Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.5.1
IV.1.5.1. De inkorting, een eerste aanzet
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS577928:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Niet de legitimaire massa.
Zie ook Handboek Nieuw Erfrecht (2002), Waaijer, p. 347 e.v.
In deze zin ook Perrick in zijn uitvoerige artikel, Over giften ter zake des doods, andere fictieve legaten en verwante rechtshandelingen onder het komende recht, WPNR 6422 (2000). Hij schrijft: ‘inkorting van een gift ter zake des doods doet volgens artikel 4.4.2.7b lid 1 een vordering op de gezamenlijke erfgenamen ontstaan en niet een vordering op de begiftigden terzake des doods; dat is immers het gevolg van de gelijkstelling met een legaat.’ Hij trekt de quasi-legatenregeling derhalve door naar de aansprakelijkheid. Voor wat betreft de toerekening is hij minder ruimhartig. Zie par. 1.7.2 van dit hoofdstuk.
Nota van Wijziging, 17 213, nr. 4, p. 14.
Alvorens te trachten de vraag te beantwoorden of een quasi-legataris aansprakelijk is voor de vordering van de inkortende legitimaris schets ik kort de legitimaire aansprakelijkheidsregeling. Art. 4:79 BW leert dat een legitimaris terzake van zijn legitieme een vordering kan hebben op de gezamenlijke erfgenamen of de echtgenoot van de erflater (als de wettelijke verdeling werkt), dan wel op een begiftigde. Zie art. 4:7 lid 1 onder g BW. De erfgenamen of de echtgenoot van de erflater zijn niet verplicht de vorderingen te voldoen, voor zover zij tezamen de waarde van de nalatenschap te boven gaan, aldus lid 2 van art. 4:80 BW. Hier handelt het over aansprakelijkheid; er wordt immers gesproken over ‘een vordering verkrijgen’. Is de nalatenschap1 door het doen van giften niet voldoende omvangrijk om de legitimarissen te voldoen, dan worden de vorderingen van de legitimarissen naar evenredigheid verminderd. Uit art. 4:80 lid 2 BW en art. 4:89 BW is af te leiden dat het verminderde gedeelte van de vordering verdampt en de erfgenamen daarvoor niet aansprakelijk zijn. Slechts de verminderde vordering is nog een schuld van de nalatenschap in de zin van art. 4:7 lid 1 onder g BW, zo moet mijns inziens de conclusie luiden. Anders dan in art. 4:120 BW, waar de vermindering slechts verband houdt met verhaal op het afgescheiden vermogen van de nalatenschap, is hier ook sprake van vermindering van aansprakelijkheid.
De verdamping is echter slechts relatief. Op grond van art. 4:80 BW moet bekeken worden of de legitimaris zijn legitieme kan verkrijgen door verhaal te nemen op de nalatenschap. Dit is indien op grond van art. 4:80 lid 2 BW vermindering heeft plaatsgevonden nooit het geval. Voor hetgeen de legitimarissen nog tekort komen, kunnen zij terecht bij de begiftigden. Door inkorting verkrijgen zij een vordering op de begiftigden volgens de volgorderegels van art. 4:89 lid 3 BW.2 ‘Inkorten’ betekent in dit kader het door een verklaring vestigen van aansprakelijkheid, als gevolg waarvan draagplicht ontstaat. Het inkorten van erfstellingen en legaten houdt, anders dan de inkorting in het kader van giften, in beginsel geen verband met aansprakelijkheid, doch heeft slecht betekenis in de zin van de draagplicht.
Uit art. 4:79 BW zou kunnen worden opgemaakt dat een legitimaris geen vordering kan krijgen op de legataris. De wetgever verliest hier art. 4:87 lid 6 BW uit het oog, waarin is bepaald dat ook de legataris-echtgenoot/geregistreerd partner of andere levensgezel, aansprakelijk kán zijn. Dit had de wetgever niet hier bij art. 4:87 BW, waar het gaat om draagplicht, doch in art. 4:79 BW moeten regelen. Wel kan de conclusie worden getrokken dat als hoofdregel legatarissen niet aansprakelijk zijn voor het voldoen van de legitieme.
Geldt dit ook voor de quasi-legataris?
Beseffende dat de quasi-legataris als zodanig geen erfgenaam is, zou de legitimaris slechts een vordering kunnen krijgen op een quasi-legataris/begiftigde (art. 4:79 onder b BW). Of is het op grond van art. 4:126 lid 1 BW, alwaar de gift van art. 7:177 BW voor de inkorting en vermindering wordt aangemerkt als een legaat, een contradictio in terminis om in het kader van art. 4:79 onder b BW te spreken van een ‘quasi-legataris/begiftigde’?
Ik sluit niet uit dat het de bedoeling is ook voor art. 4:79 BW het quasi-legaat van art. 4:126 lid 1 BW te zien als een legaat en niet als een gift, zodat aansprakelijkheid van de quasi-legataris in beginsel ontbreekt.3 Echt helder is het echter niet omdat inkorting en vermindering in het kader van legaten ziet op draagplicht en verhaal en (in beginsel) niet op aansprakelijkheid, zodat wellicht voor de aansprakelijkheid het quasi-legaat van art. 4:126 lid 1 BW toch als een gift door het leven gaat. Ik kom op deze gedachtegang hierna nog terug. De onduidelijkheid wordt veroorzaakt omdat niet in concreto is bepaald hoe ver de fictie van art. 4:126 BW voor de legitieme strekt.
Indien de quasi-legataris/begiftigde als bedoeld in art. 4:126 lid 1 BW en art. 7:177 BW inderdaad niet aansprakelijk is voor de vorderingen van de legitimaris, dan wordt deze, wat aansprakelijkheid betreft, anders behandeld dan een begiftigde die op het sterfbed werd bedacht, dan wel een begiftigde ‘van een voordeel bestemd om pas na het overlijden ten volle te worden genoten’ van art. 4:67 BW, welke begiftigde in ieder geval wel aansprakelijk kan zijn voor de legitieme.
Stel de nalatenschap is 30. Y is benoemd tot enig erfgenaam. Erflater schonk op zijn sterfbed 70 aan X. De legitimaris Z heeft recht op 50 (1/2 x 100). Op grond van art. 4:80 lid 1 BW krijgt legitimaris Z een vordering op erfgenaam Y groot 30. Er vindt vermindering plaats met 20 (art. 4:80 lid 2 BW). Legitimaris Z krijgt een vordering op begiftigde X groot 20.
Stel in hetzelfde geval betrof de schenking een schenking ter zake des doods als bedoeld in art. 7:177 BW (art. 4:126 lid 1 BW). De nalatenschap zou dan voor de toepassing van art. 4:80 lid 2 BW groot zijn 100, indien men de schenking behandelt als een legaat. Erfgenaam Y is aansprakelijk voor 50 en quasi-legataris X blijft qua aansprakelijkheid in beginsel buiten schot, omdat hij quasi-legataris is, en legatarissen in beginsel niet aansprakelijk zijn voor de legitieme.
Het verschil in rechtsgevolg doet zich gevoelen als erfgenaam Y kort na het overlijden het quasi-legaat voldoet of blijkt te hebben voldaan door een levering bij voorbaat. Als legitimaris Z voor 50 bij erfgenaam Y aanklopt, zou kunnen blijken dat Y bij quasi-legataris X, die op grond van de inkortingsregels van art. 4:87 lid 2 BW juncto art. 4:126 BW 35 moet dragen, geen verhaal mogelijk is.
Art. 4:216 BW, waarin is bepaald dat een door de rechter benoemde vereffenaar hetgeen aan een legataris is uitgekeerd, binnen drie jaar daarna terug kan vorderen, voor zover dit nodig is om schulden als bedoeld in art. 4:7 lid 1 onder a tot en met g BW te voldoen, schiet erfgenaam Y ook niet meer te hulp, indien er bij quasi-legataris X niets te halen valt. Zie par. 1.10 van dit hoofdstuk. Dit geldt ook voor art. 4:220 lid 3 BW, in welk artikel de legitimaris een recht op verhaal jegens legatarissen wordt toegekend. Beide bepalingen worden van overeenkomstige toepassing verklaard op het quasi-legaat van art. 4:126 lid 1 en lid 2 onder b en c BW (art. 4:127 BW; zie hierna par. 1.10 van dit hoofdstuk).
Men zou evenwel ook, zoals hiervoor, kunnen betogen dat de gift terzake des doods slechts voor de inkorting (draagplicht) als een legaat behandeld wordt, alsmede voor de vermindering als bedoeld in art. 4:120 BW (verhaal), als gevolg waarvan voor de aansprakelijkheid de schenking terzake des doods als een ‘normale’ schenking behandeld wordt. Steun voor deze gedachte vindt men in het feit dat in lid 2 van art. 4:69 BW de gift van art. 4:126 lid 1 BW uitdrukkelijk is vermeld en zo aan een ander regime is onderworpen dan de giften ‘met werking tijdens leven’. In art. 4:79 onder b BW wordt de gift/quasi-legaat niet een dergelijke status aparte toegekend, hetgeen een belangrijke aanwijzing zou kunnen zijn voor het feit dat de begiftigde ter zake des doods, net als een ‘normale’ begiftigde, wel degelijk aansprakelijk is. In art. 4:79 onder b BW is vermeld dat een vordering op een begiftigde kan ontstaan, door inkorting als bedoeld in art. 4:89 BW. In art. 4:89 BW wordt vermeld dat voor inkorting vatbaar zijn de in art. 4:67 BW bedoelde giften. De gift/quasi-legaat wordt daar niet uitdrukkelijk uitgesloten.
Als argument voor de visie dat de quasi-legataris niet aansprakelijk is, zou nog het feit dat in art. 4:126 lid 3 BW zowel art. 4:66 BW als art. 4:68 BW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Dit zou, zo kan men betogen, niet nodig zijn als het quasi-legaat in andere gevallen dan voor de inkorting en vermindering, als een gift zou moeten worden aangemerkt. Of is deze verwijzing slechts opgenomen om ook de quasi-legaten die niet tevens giften zijn onder de werking van art. 4:66 en art. 4:68 te brengen?
Dit laatste zou ik willen bepleiten. Mijns inziens slaat de balans door ten gunste van de gedachte dat er wel degelijk sprake is van aansprakelijkheid van de quasi-legataris/begiftigde als begiftigde.
Onduidelijkheid zou echter niet moeten ontstaan en is te wijten aan het feit dat niet helder is in hoeverre de quasi-legaten voor de legitieme als legaten worden aangemerkt. Een en ander verdient, zoals reeds opgemerkt, nadere aandacht van de wetgever.
Terzijde en tot slot nog aandacht voor het volgende: In de Nota van wijziging4 wordt de vraag gesteld in hoeverre ‘normale zakelijke contracten’ kunnen worden aangetast met een beroep op art. 4:126 lid 2 onder a BW. Ik merk ten overvloede op dat aantasten niet begrepen moet worden als ‘vernietigen’. Gezien het karakter van de legitieme (geldvordering; art. 4:63 lid 1 BW), kan degene die een recht op levering heeft uit hoofde van bijvoorbeeld een verblijvingsbeding altijd aanspraak maken op levering, zij het dat hij onder omstandigheden moet bijpassen. De quasi-legaten komen immers weliswaar voor inkorting in aanmerking, maar inkorting is onder het huidige erfrecht niet meer het synoniemvoor vernietiging.