4.2.
Deze mogelijkheid is overgenomen in art. 19 lid 3 Iw 1990.
Zie verder § 3.7.
Zie § 3.6.
De annotator verwijst hier naar het zogenaamde Postgiro-arrest, waarin de Hoge Raad sanctioneerde dat de Staat saldi bij de postcheque- en girodienst - toen onderdeel van de Staat - op naam van een rekeninghouder verrekende met een vordering van de Staat op deze rekeninghouder. De aard van de vordering van de Staat wordt in het arrest niet vermeld, zodat niet duidelijk is of het om een belastingvordering ging. Hartkamp en Sieburgh merken op (Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11, p. 190) dat dit oordeel van de Hoge Raad niet voldoet aan de eisen van de praktijk. Het komt hun voor dat art. 6:127 lid 3 BW (de eis van identiteit van vermogens) in de richting van een ander resultaat wijst. Zij verwijzen daarbij naar § 395 BGB.
Die wordt niet bij naam genoemd in de V-N aantekening.
Vermeulen 2007, p. 95-96. Zie de wet van 24 januari 1815, Staatsblad 1815, 5.
Zie verder § 7.6.
Staatsblad 1929, 530, p. 45.
Zie § 4.3 en Vermeulen 2007, p. 95-96.
Zie in gelijke zin Vermeulen 2007, p. 55.
Zie eveneens Vermeulen 2007, p. 96: 'Dat de belastingvordering te bijzonder is om schuldvergelijking volgens het civiele recht toe te staan, is mijns inziens niet juist.'
In het arrest Beoosten de Vecht ging het om het volgende. De N.V. Hollandsche Algemeene Verzekeringsbank meende een vordering te hebben op het Grootwaterschap Beoosten de Vecht, kort weergegeven, wegens ten onrechte ten behoeve van een ander betaalde waterschapslasten. De hoogte van deze vordering uit onverschuldigde betaling bedroeg f 10.694,71. Het waterschap legde de Verzekeringsbank over 1920 een aanslag in de omslag van waterschapslasten op ter hoogte van f 11.080,27. De Verzekeringsbank beriep zich vervolgens op verrekening. Het Hof te Amsterdam overwoog dat in dit geval verrekening tussen de wederzijdse schulden van partijen was toegelaten. Volgens het Hof liet artikel 1465 BW (oud) verrekening toe, ongeacht de oorzaak van de verrekening. Verder overwoog het Hof dat, anders dan voor het Franse recht op grond van de wordingsgeschiedenis van artikel 1293 van de Code Civil kan worden geconcludeerd, niet kan worden beweerd dat een verdere uitzondering dan de drie voornoemde uitzonderingen, stilzwijgend moet gelden voor de verrekening van belastingen. Volgens het Hof blijkt niet dat de Nederlandse wetgever bij de vervanging van het Franse door het Nederlandse Burgerlijk Wetboek dat standpunt heeft willen innemen.
De Hoge Raad stelt voorop dat het Hof met juistheid opmerkt dat bij de totstandkoming van de Code Civil de bedoeling van de Franse wetgever was, dat belastingschulden niet met welke vordering ook op de Staat in verrekening kunnen worden gebracht, welke bedoeling in overeenstemming was met het voor de invoering van de Code Civil in Frankrijk geldende recht.1 Ook moet het Hof volgens de Hoge Raad worden toegegeven dat de Nederlandse wetgever bij de samenstelling van het BW uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij op dit punt eenzelfde standpunt als de Franse wetgever heeft willen innemen. De Hoge Raad oordeelt echter dat het Hof hier ten onrechte uit heeft afgeleid dat naar Nederlands recht verrekening met een belastingschuld geoorloofd is. De Hoge Raad merkt op dat niet alleen volgens de Code Civil en het voordien in Frankrijk geldende recht verrekening met een belastingschuld was uitgesloten, maar ook dat volgens het Nederlandse Oud-Vaderlands recht dat beginsel als algemeen geldend recht werd aangemerkt. Toen de Nederlandse wetgever in het BW de verrekeningsregels uit de Code Civil zonder verdere opmerkingen onveranderd overnam, moet hij - in de woorden van de Hoge Raad - geacht worden ook voor wat betreft de uitsluiting van de verrekening met een belastingschuld geen nieuwe recht te hebben willen invoeren, maar te hebben willen handhaven wat "te allen tijde" hier te lande als recht had gegolden. De Hoge Raad wijst er op dat, als de Nederlandse wetgever verrekening met een belastingschuld wel had willen toelaten, op de voet van bijvoorbeeld het Duitse recht,2 een specifieke regeling daarvoor niet had mogen ontbreken. Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat, daar waar terecht niet is betwist dat de omslag van waterschapslasten is aan te merken als belastingheffing door het 'Openbaar Gezag', door het Hof ten onrechte is aangenomen dat de Verzekeringsbank haar vordering op het Grootwaterschap met deze omslag zou mogen verrekenen.
In zijn conclusie bij het arrest Ontvanger/Rabobank IJmuiden3 vat de A-G Vranken de door de Hoge Raad in het arrest Beoosten de Vecht gegeven hoofdregel, onder nr. 2.1.3, als volgt samen:
"Het publiekrechtelijke karakter van belastingschulden en — vorderingen krachtens negatieve aanslagen verzet zich tegen toepassing van het civielrechtelijke compensatieregime (HR 11 april 1924, NJ 1924, 646). Onder het vei& 1 juni 1990 geldende (invorderings-) recht betekende dit dat een belastingschuldige zich tegenover de Ontvanger in het geheel niet op compensatie kon beroepen en dat de Ontvanger (het effect van) compensatie kon bereiken door het bepaalde bij artikel 7 Invorderingswet (oud).4 De Ontvanger was immers, indien aan de belastingschuldige een negatieve aanslag werd opgelegd, zelf "houder van penningen" in de zin van artikel 7 voornoemd en kon een vordering ex artikel 7 aan zich zelf doen voor door de belastingschuldige formeel of materieel verschuldigde belastingen."
Het uitgangspunt van de Hoge Raad was derhalve in 1924 dat een belastingplichtige fiscale - en daarmee vergelijkbare - schulden niet in verrekening mocht brengen met enigerlei vordering op de overheid. Het is echter de vraag of dit uitgangspunt onder de Iw 1845 steeds heeft gegolden. In het arrest Nieuwkoop/Ontvanger5 heeft de Hoge Raad zich alleen uitgelaten over de verrekeningsbevoegdheid van de fiscus onder de Iw 1845. Het is op zichzelf mogelijk dat de leer van de Hoge Raad uit het arrest Beoosten de Vecht daarbij (onverkort) in stand is gebleven. Aldus wordt bijvoorbeeld geredeneerd door de annotator in de V-N bij de nog te bespreken uitspraak6 van de rechtbank te Rotterdam van 7 juli 1989 in de zaak G/Ontvanger:
"3. G's vordering wordt afgewezen omdat diens belastingschuld een eventuele tegenvordering van de Staat verre overtreft. Het arrest van de Hoge Raad van 11 april 1924 NJ 646 (Zie ook WPNR 2855) waarin werd beslist dat publiekrechtelijke vorderingen (zoals bijvoorbeeld de belastingschuld) niet in vergelijking mogen worden gebracht met civielrechtelijke vorderingen (zoals bijvoorbeeld de schadevergoedingsdaim) wordt meestal zo geinterpreteerd dat de vergelijking niet kan worden ingeroepen door de tegenpartij van de Staat. Wanneer bijvoorbeeld iemand iets te vorderen heeft van Staat in verband met plaatsgevonden hebbende levering, kan die vordering niet gecompenseerd worden met de openstaande belastingschuld van die persoon. Voor de stelling dat slechts compensatie tegen de Staat niet is toegestaan op grond van voornoemd arrest is enige grond te vinden in HR 22 juni 1937, NJ 1937, nr. 898.7 De huidige rechtspraktijk gaat, evenals de rechtbank, van deze zienswijze uit.
4. de nieuwe invorderingswet kent - behalve ingeval van faillissement en surseance van betaling - een geheel eigen en 'gesloten' systeem van compensatie. De vragen rond het arrest van 1924 zijn dan dus van de baan."
Anders dan deze annotator,8 zou ik willen aannemen dat het verbod voor de belastingplichtige om belastingschulden in verrekening te brengen sinds 1930 is verlaten. Uit onderzoek van Vermeulen blijkt dat het verrekeningsverbod, zoals de Hoge Raad dat in het arrest Beoosten de Vecht aannam, met name verband hield met de situatie dat het indertijd - in het geheel - niet was toegestaan om beslag te leggen onder de overheid.9 Dit beslagverbod was afkomstig uit het Franse recht. In het Franse recht bestaat dit verbod nog steeds. In het verlengde daarvan geldt in Frankrijk voor de belastingplichtige eveneens nog een verbod op verrekening van belastingschulden.10 In Nederland is beslag onder de overheid sinds 15 maart 193011 wel toegestaan. Dit verbod is toen vervangen door het (beperkte) verbod om beslag te leggen op goederen bestemd voor de openbare dienst 12 Vanaf dat moment is het Nederlandse systeem gaan afwijken van het Franse systeem en kan worden aangenomen dat verrekening van belastingschulden jegens de Nederlandse fiscus mogelijk is geworden. Ook uit de wetsgeschiedenis van artikel 24 Iw 1990 blijkt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat onder de Iw 1845 de belastingplichtige wel de mogelijkheid had directe belastingen met elkaar te verrekenen.13 Vanaf 1930 was het in Nederland naar het lijkt dus ook - voor de belastingplichtige mogelijk om belastingschulden in verrekening te brengen. Wordt dit in verband wordt gebracht met het arrest Nieuwkoop/Ontvanger, dan luidt mijn conclusie dat vóór de invoering van de Iw 1990 - en vanaf 1930 - de belastingplichtige gerechtigd was belastingschulden op de voet van de BW-verrekeningsregels in verrekening te brengen. Dit voltrok zich buiten de sfeer van de Iw 1845, daar verrekening geen maatregel van invordering is:14 Verder kan uit het arrest Nieuwkoop/ Ontvanger worden afgeleid dat de aard van de belastingvordering zich niet tegen civielrechtelijke verrekening verzet.15