Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/5.4.2
5.4.2 Duitsland
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD81850:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
BGH 25 mei 1954, BGHZ 13, 334; njw 1954, 1404 (SchachtBrief).
BGH 14 februari 1958, BGHZ 26, 349; NJW 1958, 827. Het ging daarbij om reclame voor een 'sexuelles Starkungsmittel' met behulp van een foto van een ondernemer (mede-eigenaar van een brouwerij) op een paard tijdens een toernooi, zonder diens toestemming.
Zo werd gesproken van 'Freiheitsberaubung im Geistigen'.
BGH 16 september 1961, BGHZ 35, 363; NJW 1961, 2059 (Ginsengwurzel).
BGH 16 september 1961, bghz 35,363, waarin het BGH deze criteria ontleent aan het Zwitserse art. 49 OR.
BGH 7 december 1976, NJW 1977, 626. Daarbij gaat het bij onrechtmatige publicaties om de vraag of rectificatie een 'hinreichenden Ausgleich für die Rechtsbeeintrachtigung' bewerkstelligt, waarbij de ernst van de inbreuk, de inhoud en de mate van verspreiding, de beweegredenen van de laedens en de mate van schuld in ogenschouw dienen te worden genomen. Aldus BGH 15 november 1994, JZ 1995, 360, waarover Schlechtriem op p. 363.
Mijn curs., SDL.
Aldus BVcrfGE 34, 286; N/W 1973, 1221, maar het is daarin niet consequent. Zie BVcrfGE 54, 129, waarin beide criteria weer alternatief worden genoemd.
Aldus Lange 1990, § 7 V; Deutsch 1993, nr. 489 en Larenz/Canaris 1994, § I80, 4.
Aldus volgens vaste rechtspraak BGH 22 januari 1985, NJW 1985, 1617, 1619 (Nacktfoto im Femschen).
BGH 26 januari 1971, N/W 1971, 698.
Zie voor kritiek op deze benadering Larenz/Canaris 1994, § I803.
Men spreekt ook wel van een 'Rahmenrecht'. Zie Larenz/Canaris 1994, § II80.
Zie Larenz/Canaris 1994, § II80.
Bovendien kan in sommige gevallen een recht op vergoeding van immateriële schade om andere redenen niet passend worden geacht. Zo wordt het recht op vrijheid van gezinsplanning wel als persoonlijkheidsrecht gezien (zie bijv. Larenz/Canaris 1994, § II80), maar verwerpt het BGH (18 januari 1983, BGHZ 86, 240) een recht op smartengeld wegens een mislukte of ten onrechte niet uitgevoerde abortus, omdat het met de menselijke waarde van het kind onverenigbaar zou zijn om het lijden van de ouders in verband met het bestaan van het kind te verzilveren.
Zie reeds § 2.3.5.
Zie over de nauwe verwantschap met de compensatiegedachte op dit terrein evenwel Steffen 1997, p. 10 e.v.
BGH 15 november 1994, ]Z 1995, 360. Zie hierover § 2.3.5.
In het Duitse recht is in de rechtspraak een recht op vergoeding van immateriële schade bij schending van het 'allgemeine Persönlichkeitsrecht' erkend. Die erkenning verliep van een algemene erkenning in 1954 van het persoonlijkheidsrecht als 'sonstiges Recht' in de zin van § 823 BGB in de 'Schachtbrief-fall',1 naar een expliciete erkenning in 1958 van een recht op smartengeld in de 'Herrenreiterfall'.2 Daarin werd het recht op smartengeld bij gebrek aan een wettelijke grondslag gebaseerd op een analogie met de wél in § 847 BGB genoemde 'Freiheitsentziehung'.3 Later werden evenwel als basis voor deze ontwikkeling de eerste twee artikelen van het Grundgesetz aangevoerd, hetgeen werd gemotiveerd met een beroep op een 'Lücke im Persönlichkeits-schutz'.4 Vervolgens werden beperkingen aan een recht op smartengeld geformuleerd. Aldus werd geëist dat het ging om een 'schwere Verletzung oder schweres Verschulden'.5 Bovendien bracht de 'Lücken'-gedachte de eis mee dat de aantasting niet op andere wijze, zoals door 'Widerruf', goed gemaakt kan worden.6
Het Bundesverfassungsgericht heeft met deze rechtspraak ingestemd, doch spreekt van een 'erhebliche Beeintrachtigung der Persönlichkeitssphare und7 schweres Verschulden'.8 In de literatuur is men het er inmiddels in grote lijnen over eens dat het moet gaan om een gewichtige aantasting, waarbij zowel objectieve kenmerken (de ernst van de aantasting) als subjectieve factoren (de mate van schuld van de laedens) meewegen.9 Het Bundesgerichtshof verwoordt dit met betrekking tot onrechtmatige publicaties als volgt:10
'Ob eine schwerwiegende Verletzung des Persönlichkeitsrechts vorliegt, die die Zahlung einer Geldentschadigung erfordert, hangt insbesondere von der Bedeutung und Tragweite des Eingriffs, also von dem Ausmafi der Verbreitung der rechts-widrigen Veröffentlichung, der Nachhaltigkeit und Fortdauer der Interessen- oder Rufschadigung des Verletzten, ferner von Anlafi und Beweggrund des Handelnden sowie von dem Grad seines Verschuldens ab.'
Daarnaast wordt de aard van de geschonden persoonlijkheidssfeer als relevante factor genoemd.11
In het Duitse recht wordt gesproken van 'das allgemeine Persönlichkeitsrecht' en niet van verschillende persoonlijkheidsrechten.12 In dat algemene persoonlijkheidsrecht liggen evenwel verschillende 'Sphare' besloten die door dat recht bescherming genieten.13 Men denke daarbij aan de bescherming tegen schending van de eer, verstrekking van onware informatie, onjuist gebruik van een portret, discriminatie, schending van de persoonlijke levenssfeer en van de lichamelijke integriteit.14 De vraag of in een concreet geval onrechtmatig is gehandeld wordt veelal beantwoord met behulp van een 'Güter-und Interessenabwagung'. Men denke daarbij tevens aan de afweging tussen het persoonlijkheidsrecht van de gelaedeerde enerzijds en het recht op vrijheid van menmgsuiting van de laedens anderzijds. Met het aannemen van onrechtmatigheid is overigens nog niet gegeven dat ook steeds een recht op vergoeding van immateriële schade bestaat. Daarvoor geldt immers de nadere eis dat het moet gaan om een ernstige aantasting en dat de schade niet op andere wijze kan worden goed gemaakt.15 De praktijk van het Duitse recht wordt op dit terrein vooral ingekleurd door rechtspraak over krasse 'Ehrverletzungen' door de roddelpers, waarin soms forse bedragen worden toegekend.16
Met betrekking tot de toekenning van smartengeld bij schendingen van het persoonlijkheidsrecht wordt vooral de functie van genoegdoening naar voren geschoven.17 Die functie zou rechtvaardigen dat de 'Lücke' in de bescherming van het persoonlijkheidsrecht wordt opgevuld met de mogelijkheid om vergoeding van immateriële schade te vorderen. Daarnaast borrelt, wanneer het gaat om onrechtmatige publicaties door de boulevardpers, de gedachte aan preventie op.18