Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.6.2
2.6.2 Voordelen verkregen vanuit de aandeelhoudersrelatie
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630379:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Arts omschrijft de kapitaalsfeer van een vennootschap als de uitgaven, lasten en afschrijvingen ten behoeve van de gerechtigden tot haar winst. De vermogensveranderingen welke voortkomen uit de relatie tussen de belastingplichtige en de aandeelhouder kunnen een (vermomde) winstuitdeling of een (informele) kapitaalstorting zijn. Van een (vermomde) winstuitdeling is sprake wanneer er een vermogensverschuiving ten behoeve van de aandeelhouder is. Van een (informele) kapitaalstorting is sprake als de aandeelhouder de belastingplichtige bevoordeelt. Voor de aandeelhouder maakt de kapitaalstorting onderdeel uit van de deelnemingsrelatie en voor de deelneming is sprake van kapitaalsfeer. Arts 2012.
In HR 10 februari 2006, nr. 49 924, BNB 2006/259 heeft de Hoge Raad overwogen dat wanneer een stichting met zijn gehele vermogen een onderneming drijft ervan moet worden uitgegaan dat alle uitgaven van de stichting zijn gedaan binnen het kader van die onderneming, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt. De Hoge Raad laat derhalve de mogelijkheid open om uitgaven toe te rekenen aan een andere sfeer dan de ondernemingssfeer. S.A. Stevens kan zich een dergelijk situatie slechts voorstellen indien vermogen wordt uitgekeerd aan een doel dat buiten de statutaire doelstellingen van de (maatschappelijke) onderneming ligt. S.A. Stevens 2009-1.
Zie ook Cursus Belastingrecht, onderdeel 2.2.2.A.a, waarin Vermeulen betoogt: ‘De voorschriften van art. 10 vallen uiteen in twee categorieën. In lid 1 onderdeel a-c gaat het om winstuitdelingen als onttrekking. Deze bepalingen zijn strikt genomen overbodig naast art. 3.8 Wet IB 2001 dat via art. 8 lid 1 Wet VPB 1969 van toepassing is voor de Vpb. De uitdrukkelijke vermelding in de wet heeft een historische achtergrond: deze bepalingen stonden al in het Besluit Vpb.1942 en zijn door de wetgever van 1969 overgenomen om niet de indruk te wekken dat er aan het regime voor winstuitdelingen op dit punt iets was gewijzigd.’
Voordelen kunnen ook (gedeeltelijk) opkomen vanuit de aandeelhoudersrelaties. Dit zagen we hiervoor ook al bij het Cessnacriterium. De handelingen van een aandeelhouder ten behoeve van een dochtermaatschappij maken deel uit van de onderneming van de aandeelhouder. De baten en lasten die voortkomen uit deze handelingen vallen derhalve onder de totaalwinst. De handelingen van de dochter ten behoeve van de aandeelhouder vallen daarentegen niet onder de totaalwinst, maar zijn onderdeel van de kapitaalsfeer.12 Volledigheidshalve merk ik op dat in artikel 10, lid 1 sub a tot en met sub c Wet Vpb 1969 is bepaald dat bepaalde winstuitdelingen en onttrekkingen niet in aftrek komen. Deze niet aftrekbaarheid volgt ook al uit het totaalwinstbeginsel ex artikel 3.8 Wet IB 2001, zodat deze bepalingen feitelijk overbodig zijn.3
In de hiernavolgende paragrafen zal ik nader ingaan op de vraag wanneer sprake is van transacties in de aandeelhouderssfeer. Gezien de omvang van deze problematiek, beperk ik mij tot de hoofdlijn.
2.6.2.1 Onzakelijke transacties2.6.2.2 Het (op onzakelijke gronden) onbenut laten van winstkansen