Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/6.5.3
6.5.3 De fiscale strafbeschikking
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270174:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 20 juni 2011, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen IV en X van de Wet OM-afdoening, Stb. 2011, 308. De artikelen IV en X introduceren de fiscale strafbeschikking in de AWR en de IW.
Bharatsingh 2004, onderdeel 3.2.2.
Fortuin 2011, onderdeel 1.
Na het toepassen van inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis, of na een huiszoeking, zie § 3.3.2.1.
Kamerstukken I 2005/200629 849, nr. C, p. 35. Zoals gebleken uit §3.3.2.1, is toestemming van het bestuur niet nodig. In het geval FIOD-ambtenaren een p-v insturen, wordt toestemming van het bestuur immers geoorloofd aanwezig geacht.
Indien hij de in handen gestelde zaak niet via dagvaarding afdoet en ook niet opnieuw in handen van de Belastingdienst stelt.
Kamerstukken II 2004/2005, 29 849, nr. 3, p. 66-67.
Wattel 1989, p. 233.
Lammers 2010.
Kamerstukken II 2004/2005, 29 849, nr, 3, p. 85.
Wettelijke grondslag
De fiscale strafbeschikking, zoals voorzien in art. 76 AWR, is op 1 juli 2011 in werking getreden.1 De mogelijkheid om voor fiscale delicten een transactie aan te gaan is vervangen door de strafbeschikking. De fiscale strafbeschikking lijkt een specialis te zijn ten opzichte van de strafrechtelijke en bestuurlijke strafbeschikking, getuige lid 1 van het artikel:
“Ten aanzien van de bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten met betrekking tot welke het proces-verbaal niet overeenkomstig artikel 80, tweede lid, in handen van de officier van justitie is gesteld, kan, in afwijking van de artikelen 257a, 257b en 257ba van het Wetboek van Strafvordering, uitsluitend het bestuur van ’s Rijks belastingen een strafbeschikking uitvaardigen. Bij ministeriële regeling kunnen functionarissen worden aangewezen die deze bevoegdheid namens dat bestuur kunnen uitoefenen.”
De voorwaarden die bij het aanbieden van een transactie (hetgeen was voorbehouden aan het bestuur van de Belastingdienst) konden worden gesteld, waren de betaling van een geldsom die ten hoogste gelijk was aan de maximale geldboete die op het fiscale delict in de wet was gesteld en/of het alsnog nakomen van bepaalde verplichtingen of verbeurdverklaring van daarvoor vatbare voorwerpen of de geschatte waarde daarvan. Art. 76 AWR verklaarde uitdrukkelijk de commune transactieregeling van art. 74 en 74a WvSr buiten toepassing.2
De fiscale strafbeschikking heeft, anders dan voorheen de transactie, in beginsel dezelfde gevolgen als een veroordeling door de strafrechter.3 Genoemd artikel, waarin voorheen de fiscale transactie was opgenomen, was ontleend aan de regeling voor de transactie in het commune strafrecht. De reden om daar toch op punten van af te wijken was gelegen in de bijzondere behoefte van de AWR.4 Deze bijzondere behoefte bestaat kennelijk nog steeds in het tijdperk van de fiscale strafbeschikking: ook deze komt niet helemaal overeen met de strafrechtelijke strafbeschikking.
Toepassingsbereik
De fiscale strafbeschikking uit art. 76 lid 1 AWR bepaalt dat het bestuur van ’s Rijks belastingen een strafbeschikking kan uitvaardigen. Bij ministeriële regeling kunnen functionarissen worden aangewezen die deze bevoegdheid namens het bestuur kunnen uitoefenen, aldus de genoemde bepaling. De ministeriële regeling is de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Art. 9 lid 2 Uitv.reg. verwijst naar art. 84 AWR, waaruit blijkt dat bepaalde ambtenaren kunnen worden aangewezen die het contact onderhouden met het OM. Het zijn deze contactambtenaren die tevens bevoegd zijn de strafbeschikking uit art. 76 AWR uit te vaardigen.
Uit de bewoordingen van art. 76 AWR blijkt dat de uitsluitende bevoegdheid voor het bestuur van ’s Rijks belastingen om een fiscale strafbeschikking uit te vaardigen er alleen is, als het gaat om bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten, waarbij het p-v niet overeenkomstig art. 80 lid 2 AWR in handen van de OvJ is gesteld.5 In de memorie van antwoord is te lezen dat dus niet is uitgesloten dat de OvJ een strafbeschikking uitvaardigt bij fiscale delicten. Dit is het geval nadat bij hem, met instemming van het bestuur van ’s Rijks belastingen, het p-v is toegestuurd.6 Er is dan – voor alle duidelijkheid – sprake van een strafrechtelijke strafbeschikking. In het geval dat de OvJ overgaat tot het zelf uitvaardigen van een strafbeschikking7 zijn logischerwijs de regels van het Wetboek van Strafvordering van toepassing.8
De fiscale strafbeschikking kan worden uitgevaardigd ten aanzien van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten, zo bepaalt art. 76 lid 1 AWR. Dit betekent dus dat voor de delicten in art. 68 tot en met 69a AWR een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd. Ondanks de link met fiscale fraude, zijn valsheid in geschrifte en witwassen niet ‘bij belastingwet’ strafbaar gesteld, waardoor via deze weg wel een strafrechtelijke, maar geen fiscale strafbeschikking kan worden opgelegd.
Sancties
Art. 76 lid 2 AWR beschrijft dat door middel van de strafbeschikking een geldboete kan worden opgelegd. De maximale geldboete is de hoogste geldboete die op het feit staat waarvoor de strafbeschikking wordt uitgevaardigd.9
Aanwijzingen
Verder kan de strafbeschikking de volgende aanwijzingen bevatten waaraan de verdachte moet voldoen:
Art. 76 lid 2 sub a AWR: afstand doen van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.
Art. 76 lid 2 sub b AWR: de uitlevering of voldoening aan de Staat van de geschatte waarde van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.
Art. 76 lid 2 sub c: AWR: de verplichting om behaald voordeel (met inbegrip van de kosten) aan de Staat terug te betalen.
Art. 76 lid 2 sub d AWR: het alsnog voldoen aan een bij de belastingwet gestelde verplichting. Bij deze laatste voorwaarde kan gedacht worden aan het alsnog voldoen aan de informatieverplichting of aan het alsnog doen van aangifte.
De verplichting om behaald voordeel aan de Staat terug te betalen is opmerkelijk in het licht van art. 74 AWR. Art. 74 AWR houdt in dat de zelfstandige strafrechtelijke maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, die bij afzonderlijke rechterlijke beslissing wordt opgelegd, niet kan worden toegepast op fiscale feiten. De combinatie van art. 74 AWR en art. 76 lid 2 sub c AWR betekent dat voor fiscale feiten geen afzonderlijke voordeelsontnemingsmaatregel kan worden opgelegd, maar dat voordeelsontneming wél in een strafbeschikking als ‘aanwijzing’ aan de geadresseerde kan worden opgenomen. Daarmee is het fiscale strafrecht opgeschoven richting het commune strafrecht. Volgens Wattel zou het te ontnemen voordeel ook kunnen betreffen de belasting die ten gevolge van het verstrijken van de navorderings- en naheffingstermijnen niet meer kan worden geïnd, mits bewijsbaar en binnen de strafrechtelijke vervolgingstermijn.10
Voor de aanwijzingen geldt dat de Belastingdienst afhankelijk is van de medewerking van de verdachte voor de nakoming daarvan. Indien de verdachte niet voldoet aan de aanwijzingen hem opgelegd bij de strafbeschikking, dan zal de verdachte dienen te worden gedagvaard aangezien de strafbeschikking dan niet ten uitvoer is gelegd.11
Rechtsbescherming
De rechtsbescherming voor de fiscale strafbeschikking is op nagenoeg dezelfde wijze vormgegeven als voor de strafrechtelijke strafbeschikking. Zo bevat art. 76 lid 3 AWR net als art. 257c lid 2 WvSv de hoorplicht bij een strafbeschikking met een geldboete van meer dan 2000 euro.
Verzet is geregeld in art. 257e WvSv, dus ook hiervoor geldt geen bijzondere regeling in de AWR. Na verzet door de verdachte heeft de OvJ, en dus niet de Belastingdienst, de bevoegdheid de strafbeschikking in te trekken of te wijzigen (art. 257e lid 8 WvSv). Als tijdig verzet is gedaan (en de OvJ niet besluit om naar aanleiding van het verzet de strafbeschikking in te trekken) dan wordt de zaak verder als een gewone strafzaak behandeld – dus inclusief dagvaarding van de betrokkene en een terechtzitting bij de (politie)rechter.
Openbaarmaking
In art. 76 lid 5 AWR is een passieve openbaarmakingsmogelijkheid geregeld. Op grond van deze bepaling kan het bestuur van ’s Rijks belastingen beslissen of een afschrift van een strafbeschikking op verzoek wordt verstrekt aan een derde. Indien het verzoek tot verstrekking wordt geweigerd, dan wel een geanonimiseerd afschrift wordt verstrekt, kan de verzoeker tegen deze beslissing bij het bestuur een klaagschrift indienen. Dit klaagschrift wordt vervolgens in handen gesteld van de OvJ, die beslist of alsnog aan het verzoek tegemoet wordt gekomen.
Transactiebevoegdheid
Tegelijkertijd met het ontstaan van de fiscale strafbeschikking is – zoals gezegd – de fiscale transactie afgeschaft. In het fiscale recht is met andere woorden in sterkere mate dan in het strafrecht sprake van vervanging. De fiscale transactie was eerst opgenomen in art. 76 AWR: de Belastingdienst had op grond van deze bepaling de uitsluitende bevoegdheid een transactie overeen te komen voor een fiscaal strafbaar feit, art. 74 WvSr was voor deze gevallen niet bedoeld.12
Lammers stelt dat ten gevolge van de wijziging van art. 76 AWR de bevoegdheid om een transactie overeen te komen in fiscale zaken is teruggegaan naar het OM. Op basis van art. 74 WvSr zou de OvJ bevoegd zijn een transactie aan te bieden voor fiscale strafbare feiten.13 Caljé denkt dat dit naar aanleiding van de tekst van de wet inderdaad klopt, maar vraagt zich af of de wetgever dit ook beoogd heeft. Hij meent dat het problematisch is dat tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wet OM-afdoening het intrekken van de fiscale transactie niet expliciet aan bod is gekomen. Een argument tegen de stelling dat het OM op basis van art. 74 WvSr kan transigeren in fiscale strafzaken is dat de wetgever heeft gesteld dat de invoering van de strafbeschikking geen wijzigingen impliceert in de wijze waarop de afstemming van de buitengerechtelijke afdoening plaatsvindt tussen de Belastingdienst en het OM.14 In een dergelijk streven lijkt een verschuiving van de transactiebevoegdheid van de Belastingdienst naar de OvJ niet te passen, aldus Caljé. Hij leidt hieruit af dat de Belastingdienst de bevoegdheid tot een fiscale transactie is ontnomen en dat een fiscale transactie daarmee niet langer mogelijk is.15