Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/6.2
6.2 Geaccepteerde doelstellingen in het algemeen belang
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197315:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 22 september 1994, nr. 13616/88 (Hentrich v. France), par. 39: “the States have a certain margin of appreciation to frame and organise their fiscal policies and make arrangements (…) to ensure that taxes are paid. It recognises that the prevention of tax evasion is a legitimate objective which is in the public interest.”
EHRM 13 januari 2015, nr. 50131/12 (Huitson v. The United Kingdom), BNB 2016/133 m.nt. Pauwels, par. 30.
EHRM 22 januari 2009, nr. 3991/03 (Bulves v. Bulgaria), par. 65:.
Zie bijvoorbeeld EHRM 31 januari 2006, nr. 60495/00 (Dukmedjian c. France), par. 56.
Normaal gesproken zal belastingwetgeving die parlementair tot stand is gekomen in een democratische rechtstaat in overeenstemming zijn met de voorwaarde van een legitimate aim. Het is evident dat de staat middelen nodig heeft om zijn publieke taken te kunnen vervullen en belastingheffing is de meest aangewezen methode om die middelen te verkrijgen. Met belastingheffing worden echter niet louter budgettaire doeleinden gediend. Belastingwetgeving wordt door de overheid veelvuldig gebruikt om allerlei nevendoelstellingen van sociale, economische, culturele en ecologische aard na te streven.
Dergelijke afwegingen liggen bij uitstek op het gebied van de nationale politiek. Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid die op fiscaal gebied toekomt aan de nationale autoriteiten, zal het EHRM ook die doelstellingen in principe accepteren.
Er bestaat verder een categorie fiscale regelgeving die erop is gericht om ongewenst fiscaal gedreven gedrag tegen te gaan (belastingfraude, belastingontwijking en verijdeling van invordering). Ook met deze wetgeving wordt het algemeen belang gediend, niet alleen de genoemde beleidsdoelen, maar ook de gelijkheid voor de publieke lasten die die beleidsdoelen oproepen. Uit onder meer Hentrich v. France1 (over het Franse droit de préemption: het recht van de Staat om een onroerende zaak te kopen voor de prijs die de partijen bij verkoop voor de heffing van de overdrachtsbelasting zelf hebben opgegeven) en Huitson v. The United Kingdom2 (over met terugwerkende kracht ingevoerde anti-misbruikwetgeving) volgt dat het EHRM de doelstelling van fiscale anti-misbruikwetgeving in het algemeen belang acht. Verder kan gewezen worden op het arrest Bulves v. Bulgaria,3 waarin het EHRM bepaald niet subtiele wetgeving die het recht op aftrek van BTW uitsloot als een leverancier niet aan zijn fiscale verplichtingen had voldaan, in het algemeen belang achtte:
“(…) the general interest of the community was in preserving the financial stability of the VAT system of taxation with its complex rules regarding charges, recharges, exemptions, deductions and reimbursements. Essential elements of the preservation of that stability were the attainment of full and timely discharge by all VAT registered persons of their VAT reporting and payment obligations and, ultimately, the prevention of any fraudulent abuse of the said system. In this respect, the Court accepts that attempts to abuse the VAT system of taxation need to be curbed and that it may be reasonable for domestic legislation to require special diligence by VAT-registered persons in order to prevent such abuse.”
Hoewel bij mijn weten nog niet voor het Hof geweest kunnen ook sin taxes en prohibitieve Erdrosselungssteuern in het algemeen belang geacht worden als de ontmoediging van c.q. het feitelijke verbod op het belaste gedrag in het algemeen belang geacht kan worden. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt verder dat het opleggen van fiscale boeten teneinde te stimuleren dat belastingplichtigen hun fiscale verplichtingen nakomen, dan wel te ontmoedigen dat niet te doen, ook geacht wordt in het algemeen belang te zijn.4 Om in overeenstemming te zijn met artikel 1 Eerste Protocol dient de hoogte van de boete vervolgens wel evenredig te zijn met de ernst van de bestrafte gedraging en mag geen fundamentele inbreuk maken op de financiële positie van de belastingplichtige. In wezen gaat het dan overigens niet meer over belastingheffing, maar over strafoplegging, waarvoor even zeer een proportionaliteitsbeginsel geldt. De genoemde Erdrosselungssteuer markeert de overgang van belastingheffing naar bestraffing. Het verschil tussen de twee zit in het gegeven dat het bij belastingheffing gaat om de bestemming van het gevorderde geld (beleidsdoel van algemeen belang) ongeacht het gedrag van de gevorderde, terwijl het bij een punitieve boete (een vermogensstraf) gaat om de herkomst van het gevorderde geld, dat uit het vermogen van de bestrafte moet komen om hem wegens zijn individuele gedrag te treffen, ongeacht de bestemming van het geld, als het de bestrafte maar afgepakt wordt.