Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief
Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.2.2:8.2.2 De interpretatie van het specialiteitsbeginsel in enge zin
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.2.2
8.2.2 De interpretatie van het specialiteitsbeginsel in enge zin
Documentgegevens:
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS412259:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie: §7.3.4.1.
Diephuis (1886) VII, p. 385.
Land 1902, p. 362.
Asser/Scholten 1905, p. 351; Asser/Scholten 1927, p. 421; Asser/Scholten 1933, p. 429; Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 137.
Asser/Van Oven 1967, p. 121; Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 161; Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986, nr. 196, p. 156.
Veegens & Oppenheim 1919, p. 234.
Asser 1838, p. 422; De Pinto 1885, II, §699, p. 486; Diephuis (1886) VII, p. 386.
Veegens & Oppenheim 1919, p. 243.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens wetgever van het Burgerlijk Wetboek van 1838 bracht het specialiteitsbeginsel mee dat een transport- of hypotheekakte een afzonderlijke aanduiding van het registergoed bevatte.1 Dit beginsel was neergelegd in artikel 1219 OBW en verhinderde de vestiging van een generaal pandrecht op onroerende zaken.
Na de invoering van het OBW is het specialiteitsbeginsel in de eerste handboeken over het Nederlandse burgerlijk recht omschreven en verklaard. Diephuis beschouwde het hypotheekrecht als een zakelijk recht op een bepaald aangewezen goed en noemde specialiteit daarom bepaaldheid.2 Ook in de 20e eeuw werd het specialiteitsbeginsel op vergelijkbare manier uitgelegd. Land schreef dat alleen bepaalde goederen konden worden bezwaard.3 Volgens Scholten en Van Oven bracht specialiteit mee een ‘bepaalde aanduiding van elk verbonden perceel in het bijzonder’.4 Van Oven gebruikte daarnaast de woorden ‘specifiek aangeduide goederen.’5Veegens en Oppenheim noemden specialiteit bepaaldheid en schreven dat een schuldenaar alleen bepaalde goederen met hypotheek kon bezwaren.6
De bedoeling van de wetgever met de keuze voor specialiteit hadden de auteurs niet uit het oog verloren.7 Het voorkwam oververzekering, doordat latere schuldeisers konden vaststellen of een onroerende zaak al eerder was bezwaard en onbezwaarde zaken aan zich konden laten verhypothekeren. Daarnaast konden derden die voornemens waren een onroerende zaak onbezwaard in eigendom te verkrijgen, vaststellen of de zaak al eerder was bezwaard. Zo schreven Veegens en Oppenheim dat publiciteit en specialiteit waren vereist ‘in het belang van derden, die in de gelegenheid moeten zijn na te gaan tot hoever het onroerende goed van eenen schuldenaar bezwaard is.’8 Toch ging men onder het oude recht niet zover dat men meende dat specialiteit in enge zin strekte tot bescherming van concurrente schuldeisers. Hun bereidheid om onder bepaalde voorwaarden krediet te verschaffen, was namelijk niet afhankelijk van de aan- of afwezigheid van een hypothecaire inschrijving.