HR, 11-02-2022, nr. 21/00039
ECLI:NL:HR:2022:167
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-02-2022
- Zaaknummer
21/00039
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:167, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑02‑2022; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2020:2751
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑01‑2021
- Vindplaatsen
V-N 2022/9.21 met annotatie van Redactie
NLF 2022/0407 met annotatie van Jeannette van der Vegt
NTFR 2022/796 met annotatie van Mr. M.H.W.N. Lammers
Viditax (FutD) 2022021112
FutD 2022-0494
Uitspraak 11‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Artikel 8:41, lid 3, Awb; samenhangende besluiten
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00039
Datum 11 februari 2022
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 december 2020, nrs. BK-19/00489 tot en met BK-19/004921., op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 18/4024, SGR 18/4025, SGR 18/4027 en SGR 18/4029) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2011 tot en met 2014 opgelegde naheffingsaanslagen in de dividendbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffings- en belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door F. Jagersma, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Griffierecht
3.1
Belanghebbende klaagt erover dat de griffier van de Hoge Raad van haar een te hoog bedrag aan griffierecht heeft geheven. De zaken met nummers 21/00039, 21/00040 en 21/00041 betreffen volgens belanghebbende samenhangende besluiten in de zin van artikel 8:41, lid 3, Awb. Daarom heeft de griffier volgens belanghebbende ten onrechte voor elke zaak afzonderlijk griffierecht geheven en moeten de door belanghebbende onder protest te veel betaalde bedragen worden gerestitueerd.
Dit betoog moet worden verworpen. De belastingaanslagen die in deze drie zaken aan de orde zijn, staan met betrekking tot de relevante feiten en omstandigheden niet in een zodanig nauw verband tot elkaar dat kan worden gezegd dat die belastingaanslagen samenhangende besluiten zijn in de zin van de hiervoor genoemde wetsbepaling.
3.2
Belanghebbende betoogt verder dat de griffier van de Hoge Raad haar beroep op betalingsonmacht had moeten toewijzen en dat hij ten onrechte de heffing van het griffierecht heeft voortgezet. Het griffierecht dat de gemachtigde van belanghebbende voor haar heeft betaald, moet daarom volgens belanghebbende worden gerestitueerd.
Dit betoog faalt reeds omdat belanghebbende, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet heeft aangetoond dat zijzelf en de rechtstreeks bij haar betrokken natuurlijke personen niet in staat zijn het griffierecht te voldoen.
3.3
Gelet op dit een en ander ziet de Hoge Raad in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk te restitueren.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑02‑2022
Beroepschrift 01‑01‑2021
Hoge Raad der Nederlanden
Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
Via webportaal
Kenmerk: […]
Betreft: beroep in cassatie tegen uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 2 december 2020 met nummers BK-SGR 19/00489 t/m BK-SGR 19/00492, betreffende naheffingsaanslagen dividendbelasting 2011, 2012, 2013 en 2014 ten name van [X] B.V. te [Z]
[…], 1 januari 2021
Edelhoogachtbare dames en heren,
Namens belanghebbende, [X] B.V., stel ik beroep in cassatie in tegen in hoofde genoemde uitspraak van Gerechtshof Den Haag (bijlage). Een volmacht is niet bijgevoegd, ondergetekende is advocaat.
Voeging en griffierecht
Belanghebbende verzoekt uw Raad dit cassatieberoep te voegen met de heden eveneens door belanghebbende ingestelde cassatieberoepen tegen de uitspraken van Gerechtshof Den Haag van 2 december 2020 met nummers BK-SGR 19/00486 t/m 19/00488 (inzake loonbelasting), BK-SGR 19/00493 t/m 19/00496 (inzake vennootschapsbelasting) en BK-SGR 19/00482 t/m 19/00485 (inzake inkomstenbelasting van DGA van belanghebbende) en slechts één keer griffierecht te heffen ter zake van de cassatieberoepen van belanghebbende. Deze cassatieberoepen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zoals blijkt uit de verwijzingen in de uitspraken.
Cassatiemiddel 1
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/ of het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2017, nr. 16/01006, ECLI:NL:HR:2017:249, BNB 2017/81 en/of het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2001, nr. 36306, ECLI:NL:HR:2001:AB2890, BNB 2001/397 en/of het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2015, nr. 14/04015, ECLI:NL:HR:2015: BNB 2015/166 en/of verzuim van vormen dat nietigheid van de bestreden uitspraak tot gevolg heeft, doordat het Hof onder 5.3.2 van de bestreden uitspraak heeft geoordeeld dat de inspecteur beschikt over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 lid 1AWR.
Toelichting cassatiemiddel 1
Tussen partijen is niet in geschil dat de naheffingsaanslag dividendbelasting 2011 slechts in stand kan blijven indien en voor zover is voldaan aan de vereisten van artikel 16 AWR. Aangezien het Hof in de uitspraak op het hoger beroep betreffende de aan de DGA van belanghebbende, [A], opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting (nummers BK-SGR 19/00882 tot en met BK- SGR 19/00485) had moeten oordelen dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 lid 1 AWR, heeft het Hof onder 5.3.2 van de bestreden uitspraak ten onrechte de grief van belanghebbende dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 16 AWR verworpen. Daarmee heeft het Hof artikel 16 AWR geschonden. Belanghebbende verwijst voor een onderbouwing hiervan naar het cassatieberoep van haar DGA met betrekking tot de inkomstenbelasting. Indien uw Raad de DGA daarin volgt dat geen sprake is van een nieuw feit, betekent dat de uitspraak van het Hof ter zake van de dividendbelasting op dit onderdeel evenmin stand kan houden en de naheffingsaanslag dividendbelasting 2011 moet worden vernietigd.
Cassatiemiddel 2
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:69 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht en/of artikel 8:77 lid 1 sub b van de Algemene wet bestuursrecht en/of het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2004, nr. 40 296, ECLI:NL:HR:2004:AR4761, BNB 2005/64 en/of het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2006, nr. 41 341, ECLI:NL:HR:2006:AY8651, V-N 2006/50.7 en/of het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2017, nr. 17/01293, ECLI:NL:HR:2017:2757, BNB 2018/34 en/of het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2019, nr. 18/02897, ECLI:NL:HR:2019:786, V-N 2019/26.22 en/of verzuim van vormen dat nietigheid van de bestreden uitspraak tot gevolg heeft, doordat het Hof de door belanghebbende aangevoerde hoger beroepsgronden met betrekking tot de effectenlening niet in de beoordeling heeft betrokken en het Hof de gehele effectenlening in 2011 als uitgedeeld heeft aangemerkt.
Toelichting cassatiemiddel 2
In de onderdelen 5.4.1 tot en met 5.4.6 van de bestreden uitspraak staat de vraag centraal of vordering van belanghebbende op haar directeur-grootaandeelhouder (een effectenlening) met een saldo per 31 december 2010 van € 1.030.098 terecht door de inspecteur als uitgedeeld in 2011 is beschouwd. Onder 5.4.4 en 5.4.5 van de bestreden uitspraak overweegt het Hof dienaangaande:
‘De Rechtbank heeft vastgesteld dat in 2011 uiteindelijk alle effecten zijn verkocht en dat, anders dan in de overeenkomst tussen de dga en belanghebbende is bepaald, de verkoopopbrengst van de effecten niet is gebruikt voor de aflossing van de effectenlening, doch voor andere doeleinden is aangewend. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de dga, de schuld ter zake van de effectenlening niet zal aflossen. De Rechtbank heeft daaraan terecht de conclusie verbonden dat de gehele effectenlening in 2011 is uitgedeeld.
Uit hetfeit dat de dga zowel de hoedanigheid heeft van enig aandeelhouder van belanghebbende als die van enig bestuurder van belanghebbende, en hij in die hoedanigheden de effectenleningovereenkomst is aangegaan, mag ervan worden uitgegaan dat hij op de hoogte was van de inhoud van de bepalingen in de effectenleningovereenkomst. Dat hij — in strijd met de bepalingen van die overeenkomst — bij verkoop van de aandelen de verkoopopbrengst niet heeft aangewend ter aflossing van de effectenlening leidt tot de conclusie dat hij zich in beide hoedanigheden bewust moet zijn geweest van zijn handelwijze, die heeft geleid tot een vermogensverschuiving van belanghebbende naar de dga, en dat daarmee is voldaan aan het vereiste van dubbele bewustheid.’
De door belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank aangevoerde grieven met betrekking tot voornoemde uitdeling zijn door het Hof in de bestreden uitspraak in het geheel niet in de beoordeling betrokken. Daarmee heeft het Hof het recht geschonden, in het bijzonder artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:69 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht en/of artikel 8:77 lid 1 sub b van de Algemene wet bestuursrecht en/of het arrest van uw Raad van 22 september 22 september 2006, nr. 41 341, ECLI:NL:HR:2006:AY8651, V-N 2006/50.7 en/of het arrest van uw Raad van 27 oktober 2017, nr. 17/01293, ECLI:NL:HR:2017:2757, BNB 2018/34 en/of het arrest van uw Hoge Raad van 24 mei 2019, nr. 18/02897, ECLI:NL:HR:2019:786, V-N 2019/26.22.
Uit deze wetsartikelen en jurisprudentie blijkt dat het Hof niet kon volstaan met een marginale toetsing van de juistheid en/of redelijkheid van de uitspraak van de rechtbank, maar het Hof de zaak opnieuw inhoudelijk had moeten beoordelen, op basis van hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd. De handelwijze van het Hof klemt temeer nu dit niet de eerste keer is dat dit gebeurt en het Hof daar door uw Raad al op is aangesproken, zie het arrest van uw Raad van 24 mei 2019, nr. 18/02897, ECLI:NL:HR:2019:786 en de aantekening van de redactie van Vakstudie Nieuws in V-N 2019/29.22.
De kern van de grieven van belanghebbende met betrekking tot de effecten lening is, dat zich vóór 2011 al een onbeheersbare schuldpositie voordeed en dat het vóór 2011 al onwaarschijnlijk was dat de DGA van belanghebbende de effectenlening (en zijn overige schulden aan belanghebbende) ooit nog (geheel) zou kunnen aflossen, alsmede dat de effectenlening al vóór 2011 definitief het vermogen van belanghebbende heeft verlaten in de zin van het arrest van uw Raad van 20 oktober 2004, nr. 40 296, ECLI:NL:HR:2004:AR4761, BNB 2005/64. Noch uit de uitspraak van de rechtbank, noch uit de uitspraak van het Hof kan worden afgeleid waarom hetgeen belanghebbende dienaangaande heeft aangevoerd faalt en zich pas in 2011 een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in het arrest BNB 2005/64. In zoverre is de uitspraak van het Hof onbegrijpelijk en niet naar de eisen der wet met voldoende redenen omkleed.
Voor wat betreft het vereiste van de dubbele bewustheid acht belanghebbende het niet relevant dat zij en haar DGA zich bewust moeten zijn geweest van de inhoud van de leningovereenkomst, want de door het Hof aangenomen uitdeling is niet gelegen in het niet-nakomen van deze overeenkomst. Het draait het om de vraag of belanghebbende en haar DGA zich bewust waren van dat zich in 2011 een vermogensverschuiving van € 1.030.098 van belanghebbende naar haar DGA heeft voorgedaan, alsmede uit welke feiten en omstandigheden dat blijkt. Uit de (gekunstelde) bewoordingen van het Hof blijkt dat niet, noch uit de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft voor het Hof gemotiveerd betwist dat is voldaan aan het dubbele bewustheidsvereiste. Ook deze gronden zijn door het Hof niet in de beoordeling betrokken. In zoverre is de uitspraak van het Hof onbegrijpelijk en niet naar de eisen der wet met voldoende redenen omkleed.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing voor een beoordeling van de onbesproken gelaten grieven van belanghebbende met betrekking tot de effectenlening.
Cassatiemiddel 3
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:69 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht en/of artikel 8:77 lid 1 sub b van de Algemene wet bestuursrecht en/of het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2004, nr. 40 296, ECLI:NL:HR:2004:AR4761, BNB 2005/64 en/of het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2006, nr. 41 341, ECLI:NL:HR:2006:AY8651, V-N 2006/50.7 en/of het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2017, nr. 17/01293, ECLI:NL:HR:2017:2757, BNB 2018/34 en/of het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2019, nr. 18/02897, ECLI:NL:HR:2019:786, V-N 2019/26.22 en/of verzuim van vormen dat nietigheid van de bestreden uitspraak tot gevolg heeft, doordat het Hof de door belanghebbende aangevoerde hoger beroepsgronden met betrekking tot de rekening-courantschuld van de DGA niet in de beoordeling heeft betrokken en het Hof de rekening-courantschuld niet als uitgedeeld heeft aangemerkt.
Toelichting cassatiemiddel 3
Onder 5.5 tot en met 5.9.3 van de bestreden uitspraak gaat het Hof in op de door de inspecteur gestelde uitdelingen over 2012 tot en met 2014 met betrekking tot de rekening-courantschuld van de DGA van belanghebbende (de mutaties en de rentebijschrijvingen). Hiervoor geldt mutatis mutandis hetgeen belanghebbende in het kader van cassatiemiddel 1 heeft aangevoerd, namelijk dat het Hof ten onrechte de door belanghebbende in hoger aangevoerde gronden met betrekking tot deze rekening-courantschuld niet in de beoordeling heeft betrokken. In zoverre is de uitspraak van het Hof onbegrijpelijk en niet met voldoende redenen omkleed.
Voorts zijn de oordelen van het Hof tegenstrijdig en onbegrijpelijk. Dat belanghebbende niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat de DGA niet meer in staat is de gehele rekening-courantschuld af te lossen, is in de eerste plaats onbegrijpelijk omdat de inspecteur zelf in het kader van de aanslagregeling betreffende de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2011 het standpunt heeft ingenomen dat de DGA deze rekening-courantschuld niet kan aflossen, zie het cassatieberoep van [A] betreffende de inkomstenbelasting. Bovendien strookt dit niet met de uitspraak van het Hof van 1 december 2020 betreffende de naheffingsaanslagen loonheffingen over 2012 en 2013 met nummers BK-19/00486 tot en met BK-19/00488. Blijkens onderdeel 5.3 van deze uitspraak kan de DGA deze rekening-courantschuld feitelijk alleen (nog) gedeeltelijk aflossen door middel van het verrekenen van pensioenuitkeringen en had de gehele pensioenaanspraak van belanghebbende op enig moment vóór 2011 als loon moeten zijn belast. Belanghebbende heeft in zijn motivering van het hoger beroep betreffende de loonheffingen gesteld dat dit loon moet worden verrekend met de schulden van belanghebbende en heeft daarbij de waarde van de aanspraken per 31 december 2010 becijferd op € 1.616.799. Na verrekening van deze pensioenuitkeringen ad € 1.616.799 met de rekening-courantschuld ad € 3.627.211 resteert er een aanzienlijke rekeningcourantschuld per 1 januari 2011 van € 2.010.412. Aangezien het Hof voorts de pensioenaanspraken over 20212 en 2013 tot het belastbaar loon van belanghebbende heeft gerekend, valt niet in te zien waaruit de rekening-courantschuld ooit nog kan worden afgelost.
Als de inspecteur bovendien aannemelijk heeft gemaakt dat er in 2011 een zodanige financiële situatie is ontstaan dat het aannemelijk is dat de DGA de effectenlening ad € 1.030.098 nooit meer (geheel) zal terugbetalen, dan ligt daarin besloten dat de DGA ook de (veel hogere) rekening-courantschuld nooit meer (geheel) kan terugbetalen en laatstgenoemde schuld ook uiterlijk in 2011 als uitgedeeld heeft te gelden.
Daar doet een aflossing van € 50.362 in 2011 niets aan af, mede gelet op de omvang van de rekeningcourantschuld van € 3.627.211 (dan wel € 2.010.412 na verrekening van de pensioenuitkeringen) en een totale schuldenlast van de DGA aan belanghebbende per 31 december 2010 van maar liefst € 5.193.185 (dan wel € 3.576.386).
Dat de rechtbank terecht zou hebben geoordeeld dat geen sprake is van een schijnlening, is onbegrijpelijk en niet relevant. Het gaat hier om een lening als bedoeld in het arrest van uw Raad van 20 oktober 2004, nr. 40 296, ECLI:NL:HR:2004:AR4761, BNB 2005/64, oftewel een bodemlozeputlening. In zoverre heeft het Hof het recht geschonden. Bovendien is het Hof inconsequent: in het kader van de effectenlening hanteert het Hof wel de regels uit het arrest BNB 2005/64. Het Hof wekt hiermee de schijn deze regels selectief toe te passen, namelijk alleen in dat dit in het voordeel van de inspecteur is. Een dergelijke handelwijze is uiteraard niet geoorloofd.
Als in 2011 nog sprake is van een lening waarvan het aannemelijk is dat die nog zal kunnen worden terugbetaald, dan valt bovendien niet in te zien waarom dat in 2012 ineens anders is geworden. Dit klemt temeer nu belanghebbende gemotiveerd heeft betoogd dat 2011 geen kantelpunt is voor wat betreft de financiële situatie van belanghebbende en haar DGA. Ook in zoverre is de uitspraak onbegrijpelijk en niet naar de eisen der wet met voldoende redenen omkleed.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing voor een beoordeling van de onbesproken gelaten grieven van belanghebbende met betrekking tot de rekeningcourantschuld van de DGA en de in dat kader door de inspecteur aangenomen uitdelingen over 2012, 2013 en 2014.
Cassatiemiddel 4
Schending van het recht, in het bijzonder de artikelen 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, en/of verzuim van vormen dat nietigheid van de bestreden uitspraak tot gevolg heeft, doordat het Hof de inspecteur niet heeft opgedragen het griffierecht voor het hoger beroep te restitueren aan belanghebbende en het Hof geen termen heeft gezien voor veroordeling van de inspecteur in de kosten van het hoger beroep.
Toelichting cassatiemiddel 4
Het Hof heeft ten onrechte het principale hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en/of het incidentele hoger beroep van de inspecteur gegrond. Het Hof heeft daarom ten onrechte de inspecteur niet opgedragen het griffierecht te vergoeden aan belanghebbende en ten onrechte de inspecteur niet veroordeeld in het vergoeden van de proceskosten van het principale en/of het incidentele hoger beroep en daarmee de artikelen 8:74 en 8:75 Awb geschonden. Dit zal door het verwijzingshof alsnog dienen te geschieden.
Conclusies
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het cassatieberoep, vernietiging van de uitspraken van het Hof en van de rechtbank, vernietiging van de naheffingsaanslag dividendbelasting 2011 en verwijzing voor een behandeling van de onbesproken gronden van het hoger beroep van belanghebbende.
Belanghebbende verzoekt uw Raad de Staatssecretaris van Financiën op te dragen het griffierecht van dit cassatieberoep en van het hoger beroep aan belanghebbende te restitueren, alsmede om de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de kosten van dit cassatieberoep, een en ander verhoogd met wettelijke rente.
Belanghebbende acht bijzondere omstandigheden aanwezig in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht die een veroordeling van de Staatssecretaris van Financiën in de werkelijke kosten van dit cassatieberoep rechtvaardigen. Het Hof heeft lichtvaardig en niet pleitbaar gehandeld door te volstaan met te verwijzen naar de uitspraken van de rechtbank in plaats van de door belanghebbende aangevoerde gronden van het hoger beroep inhoudelijk te beoordelen. Belanghebbende moet erop kunnen vertrouwen dat het Hof nauwgezet en kenbaar de gronden van het hoger beroep beoordeelt en objectief het recht toepast, ongeacht de subjectieve opvattingen van het Hof over de geschillen en/of belanghebbende. De redelijkheid en billijkheid speelt behoudens de door de inspecteur in acht te nemen beginselen van behoorlijk bestuur in het fiscale recht (nagenoeg) geen rol en vormt geen rechtvaardigingsgrond om de juiste toepassing van het recht achterwege te laten en/of om te volstaan met een marginale beoordeling van de zaak. Dit volgt ook uit artikel 11 Wet algemene bepalingen. De nalatige handelwijze van het Hof klemt temeer nu uw Raad dit gerechtshof er al eerder op heeft aangesproken dat het niet kan volstaan met het overnemen van de uitspraak van de rechtbank, zie het arrest van uw Raad van 24 mei 2019, nr. 18/02897, ECLI:NL:HR:2019:786, V-N 2019/26.22. Kennelijk heeft het Hof hier geen lering uit getrokken. Belanghebbende begroot haar werkelijke kosten van dit cassatieberoep op € 2.500 en verzoekt uw Raad de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in het aan belanghebbende vergoeden van dit bedrag, te verhogen met wettelijke rente.
Indien de redelijke termijn voor de behandeling van dit cassatieberoep wordt overschreden, verzoekt belanghebbende uw Raad haar een immateriële schadevergoeding toe te kennen, te verhogen met wettelijke rente.