Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3560.
HR, 23-06-2023, nr. 22/02762
ECLI:NL:HR:2023:949
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-06-2023
- Zaaknummer
22/02762
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:949, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑06‑2023; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:3560, Niet ontvankelijk
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:428, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2023:428, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑04‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:949, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑07‑2022
- Vindplaatsen
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2023-0058
BPR-Updates.nl 2023-0058
PFR-Updates.nl 2023-0152
PR-Updates.nl PR-2023-0107
Uitspraak 23‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Echtscheiding. Curatele. Art. 1:153 lid 2 BW. Ontvankelijkheid in cassatie. Kan een onder curatele gestelde zonder toestemming van zijn curator in echtscheidingsprocedure pensioenverweer voeren?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/02762
Datum 23 juni 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de man,
advocaat: K. Aantjes,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: C.G.A. van Stratum,
en
VEEN EN VESTE BEWIND EN BUDGET B.V.,
gevestigd te Emmer-Compascuum,
BELANGHEBBENDE in cassatie,
hierna: de curator,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/18/205056 / FA RK 21-944 van de rechtbank Noord-Nederland van 3 september 2021;
b. de beschikking in de zaak 200.304.192/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 april 2022.
De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft verzocht om de man in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit beroep verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in 1982 met elkaar gehuwd.
(ii) In 2015 is de man onder curatele gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand en wegens gewoonte van drankmisbruik, met benoeming van de curator als zodanig.
2.2
In deze procedure verzoekt de vrouw de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De man heeft zich daartegen verzet en onder meer het zogenoemde ‘pensioenverweer’ als bedoeld in art. 1:153 BW gevoerd. De curator heeft de rechtbank laten weten dat zij de man geen toestemming verleent voor het voeren van verweer voor zover dat van vermogensrechtelijke aard is.
2.3
De rechtbank heeft de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Ten aanzien van het pensioenverweer heeft de rechtbank overwogen dat dit verweer een vermogensrechtelijk karakter heeft en dat de ondercuratelestelling eraan in de weg staat dat de man zelf en niet zijn curator dit verweer voert.
2.4
De man heeft hoger beroep ingesteld. De curator heeft het hof laten weten dat zij de man geen toestemming verleent voor het voeren van beroep over kwesties van vermogensrechtelijke aard.
2.5
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.1.Het heeft onder meer geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht (rov. 5.5) en dat het vermogensrechtelijke karakter van het pensioenverweer eraan in de weg staat dat de man dat verweer zelf voert (rov. 5.8).
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
3.1.1
Volgens art. 1:381 lid 2 BW is de onder curatele gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten voor zover de wet niet anders bepaalt. Deze algemene handelingsonbekwaamheid brengt mee dat de onder curatele gestelde onbekwaam is tot het zelfstandig optreden in rechte, voor zover de wet niet anders bepaalt.2.Een onder curatele gestelde is wel bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van zijn curator, voor zover deze bevoegd is die rechtshandelingen voor de onder curatele gestelde te verrichten (art. 1:381 lid 3 BW).
3.1.2
Art. 1:382 BW bevat een uitzondering zoals bedoeld aan het slot van art. 1:381 lid 2 BW: hij die uit hoofde van gewoonte van drank- of drugsmisbruik onder curatele is gesteld, blijft bekwaam tot het verrichten van familierechtelijke handelingen voor zover de wet niet anders bepaalt. Onder ‘familierechtelijke handelingen’ in de zin van art. 1:382 BW valt het als verzoeker of verweerder optreden in een echtscheidingsprocedure,3.maar daaronder vallen niet rechtshandelingen op het gebied van het huwelijksvermogensrecht.4.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ook degene die wegens lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele is gesteld, zelf een echtscheidingsverzoek kan indienen indien hij in staat is zijn wil daarover te bepalen en de betekenis van het verzoek te begrijpen.5.Dit houdt verband met het hoogstpersoonlijke karakter en de zuiver familierechtelijke aard van een verzoek tot echtscheiding.6.
In lijn daarmee kan degene die wegens lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele is gesteld ook zelf tegen een verzoek tot echtscheiding verweer voeren, indien hij in staat is zijn wil daarover te bepalen en de betekenis van het verzoek en van het voeren van verweer daartegen kan begrijpen. Hij heeft daarvoor geen toestemming van zijn curator nodig.
3.1.3
Hetgeen hiervoor in 3.1.2 is overwogen geldt evenwel niet voor het voeren van het pensioenverweer zoals bedoeld in art. 1:153 lid 1 BW. Dit verweer strekt ter bescherming van een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die de echtscheiding verzoekt en is daarmee zuiver financieel van aard. Het voeren van dit vermogensrechtelijke verweer kan niet worden aangemerkt als een familierechtelijke handeling in de zin van art. 1:382 BW, noch als een verweer van zuiver familierechtelijke aard als bedoeld in de hiervoor in 3.1.2 vermelde rechtspraak van de Hoge Raad. Een onder curatele gestelde is daarom zonder toestemming van zijn curator niet bekwaam om dit verweer te voeren.
3.2
In dit geval heeft het hof geoordeeld dat de man niet zelf het pensioenverweer kan voeren. De klachten van het middel richten zich uitsluitend tegen dat oordeel. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1.1-3.1.3 is overwogen, kon de man deze klachten niet zelfstandig aanvoeren zonder toestemming van de curator. Het aanvoeren van deze klachten moet immers op een lijn worden gesteld met het voeren van het pensioenverweer. Nu deze toestemming ontbreekt, dient de man niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 23 juni 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑06‑2023
HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1113, rov. 3.1.
TM, Parl. Gesch. BW Boek 1, p. 705; vgl. ook HR 12 november 1954, ECLI:NL:HR:1954:35.
MvA I, Parl. Gesch. BW Boek 1, p. 707.
HR 2 februari 1962, ECLI:NL:HR:1962:109 en HR 28 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6859, rov. 4.
Vgl. HR 28 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6859, rov. 4 en HR 12 november 1954, ECLI:NL:HR:1954:35.
Conclusie 14‑04‑2023
Inhoudsindicatie
Curatele; echtscheiding; (on)bekwaamheid tot het voeren van pensioenverweer; ontvankelijkheid cassatieberoep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02762
Zitting 14 april 2023
CONCLUSIE
E.B. Rank-Berenschot
In de zaak
[de man] verzoeker tot cassatie adv.: mr. K. Aantjes
tegen
[de vrouw] verweerster in cassatie adv.: mr. C.G.A. van Stratum
belanghebbende:Veen en Veste Bewind en Budget B.V.geen verweer
Verzoeker tot cassatie (hierna: de man) is onder curatele gesteld. Verweerster in cassatie (hierna: de vrouw) heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend. De man verzet zich tegen het uitspreken van de echtscheiding, onder meer door het aanvoeren van een pensioenverweer (art. 1:153 lid 1 BW). Zijn curator heeft hem geen toestemming gegeven voor het voeren van vermogensrechtelijke verweren. Evenals de rechtbank oordeelt het hof dat de man daarom niet ontvankelijk is in zijn pensioenverweer. In cassatie klaagt de man primair dat het hof heeft miskend dat hij, nu hij als verweerder in de echtscheidingsprocedure mag optreden, alle mogelijke verweren mag voeren, waaronder het pensioenverweer. De vrouw voert primair een niet-ontvankelijkheidsverweer. Ik meen dat dat verweer slaagt.
1. Feiten
1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
- -
i) Partijen zijn op 27 mei 1982 onder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. De huwelijkse voorwaarden zijn nadien gewijzigd bij akte van 14 juli 2008.
- -
ii) Bij beschikking van de kantonrechter Groningen van 9 december 20152.is de man onder curatele gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand en wegens gewoonte van drankmisbruik, met benoeming van (een medewerker van) Veen en Veste Bewind en Budget B.V. tot curator (hierna: de curator).
( iii) De huwelijkse voorwaarden zijn opnieuw gewijzigd bij akte van 24 februari 2021 (gerectificeerd bij akte van 29 maart 2021).
2. Procesverloop
2.1
Bij inleidend verzoekschrift van 9 april 2021 heeft de vrouw de rechtbank Noord-Nederland verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.
2.2
De man heeft verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van het echtscheidingsverzoek. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de vrouw misbruik maakt van haar recht door de echtscheiding te verzoeken3.(art. 3:13 BW) en heeft hij een pensioenverweer als bedoeld in art. 1:153 BW gevoerd.4.
2.3
De curator heeft aan de rechtbank bericht geen toestemming te verlenen aan de man voor het voeren van verweer voor zover dat verweer een vermogensrechtelijk karakter heeft.5.
2.4
Bij beschikking van 3 september 20216.heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.Daartoe heeft de rechtbank – voor zover in cassatie van belang – overwogen dat de gestelde duurzame ontwrichting het verzoek kan dragen en dat aan de toewijsbaarheid van het echtscheidingsverzoek niet afdoet dat door en namens de man een pensioenverweer is gevoerd. De ondercuratelestelling beperkt de man weliswaar niet in het recht om verweer te voeren tegen het verzoek tot echtscheiding, maar wel als hij daartegen het pensioenverweer wil voeren. Dat verweer heeft een vermogensrechtelijk karakter en de ondercuratelestelling staat eraan in de weg dat de man zelf en niet zijn curator het verweer voert, aldus de rechtbank (beschikking, p. 2).
2.5
De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen met het verzoek deze te vernietigen en na vernietiging opnieuw beschikkende – voor zover in cassatie van belang – het echtscheidingsverzoek van de vrouw af te wijzen op grond van art. 3:13 BW, althans de echtscheiding niet uit te spreken op grond van art. 1:153 BW, althans de echtscheiding pas uit te spreken wanneer door de vrouw een voorziening is getroffen onder het stellen van een in goede justitie te bepalen termijn aan de vrouw tot het doen van een voorstel met betrekking tot een dergelijke voorziening.
2.6
De vrouw heeft verweer gevoerd en het hof – voor zover in cassatie van belang – verzocht primair de man in hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, subsidiair de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de proceskosten in hoger beroep.
2.7
Bij brief van 21 februari 2022 heeft de curator het hof laten weten de man uitdrukkelijk geen toestemming te verlenen voor het voeren van beroep over kwesties van vermogensrechtelijke aard.
2.8
Er heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden op 4 april 2022. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
2.9
Het hof heeft ter zitting geoordeeld dat de man, gelet op zijn betwisting van de duurzame ontwrichting van het huwelijk, ontvankelijk is in zijn hoger beroep.7.
2.10
Bij beschikking van 26 april 2022 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd met compensatie van de proceskosten in hoger beroep.8.
2.11
Daartoe heeft het hof eerst het verweer van de man tegen de gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk verworpen (rov. 5.5).Vervolgens heeft het hof betrekking tot het pensioenverweer als volgt overwogen:
“Het pensioenverweer5.6 De man heeft zich ook tegen het uitspreken van de echtscheiding verzet met een beroep op het zogeheten pensioenverweer als bedoeld in artikel 1:153 lid 2 BW. Hij heeft gesteld dat de echtscheiding pas kan worden uitgesproken wanneer een toereikende voorziening is getroffen voor de bestaande en ten gevolge van de scheiding wegvallende pensioenrechten voor de man.
5.7
Vaststaat dat de man onder curatele staat en dat de curator geen toestemming aan de man heeft verleend voor het voeren van dit pensioenverweer.
5.8
De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof terecht geoordeeld dat het pensioenverweer van de man een vermogensrechtelijk karakter heeft en dat de ondercuratelestelling er gelet op het bepaalde in artikel 1:381 lid 2 BW aan in de weg staat dat de man dat verweer zelf voert.
5.9
De man is daarom niet-ontvankelijk in het door hem gevoerde pensioenverweer.”
2.12
De man heeft bij verzoekschrift van 22 juli 2022 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof, waarbij hij de curator heeft aangemerkt als belanghebbende. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend, strekkend primair tot niet-ontvankelijkverklaring, subsidiair tot verwerping. De man heeft een reactie op het verweerschrift ingediend. De curator heeft geen verweer gevoerd.
3. Inleiding en juridisch kader
3.1
Het middel van de man keert zich (uitsluitend) tegen de beslissing van het hof dat de man niet-ontvankelijk is in het door hem gevoerde pensioenverweer (rov. 5.8-5.9) en de daarop voortbouwende oordelen.
3.2
De man klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat de man, nu hij als verweerder mag optreden in een echtscheidingsprocedure, hij daarin dan ook alle verweermiddelen mag opwerpen die de wet kent, waaronder het pensioenverweer.
3.3
De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de man niet ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. Zij voert daartoe onder meer aan dat het via dit cassatieberoep aan de orde gestelde onderwerp een vermogensrechtelijk karakter c.q. doel heeft, zodat ook voor dit beroep de toestemming van de curator nodig is. Deze toestemming ontbreekt echter, aldus de vrouw.9.Dit laatste is door de man in zijn reactie op het verweerschrift niet weersproken.
3.4
Aldus draait het in cassatie om de vragen of de man zonder toestemming van de curator (i) in feitelijke instanties een pensioenverweer ex art. 1:153 BW kon voeren en (ii) tegen het ontkennende oordeel van het hof cassatieberoep kan instellen.
Pensioenverweer (art. 1:153 BW)
3.5
Naast het verweer dat duurzame ontwrichting ontbreekt (art. 1:151 BW) kan tegen het echtscheidingsverzoek een financieel verweer worden gevoerd. In art. 1:153 lid 1 BW is bepaald dat indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de verzoekende echtgenoot zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot daarom verweer voert tegen het echtscheidingsverzoek, dit verzoek niet kan worden toegewezen voordat daaromtrent een voor beide echtgenoten billijk te achten voorziening is getroffen. Voert de andere echtgenoot op goede gronden een dergelijk (nabestaanden)pensioenverweer, dan kan de echtscheiding dus pas worden uitgesproken als ter zake een voorziening is getroffen. De rechter kan daartoe een termijn stellen. Met deze regeling wordt voorkomen dat de verwerende echtgenoot bij vooroverlijden van de verzoekende echtgenoot slecht verzorgd achterblijft.10.
Curatele
3.6
Een van de drie in Boek 1 BW geregelde beschermingsmaatregelen voor meerderjaren is de curatele (art. 1:378-1:391 BW). Een meerderjarige kan door de kantonrechter onder curatele worden gesteld als hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt als gevolg van (a) zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel (b) gewoonte van drank- of drugsmisbruik. Als bijkomende eis geldt dat een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder ver strekkende voorziening kan worden bewerkstelligd (art. 1:378 lid 1 BW).11.Doel van de curatele is bescherming en vertegenwoordiging van de onder curatele gestelde.12.
3.7
De curator is binnen zijn wettelijke taken de wettelijk vertegenwoordiger van de onder curatele gestelde in en buiten rechte (art. 1:386 lid 1 jo. 1:337 lid 1 BW). In de eerste plaats gaat het hierbij om de behartiging van vermogensrechtelijke belangen, maar de curator heeft ook een taak in aangelegenheden die de verzorging, behandeling en begeleiding van de onder curatele gestelde betreffen (art. 1:381 lid 4 BW).13.Bepleit wordt dat de curator niet als vertegenwoordiger van de onder curatele gestelde kan optreden met betrekking tot hoogstpersoonlijke handelingen van bijvoorbeeld familierechtelijke of gezondheidsrechtelijke aard.14.
3.8
Curatele leidt ertoe dat de onder curatele gestelde met ingang van de dag waarop de curatele uitgesproken wordt, onbekwaam is rechtshandelingen te verrichten, tenzij de wet anders bepaalt (art. 1:381 lid 2 BW). Dit geldt in beginsel voor alle rechtshandelingen, waaronder vermogensrechtelijke, familierechtelijke en processuele handelingen.15.
3.9
Een algemene uitzondering op de handelingsonbekwaamheid geeft art. 1:381 lid 3 BW: de onder curatele gestelde is bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van zijn curator, voor zover deze bevoegd is die rechtshandeling voor de curandus te verrichten.16.Deze toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel. De toestemming moet schriftelijk worden verleend.
3.10
Verder geldt als algemene uitzondering op de handelingsonbekwaamheid dat de onder curatele gestelde in zaken van curatele bekwaam is in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen (art. 1:381 lid 6 BW). Het gaat hierbij bijvoorbeeld om procedures tot opheffing van de curatele of procedures tegen de curator (incl. diens ontslag).
3.11
Uw Raad heeft recentelijk bevestigd dat de algemene handelingsonbekwaamheid van art. 1:381 lid 2 BW meebrengt dat de onder curatele gestelde onbekwaam is tot het zelfstandig optreden in rechte voor zover de wet niet anders bepaalt. De onder curatele gestelde is dus wel procesbekwaam indien het gaat om zaken van curatele (art. 1:381 lid 6 BW) of de curator toestemming heeft verleend voor het optreden in rechte (art. 1:381 lid 3 BW).17.
3.12
Een derde uitzondering op de regel van handelingsonbekwaamheid geldt voor degene die uit hoofde van gewoonte van drank- of drugsmisbruik onder curatele is gesteld. Deze blijft bekwaam tot het verrichten van familierechtelijke handelingen, voor zover de wet niet anders bepaalt (art. 1:382 BW).Een van die wettelijke uitzonderingen is dat de onder curatele gestelde voor het sluiten van een huwelijk de toestemming van de curator nodig heeft. (art. 1:37 lid 1 BW).Onder ‘familierechtelijke handelingen’ vallen niet de rechtshandelingen op het gebied van het huwelijksvermogensrecht, zoals het doen van afstand van de huwelijksgemeenschap van goederen of een verzoek tot opheffing daarvan.18.Tot het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden voor of tijdens het huwelijk is de onder curatele gestelde bekwaam met toestemming van de curator (art. 1:117 lid 1 jo. 1:37 BW; art. 1:118 BW).
3.13
Uit art. 1:382 BW mag overigens niet a contrario worden afgeleid dat de wegens lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele gestelde per definitie onbekwaam is tot het verrichten van familierechtelijke handelingen.19.Uit de wet volgen ook voor deze categorie onder curatele gestelden uitzonderingen op de handelingsonbekwaamheid. Zij mogen een huwelijk aangaan met toestemming van de kantonrechter (art. 1:38 BW). Huwelijkse voorwaarden mogen worden gemaakt of gewijzigd voor dan wel tijdens het huwelijk met toestemming van de kantonrechter (art. 1:117 jo. 1:38 BW) respectievelijk de curator (art. 1:118 BW).
3.14
De wet kent geen specifieke bepalingen met betrekking tot echtscheiding.
3.15
Volgens de wetgever valt onder de ‘familierechtelijke handelingen’ waartoe de wegens gewoonte van drank- of drugsmisbruik onder curatele gestelde bekwaam blijft (art. 1:382 BW) ook het als verzoeker of verweerder optreden in een echtscheidingsprocedure.20.Uw Raad heeft in dit verband overwogen dat de strekking van de curatele wegens (toen nog) verkwisting – bescherming van de onder curatele gestelde wegens gebleken ongeschiktheid tot waarneming van zijn vermogensbelangen – meebrengt dat de wet geacht moet worden de onder curatele gestelde bekwaam te laten tot handelingen van ‘zuiver familierechtelijke aard’, zoals een verzoek tot echtscheiding. Daaraan doet niet af dat zo’n handeling vermogensrechtelijke gevolgen kan hebben, omdat ten aanzien van die gevolgen de curatele zich weer kan doen gelden, aldus uw Raad.21.
3.16
Voor de wegens lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele gestelde geldt de uitzondering van art. 1:382 BW niet. Wel is door uw Raad in 1980 ook voor deze onder curatele gestelde een (als wettelijke uitzondering in de zin van art. 1:381 lid 2 BW aangemerkte) uitzondering op de handelingsonbekwaamheid gemaakt. Parallel aan de bijzondere regeling voor het aangaan van een huwelijk door een wegens geestelijke stoornis22.onder curatele gestelde (art. 1:38 BW) die meebrengt dat een onder curatele gestelde niet onbekwaam is een huwelijk te sluiten, heeft uw Raad beslist dat het antwoord op de vraag of iemand die wegens geestelijke stoornis onder curatele staat, zelf bekwaam is een echtscheidingsverzoek te doen, daarvan afhankelijk is of betrokkene in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen en de betekenis van zodanig verzoek te begrijpen. Is hij daartoe niet in staat – hetgeen in de procedure zelf aan de orde kan komen – dan moet hij niet-ontvankelijk worden verklaard. Uw Raad bevestigde23.dat de curator niet als vertegenwoordiger van de onder curatele gestelde een echtscheidingsverzoek kan indienen om de reden dat een dergelijke beslissing een hoogstpersoonlijk karakter heeft.24.
3.17
Omgekeerd kan volgens vaste rechtspraak van uw Raad de curator de wegens lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele gestelde wel vertegenwoordigen indien deze in een echtscheidingsprocedure verweerder is, zulks ter bescherming van de andere echtgenoot in zijn recht op echtscheiding. Het verzoek moet tot de curator worden gericht. De curator mag dan geen besluiten nemen die naar hun aard meebrengen dat alleen de onder curatele gestelde daaromtrent naar persoonlijk inzicht en gevoel zou mogen beslissen, maar heeft zich enkel een zakelijk oordeel te vormen over de deugdelijkheid van het verzoek en wat daartegen als verweer is aan te voeren; hij moet de uitkomst van dat onderzoek aan de rechter voorleggen.25.De lijn van de beschikking van 1980 doortrekkend wordt in de literatuur bepleit dat indien de onder curatele gestelde in staat moet worden geacht zijn bij het echtscheidingsverzoek betrokken belangen te overwegen, niet in te zien valt waarom de curator, optredend voor de onder curatele gestelde als verweerder, zich daaraan niet zou mogen conformeren.26.
3.18
Tegen deze achtergrond kom ik tot de bespreking van het cassatieberoep.
4. Ontvankelijkheid
4.1
De vrouw stelt zich, als gezegd, primair op het standpunt dat de man niet ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. Ik meen dat dit verweer slaagt, en wel op grond van het volgende.
4.2
Zoals uw Raad in een eerder cassatieberoep van de man heeft overwogen, brengt de algemene handelingsonbekwaamheid van art. 1:381 lid 2 BW mee dat de onder curatele gestelde onbekwaam is tot het zelfstandig optreden in rechte, voor zover de wet niet anders bepaalt. Evenals in genoemd geval, is ook in deze zaak geen sprake van een wettelijke uitzondering op de voet van art. 1:381 lid 6 (zaak van curatele) of art. 1:381 lid 3 (toestemming curator).27.Dit doet de vraag rijzen of een andere wettelijke uitzondering op de onbekwaamheid van de man tot het instellen van een cassatieberoep kan worden aangewezen.
4.3
In dit geval dient tot uitgangspunt dat de man onder curatele is gesteld op grond van zowel (a) zijn lichamelijke of geestelijke toestand als (b) gewoonte van drankmisbruik.
4.4
Zoals hiervoor is uiteengezet, staat de ondercuratelestelling op grond van gewoonte van drankmisbruik niet in de weg aan de bekwaamheid van de man om op te treden als verweerder in een echtscheidingsprocedure. Art. 1:382 BW biedt daarvoor de wettelijke grondslag (zie nr. 3.15).
4.5
Verder lijkt het, in lijn met de beschikking van uw Raad van 28 maart 1980, verdedigbaar om aan te nemen dat ook de wegens lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele gestelde bekwaam is om op te treden als verweerder tegen een echtscheidingsverzoek, mits hij in staat is om zijn wil daaromtrent te bepalen en de betekenis van het verzoek te begrijpen (vgl. hiervoor nrs. 3.16-3.17). Evenals de bekwaamheid tot het doen van een echtscheidingsverzoek door uw Raad is aangemerkt als een uit art. 1:38 BW voortvloeiende en daarmee wettelijke uitzondering als bedoeld in het slot van art. 1:381 lid 2 BW28., zou ook de van die bekwaamheid af te leiden bekwaamheid tot het voeren van verweer tegen een echtscheidingsverzoek kunnen worden aangemerkt als een (indirecte) wettelijke uitzondering als bedoeld in art. 1:381 lid 2 BW.
4.6
Uit het voorgaande volgt dat de man, ongeacht de grond voor de curatele, in beginsel bekwaam is om op te treden als verweerder in een echtscheidingsprocedure. Deze bekwaamheid is echter niet onbegrensd. Uit het juridisch kader kan worden afgeleid dat het te voeren verweer ‘zuiver familierechtelijk’ respectievelijk ‘hoogstpersoonlijk’ van aard moet zijn. Vermogensrechtelijke verweren kunnen door de onder curatele gestelde niet zelfstandig worden gevoerd.
4.7
Dit betekent dat de man in feitelijke instanties wel bekwaam was om als hoogstpersoonlijk verweer tegen de verzochte echtscheiding aan te voeren dat geen sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Anders dan het middel betoogt, was hij echter niet bekwaam om een vermogensrechtelijk verweer als het pensioenverweer te voeren. Het hof heeft hem daarin terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.8
Het voorgaande brengt mee dat er ook geen (indirecte) wettelijke grondslag bestaat voor bekwaamheid van de man tot het instellen van cassatieberoep tegen de beslissing van het hof met betrekking tot het pensioenverweer.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑04‑2023
Ontleend aan rov. 3.1 en 3.2 van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 26 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3560, JPF 2022/90 m.nt. P. Vlaardingerbroek (hierna ook: de bestreden beschikking).
De beschikking tot ondercuratelestelling is overgelegd als onderdeel van prod. 2 in HB (zie formulier V6 d.d. 24 maart 2022 zijdens de man).
Aan het gestelde misbruik heeft de man onder meer ten grondslag gelegd dat er nog een cassatieprocedure loopt met zaaknummer 21/01857 (verweerschrift, nrs. 1-2 en 19-23). Ik merk op dat in die zaak inmiddels uitspraak is gedaan: HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1113, NJ 2022/360 m.nt. S.F.M. Wortmann.
De man heeft tevens een zelfstandig verzoek gedaan, strekkende tot verklaring voor recht dat de akte huwelijkse voorwaarden van 14 juli 2008 rechtsgeldig is vernietigd, althans te bepalen dat het eenzijdig verzoek van de vrouw tot echtscheiding pro forma wordt aangehouden totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in de aanhangige cassatiezaak met nummer 21/01857. Als gezegd is inmiddels uitspraak gedaan. Het zelfstandig verzoek is in cassatie niet relevant en blijft hierna buiten beschouwing.
Zie de brief d.d. 13 augustus 2021 van de curator aan de rechtbank.
Rb. Noord-Nederland 3 september 2021, zaak-/rekestnummer C/18/205056 / FA RK 21-944.
Proces-verbaal van 4 april 2022, p. 3, onder “De voorzitter:”.
Hof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3560, JPF 2022/90 m.nt. P. Vlaardingerbroek.
Verweerschrift in cassatie, nrs. 1.2-1.6, met verwijzing naar bijlage 1 bij het verweerschrift. Deze bijlage bevat o.m. een e-mail d.d. 19 september 2022 van de curator aan de vrouw, waarin de curator verklaart de man geen toestemming te hebben verleend voor cassatie inzake de echtscheiding.
Zie over deze gronden: P. Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2020/13.2.1; A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht, 2021/239.
Nuytinck, a.w. nr. 237, wijst erop dat buiten art. 1:380 BW om moet worden gesproken van ‘de onder curatele gestelde’. ‘Curandus’ is degene die onder curatele moet worden gesteld, maar nog niet onder curatele is gesteld.
S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, 2021/152.
Zie o.m. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/667; P. Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2020/13.2.6.
Zie over het laatste zinsdeel nader J.H.M. ter Haar, GS Personen- en familierecht, art. 1:381 BW, aant. 4.aa.
HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1113, NJ 2022/360 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.1-3.4.
MvA I, Parl. Gesch. BW Boek 1, p. 707. Zie ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/670.
A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht, 2021/243.
HR 12 november 1954, ECLI:NL:HR:1954:35, NJ 1954/775.
Deze grond is de voorloper van de huidige grond lichamelijke of geestelijke toestand. Zie P. Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2020/13.2.1.
Aldus ook reeds HR 2 februari 1962, ECLI:NL:HR:1962:109, NJ 1962/163.
HR 28 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6859, NJ 1980/378 m.nt. E.A.A. Luijten, rov. 2-4, waarover S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, 2021/152.
HR 14 november 1935, ECLI:NL:HR:1935:240, NJ 1936/22 m.nt. P.Scholten; HR 17 februari 1956, ECLI:NL:HR:1956:30, NJ 1956/128. Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/679; S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:151 BW, aant. 5; J.H.M. ter Haar, GS Personen- en familierecht, art. 1:381 BW, aant. 5, en P. Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2020/13.2.7.C, allen met verdere vermelding van rechtspraak.
Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/680.
HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1113, NJ 2022/360 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.1-3.5.
HR 28 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6859, NJ 1980/378 m.nt. E.A.A. Luijten, rov. 4 sub a.
Beroepschrift 22‑07‑2022
PROCESINLEIDING (VERZOEKZAAK) TOT CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Verzoeker in deze zaak is [de man], wonende te [woonplaats], te dezer zake domicilie kiezende te Rijswijk ZH aan de Haagweg nr. 108 (2282 AE), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. K. Aantjes, die ten deze tot advocaat bij de Hoge Raad wordt aangewezen om hem in cassatie te vertegenwoordigen en als zodanig wordt gesteld (art. 407 lid 3 en 4 Rv);
Verweerster ten deze is [de vrouw], wonende te ([postcode]) [woonplaats], aan de [adres], in de vorige instantie van deze zaak uitdrukkelijk domicilie gekozen hebbende te Assen, aan de Beilerstraat nr. 32 (9401 PL), ten kantore van haar advocaat mr. B.L. van Riel;
Als belanghebbende in deze zaak is aangemerkt: VEEN EN VESTE BEWIND EN BUDGET B.V., kantoorhoudende te (7881 BW) Emmer-Compascuum aan de Spil nr. 2–4;
Dit cassatieberoep richt zich tegen de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, op 26 april 2022 onder zaaknummer 200.304.192/01 tussen partijen gewezen. Daartegen richt verzoeker zich met het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, door te overwegen en op grond daarvan te beslissen als in voormeld arrest weergegeven, zulks om de navolgende, mede in onderlinge samenhang te lezen redenen:
Dit middel richt zich tegen r.o. 5.8 en 5.9, en de uitwerking daarvan in r.o. 6 en 7 van de thans bestreden beschikking, waarin het hof, zakelijk weergegeven, met de rechtbank heeft geoordeeld dat het pensioenverweer van de man een vermogensrechtelijk karakter heeft en dat de ondercuratelestelling er gelet op het bepaalde in artikel 1:381 lid 2 BW aan in de weg staat dat de man dat verweer zelf voert. Die beslissing is rechtens onjuist.
Nadere uitwerking en toelichting
In de literatuur en de rechtspraak is veel te doen geweest over de vraag, of een curator de onder curatele gestelde mag vertegenwoordigen in een echtscheidingsprocedure, maar dan ging het vooral over de positie van de curandus als verzoeker (voorheen: eiser). In HR 28 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6859 is uitgemaakt dat een curandus bevoegd is als (toen nog) eiser op te treden en dat die bevoegdheid niet aan de curator toekomt. De beslissing om een echtscheidingsverzoek in te dienen heeft immers een hoogst persoonlijk karakter. In zijn noot onder voormeld arrest in NJ 1980/378 heeft annotator E.A.A. Luijten dat toegejuicht:
‘De vrijheid tot huwen en scheiden behoort in het huidige tijdsgewricht in gelijke mate te bestaan. Een inmenging van curator/toeziend curator in deze hoogst persoonlijke beslissingen is onduldbaar.’
Ook in de ‘Aanbevelingen curatele’ van het Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht is aangaande de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de curator in familierechtelijke zaken bepaald:
- ‘7.
In familierechtelijke zaken is de curator niet tot vertegenwoordiging bevoegd (…)’.
Zulks heeft ook te gelden als de onder curatele gestelde in een echtscheidingsprocedure als verweerder optreedt. Terecht heeft het hof (in navolging van de rechtbank) verzoeker dan ook (impliciet) ontvankelijk geacht in diens verweer. Dat zo zijnde, is hij ook bevoegd alsdan alle verweermiddelen op te werpen die de wet kent, waaronder het zogenaamde pensioenverweer van artikel 1:153 BW, hetgeen het hof heeft miskend.
Althans had het hof verzoeker niet niet-ontvankelijk mogen verklaren, zonder allereerst een bijzonder curator te benoemen, die verzoeker alsdan bij het voeren van het pensioenverweer had kunnen vertegenwoordigen.
Voorbehoud
Op dit moment beschikt verzoeker nog niet over het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 4 april 2022. Hij behoudt zich het recht voor zijn cassatiemiddel te wijzigen of aan te vullen, zodra hij over dat p-v beschikt.
Mitsdien:
het de Hoge Raad der Nederlanden behage te vernietigen de tussen partijen op 26 april 2022 onder zaaknummer 200.304.192/01 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden gewezen beschikking, met zodanige verdere voorziening als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Rijswijk, 22 juli 2022
Advocaat [A07813]