Einde inhoudsopgave
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/2.2.3
2.2.3 Toepassing op samenwerkingsverbanden
M.M.F.J. van Bakel, datum 15-06-2024
- Datum
15-06-2024
- Auteur
M.M.F.J. van Bakel
- JCDI
JCDI:ADS975692:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ervan uitgaande dat de btw niet kan worden geclaimd bij het Btw-compensatiefonds.
Het is van belang om te erkennen dat neutraliteit in sommige contexten ook een politieke component kan hebben. Neem bijvoorbeeld het overheidsbeleid dat samenwerking tussen gemeenten stimuleert. De doelstellingen van dit beleid, gericht op samenwerking, kunnen gedeeltelijk of volledig ondermijnd worden door de belastingheffing die bij dergelijke samenwerkingsverbanden kan ontstaan. In het Nederlandse overheidsbeleid is de afgelopen jaren aangestuurd op meer samenwerking door decentrale overheden. Zie hierover o.a. Bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 28 750, nr. 52 en Kamerstukken II 2013/14, 33 750 VII, nr. 59. bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 35 788, nr. 77
Het neutraliteitsbeginsel vormt mijns inziens een zeer geschikt criterium om de gevolgen van de samenwerking door non-profitorganisaties te beoordelen. Samenwerking heeft tot gevolg dat voorheen individueel verrichte handelingen op een andere wijze worden vormgegeven. Vanuit de neutraliteitsgedachte leidt dit tot twee belangrijke vragen. In de eerste plaats of de gekozen samenwerkingsvorm in een andere fiscale behandeling resulteert ten opzichte van de situatie dat de activiteiten volledig zelfstandig zouden zijn verricht. Dit relateert aan de hiervoor besproken juridische dimensie van neutraliteit. De tweede belangrijke vraag is of de fiscale gevolgen van de samenwerking een verstorende invloed hebben op de concurrentieverhoudingen of leiden tot hogere kosten. Hoewel de juridische en economische dimensies van neutraliteit verschillen qua inhoud hangen ze voor een belangrijk deel met elkaar samen. De hierbedoelde synthese worden geïllustreerd met het volgende (gesimplificeerde) voorbeeld.
Voorbeeld
Gemeente A en Gemeente B hebben ieder een eigen ophaaldienst voor de inzameling van huishoudelijk afval. Uit overwegingen van kostenbesparing en verbetering van de efficiency wordt besloten de huisafvalinzameling onder te brengen in een gemeenschappelijke regeling. De gemeenschappelijke regeling kwalificeert als zelfstandige btw-ondernemer die integraal aan de btw-heffing is onderworpen. Gemeente A zorgt voor de wagens en ander materiaal en Gemeente B neemt de administratie voor haar rekening. De inzameling van huisvuil is niet belast met btw aangezien sprake is van een aan de gemeenten opgedragen wettelijke taak.1 De prestaties die de gemeenten leveren aan de gemeenschappelijke regeling zijn daarentegen wel belast met btw. Deze btw vormt een additionele kostenpost aangezien de gemeenschappelijke regeling de btw niet kan verrekenen.2
De additionele kostenpost in het voorbeeld treedt zonder samenwerking niet op, omdat de activiteiten van het samenwerkingsverband dan intern bij de gemeenten worden verzorgd. Dit leidt tot een schending van het juridische neutraliteitsbeginsel. Het (juridische) verschil in fiscale behandeling maakt de samenwerking 21% duurder. Deze extra btw-druk tast de concurrentieneutraliteit tussen ondernemers aan. Dit laat zien dat de juridische en economische dimensies van neutraliteit op elkaar inwerken.3
Op basis van het voorgaande concludeer ik dat het neutraliteitsbeginsel als norm voorschrijft dat de fiscale wet- en regelgeving in principe geen voor- of nadelen mag scheppen voor (deelnemers aan) een samenwerkingsverband van een non-profitorganisatie. Het vorenstaande wil niet zeggen dat de fiscale wet- en regelgeving nooit tot een afwijkende fiscale behandeling mag leiden. Belangrijk is dan echter dat deze afwijkende fiscale behandeling strookt met de algemene uitgangspunten van de betreffende belastingwet en de daarop gebaseerde specifieke regeling.
Vanuit het streven naar een zo gelijk mogelijk fiscaal speelveld, vormt het neutraliteitsbeginsel naar mijn mening een geschikt centraal toetsingscriterium voor de evaluatie van fiscale regelingen op het gebied van samenwerkingen van non-profitorganisaties. Andere mogelijke toetsingscriteria, zoals het rechtszekerheidsbeginsel, zijn naar mijn mening minder geschikt. Het rechtszekerheidsbeginsel, dat vereist dat de wet duidelijk, voorspelbaar en consistent is, biedt te weinig specifieke richtlijnen voor de beoordeling van de fiscale aspecten van samenwerkingen van non-profitorganisaties. Het neutraliteitsbeginsel is in dit opzicht specifieker, omdat het direct betrekking heeft op de fiscale behandeling van de betrokken deelnemers en de verrichte activiteiten. Uiteraard geldt dat als de wet onduidelijk is over bepaalde fiscale regelingen, dit een belemmering kan vormen voor non-profitorganisaties bij het aangaan van samenwerkingen. Voor zover uit mijn analyse blijkt dat hiervan sprake is, zal ik deze aspecten signaleren, omdat ze onderdeel zijn van de algemene uitgangspunten van de belastingwet en de daarop gebaseerde specifieke regelingen.