Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/4.3
4.3 De regeling van het bestuursverbod in de statuten van de Noord-Italiaanse handelssteden in de late Middeleeuwen
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS449874:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder 4.2 hiervoor.
Saleilles (1895), p. 22.
Saleilles (1895), p. 21-22.
Meyer (2000), p. 56-57.
Commenda’s werden niet langer slechts voor één (zee)reis aangegaan maar voor een langere periode; zie Renaud (1881), p. 14-16, Hilaire (1986), p. 181.
Meyer (2000), p. 56-57.
Asser (1983), p. 274, Mehr (2008), p. 144-167, Ribstein (2010), p. 40.c
Asser (1983), p. 226.
Saleilles (1895), p. 49, Hilaire (1986), p. 171-172, Meyer (2000), p. 59.
Zo luidde de motivering van de statuten van Florence van 1408. Zie Mehr (2008), p. 173.
Later ook in Lucca (1554), Bologna (1583), Rome (1626) en Siena (1644)); zie Potu (1910), p. 126-127, Mehr (2008), p. 172.
Onder andere de Medici’s maakten voor hun zakelijke activiteiten al snel na haar introductie veelvuldig gebruik van de accomandita; zie De Roover (1963), p. 43 en p. 89.
Mehr (2008), p. 173-176.
Hansmann, Kraakman & Squire (2006), p. 1373.
De relevante onderdelen van de tekst van deze statuten is, tezamen met een Duitse vertaling, te vinden op een CD-rom met een digitale bronnenbijlage die is bijgesloten bij Mehr (2008).
Mehr (2008), p. 175-176.
Arcangeli (1903), p. 182, waarover instemmend: Potu (1910), p. 126.
Asser (1983), p. 258, p. 262-263 en p. 270-273.
Rota Genua, decisio 39, en in enigszins afgezwakte vorm, decisio 46. Zie over deze problematiek: Frémery (1833), p. 59-60, Asser (1983), p. 240-241, Mehr (2008), p. 74-75. De tekst van beide voornoemde decisiones is te vinden op een digitale bronnenbijlage bij Mehr (2008).
Arcangeli (1903), p. 182, Potu (1910), p. 126.
Arcangeli (1903), p. 182, Potu (1910), p. 126.
Saleilles (1895), p. 52-53.
Saleilles (1895), p. 22-23. Zo ook Van Brakel (1908), p. 168 en p. 180, die dit beginsel enigszins dwingender formuleert: als een vennoot uitgesloten is van het voeren van beheer, dan is het noodzakelijke gevolg daarvan dat hij voor verbintenissen van de vennootschap niet verder aansprakelijk is dan tot een door hem zelf gekozen limiet.
Saleilles (1895), p. 52-53.
Vivante/Escarra (1911), p. 178, voetnoot 2.
Delangle (1843), p. 346, Renaud (1881), p. 20, Saleilles (1895), p. 52.
Zie 2.2.1.3.2 hierboven.
Het citaat is te vinden bij Potu (1910), p. 126.
Potu (1910), p. 127.
Het citaat is te vinden bij Potu (1910), p. 127 en, tezamen met een – overigens niet goed lopende- Duitse vertaling, op een digitale bronnenbijlage die is bijgesloten bij Mehr (2008).
Potu (1910), p. 127, Vivante/Escarra (1911), p. 179. Zie voor de teksten van deze akten: Lastig (1891), p. 53, p. 65, p. 66, p. 75, p. 76, p. 83, p. 85, p. 89 en p. 96.
Potu (1910), p. 128.
In Florence werd de accomandita toentertijd op grote schaal toegepast en bovendien had Florence een vooraanstaande rol binnen de groep van Noord-Italiaanse handelssteden, zodat aannemelijk is dat aan de uitspraken van de Florentijnse rechters op dit terrein ook buiten Florence de facto veel gezag toekwam. Zie Potu (1910), p. 128.
Uitspraak van de rota fiorentina van 25 augustus 1705, waarover Arcangeli (1903), p. 52-53. Zie over deze ontwikkeling Potu (1910), p. 128-129.
Bij de oudste vormen van de commenda stelde een commendator goederen ter beschikking aan een tractator. Deze nam de taak op zich de goederen na een overzeese reis te verkopen waarna de winst volgens een tevoren overeengekomen sleutel zou worden verdeeld.1 De tractator contracteerde met derden in eigen naam en was daarmee uitsluitend zelf gebonden; derden konden de commendator, wiens bestaan zij doorgaans zelfs niet kenden, niet aanspreken.2 De commenda was daarmee een interne aangelegenheid tussen de commendator en de tractator; jegens derden bestond zij niet.3 In een latere fase van de ontwikkeling kon de commendator niet langer achter het scherm van de tractator verborgen blijven. Daarbij speelden twee omstandigheden een rol. In de eerste plaats kwam het voor dat de goederen van de commendator, die de tractator nog steeds op eigen naam en dus nog steeds met de bedoeling uitsluitend zichzelf te binden te koop aanbood, van zodanige herkomstkenmerken en familiewapens van de commendator werden voorzien dat handelscrediteuren wisten althans konden weten van wie de aangeboden goederen afkomstig waren.4 In de tweede plaats begonnen stedelijke autoriteiten commerciële samenwerkingsverbanden, gelet op de groei van hun aantal, de toename van hun omvang en hun meer permanente karakter,5 ertoe te verplichten zich in een voor het publiek toegankelijk register in te schrijven.6 Deze verplichting leidde in de handelspraktijk tot onzekerheid over de geldigheid of althans de afdwingbaarheid jegens derden van het beding dat een of meer der vennoten niet, zoals gebruikelijk,7 onbeperkt en doorgaans hoofdelijk voor de schulden van het samenwerkingsverband aansprakelijk waren. Daarbij zal een rol hebben gespeeld dat de doctrinaire ontwikkeling van een beperking van de aansprakelijkheid van vennoten toentertijd nog in de kinderschoenen stond.8 De onzekerheid werd mede in de hand gewerkt doordat de voor een samenwerkingsverband gebruikte termen als commenda, societas (maris) en compania nog geen vastomlijnde betekenis hadden en in de praktijk door elkaar werden gebruikt.9 De koopliedenstand drong er dan ook op aan om aan deze onzekerheid een einde te maken en buiten twijfel te stellen dat het geoorloofd was te investeren in een onderneming zonder dat dit ipso facto onbeperkte aansprakelijkheid met zich bracht voor de investeerder.10 Dit appel werd gehonoreerd: de belangrijkste Italiaanse handelssteden, als eerste Florence in 1408,11 kondigden statuten af die uitdrukkelijk toestonden dat bij de rechtsvorm van de accomandita de aansprakelijkheid van bepaalde vennoten kon worden beperkt.12 Om dat te bereiken moest wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan, waaronder doorgaans de volgende:13
de aansprakelijkheidsbeperking moest uitdrukkelijk worden overeengekomen;
de accomandita-overeenkomst moest in een openbaar register worden gepubliceerd. Daarmee dienden ook de namen van de accomendantes, dus de kapitaalverstrekkende vennoten, openbaar te worden gemaakt. Dit was in het bijzonder bedoeld om derden in staat te stellen zich te vergewissen van de aansprakelijkheidsverhoudingen binnen de accomandita; en
de accomendans mocht niet deelnemen aan de ondernemingsleiding: hierin is het bestuursverbod voor de commanditaire vennoot in zijn vroegste gedaante te herkennen.14
Niet alle statuten bevatten een expliciete regeling van het bestuursverbod. In de statuten van Florence van 1408 en in die van Bologna van 158315 was dit verbod niet met zoveel woorden opgenomen. Volgens vele schrijvers moet desondanks worden aangenomen dat de kapitaalverstrekkende vennoot zich ook onder het regime van deze statuten niet met het bestuur van de vennootschap mocht inlaten. Mehr meent dat dit volgt uit de definitie van de accomandita in deze statuten. Deze definitie bepaalde dat de ene vennoot geld of goederen ter beschikking stelde van de andere vennoot om daarmee te handelen. Met deze definitie laat een bemoeienis van de accomendans met de bedrijfsleiding zich niet verenigen, volgens Mehr.16 Dit beroep op de – niet heel trefzeker geformuleerde – tekst van deze statuten is niet overtuigend. Met een andere benadering kwam Arcangeli deels tot een vergelijkbaar resultaat.17 Naar zijn opvatting was het verbod voor de accomendans om bestuurshandelingen te verrichten die zich naar buiten manifesteren zozeer in het handelsverkeer geworteld, dat dit als een regel van gewoonterecht moest worden beschouwd. Steun voor deze opvatting kan worden gevonden in een ontwikkeling in de rechtspraak en de doctrine, waarin zich een onderscheid begon af te tekenen tussen de louter kapitaal verschaffende vennoot, die beperkt aansprakelijk werd gehouden, en de vennoten die het bestuur voerden en hoofdelijk voor de vennootschapsschulden aansprakelijk waren.18 Ook de rechtspraak van de gezaghebbende rechtbank van Genua wees in deze richting. Vaste jurisprudentie van deze rechtbank was dat slechts degene die namens een commercieel samenwerkingsverband naar buiten optrad onbeperkt aansprakelijk was voor de schulden van dit samenwerkingsverband, ongeacht wat tussen partijen te dezer zake was overeengekomen.19 Daarmee werd het volgens Arcangeli niet nodig geoordeeld expliciet een bestuursverbod betreffende zich extern manifesterende handelingen in de tekst van de stedelijke statuten op te nemen.20 Anders lag dat volgens Arcangeli voor de bevoegdheid van de accomendans zich in te laten met de bedrijfsvoering, indien en voor zover daarvan niet naar buiten bleek: naar zijn opvatting was zulks de accomendans destijds naar algemeen gevoelen wel toegestaan. Dat vormde in zijn opvatting dan ook de reden waarom de statuten geen expliciete bepaling bevatten waarin de accomendans het recht op deze louter interne bestuursbemoeienis werd onthouden: er was geen reden voor een verbod.21 Een andere argumentatie voor het zwijgen van sommige stedelijke statuten over een bestuursverbod voor de kapitaalverschaffende partij is ontwikkeld door Saleilles. Hij betoogde dat er destijds behoefte bestond aan een juridische rechtvaardiging voor de in het handelsverkeer gewenste beperking van de aansprakelijkheid. Deze vormde immers een ernstige inbreuk op de alom als billijk ervaren hoofdregel dat een persoon onbeperkt aansprakelijk was voor zijn schulden en daarom met zijn gehele vermogen daarvoor instond. Wanneer een vennoot slechts tot het bedrag van zijn inbreng aansprakelijk wenste te zijn, maakte hij dus aanspraak op een bijzonder voorrecht. Dat behoefde een rechtvaardiging en deze werd gevonden in de regel dat het de accomendans niet geoorloofd was zich met de bedrijfsvoering in te laten.22 Dit sloot aan bij de opvatting dat een persoon niet onbeperkt aansprakelijk kon zijn voor de gevolgen van verbintenissen op de totstandkoming waarvan hij geen invloed kon uitoefenen.23 Als iemand dus slechts tot het bedrag van zijn inbreng aansprakelijk wenste te zijn voor de schulden van de accomandita waarin hij deelnam, dan had hij zich te onthouden van een activiteit die een vennoot normaliter wel kon uitoefenen, namelijk het leiden van het bedrijf. Het bestuursverbod was in deze opvatting dus een rechtvaardigende voorwaarde voor de beperking van de aansprakelijkheid. Deze regel was volgens Saleilles zo vanzelfsprekend dat een uitdrukkelijke neerlegging daarvan in algemeen bindende regelgeving overbodig was.24 Wat al deze schrijvers dus gemeen hadden is dat zij, met een op onderdelen uiteenlopende argumentatie, van oordeel waren dat er destijds, ook bij het zwijgen van de stedelijke statuten op dit punt, wel degelijk een bestuursverbod gold voor de kapitaalverstrekkende vennoot, althans voor zover het handelingen betrof die naar buiten kenbaar waren.
Een diametraal tegenovergesteld standpunt werd verkondigd door andere schrijvers. Deze betoogden dat uit het zwijgen van de stedelijke statuten moest worden afgeleid dat de accomandita geen bestuursverbod kende. Zo meende Vivante/Escarra, verwijzend naar oudere Italiaanse auteurs, dat het bestuursverbod vóór de inwerkingtreding van de Code de Commerce in 1808 niet als een rechtsregel kon worden beschouwd. Als argument voerde hij hiervoor aan dat uit talrijke notariële akten uit Bologna blijkt dat in de praktijk veelvuldig werd overeengekomen dat de accomendans bevoegd was invloed op het bestuur van de accomandita uit te oefenen.25 Hierop kom ik later in dit hoofdstuk terug. Interessant in dit verband is dat zelfs indien werd aangenomen dat er geen bestuursverbod gold, een beroep op de beperking van de aansprakelijkheid door de accomendans rechtens niet werd gehonoreerd ingeval de accomendatarius niet méér was dan een aan instructies gebonden zetbaas van de accomendans.26 De gedachte die ook terugkomt in de ruime leer zoals die heden ten dage in Nederland wordt verdedigd, en die ook door de meeste aanhangers van de beperkte leer wordt gedeeld,27 is hier al in essentie aanwezig.
Naast de stedelijke statuten waarin het bestuursverbod in ieder geval niet expressis verbis was opgenomen stonden de statuten van andere stadsstaten welker tekst wel een verbod bevatte voor de commanditair om zich in te laten met bestuurlijke activiteiten. Ik verwijs allereerst naar het Statuto fiorentino della Corte della Mercanzia (Statuut van de handelsrechtbank van Florence) van 26 maart 1585:
‘Se tali accomandite saronno cosi descritte, et non saranno administrate o governate da chi le dà, ma da chi le riceve, non sia tenuto chi le havrà date o darà in accomandita se non a quella somma o cosa che vi avrà messa, et utili e guadagni di quella, et ad altro non possa essere astretto e convenuto.28
De vertaling daarvan luidt als volgt:
‘Indien dergelijke accommandita’s aldus worden beschreven en het bestuur of het beheer daarvan niet berust bij diegene die de inbreng verricht maar bij diegene die deze ontvangt, is degene die deze heeft verricht of zal verrichten slechts verbonden voor het bedrag of de zaak die hij in accomandita heeft gegeven, alsmede voor de winst en de opbrengsten daarvan, en mogen hem geen verdere beperkingen of bepalingen worden opgelegd.’
De statuten van Siena van 2 april 1644 kenden een nagenoeg gelijke tekst.29 Ook de tekst van het door Kardinaal Barberini uitgevaardigde Romeins Edict van 30 juni 1626 is woordelijk vrijwel identiek aan de hierboven geciteerde tekst van het statuut van Florence van 1585:
‘Se tali conventioni d´accomandite si troveranno portate in detto archivio e non saranno amministrate o governate da chi le dà ma da chi le riceve, non sia tenuto chi l´haverà date o darà in accomandita se non a quella somma o cosa che vi harà messa, et utili e guadagni di quell, et ad altro non possa esser astretto o convenuto.30
Dit citaat luidt in vertaling als volgt:
‘Indien blijkt dat dergelijke accomandita-overeenkomsten in voornoemd archief voorhanden zijn en bestuur of het beheer daarvan niet berust bij diegene, die de inbreng verricht maar bij diegene die deze ontvangt, is degene die deze heeft verricht of zal verrichten slechts verbonden voor het bedrag of de zaak die hij in accomandita heeft gegeven, alsmede voor de winst en de opbrengsten daarvan, en mogen hem geen verdere beperkingen of bepalingen worden opgelegd.’
In de praktijk liet de naleving van deze bepalingen evenwel te wensen over. Talrijke notariële akten uit de 17e en begin 18e eeuw laten bepalingen zien waarbij de accomendans het recht werd toegekend zich te mengen in de bestuursaangelegenheden van de vennootschap.31 Een verklaring voor deze niet-naleving is niet eenvoudig te vinden. Betoogd is wel dat het bestuursverbod in de loop der tijd in onbruik was geraakt, althans minder vanzelfsprekend was geworden, en het handelsverkeer bestuursbemoeienis van de accomendans langzamerhand als een regel van gewoonterecht was gaan aanvaarden.32 Een dergelijke verklaring zou aansluiten bij een opmerkelijke ontwikkeling die zich blijkens een uitspraak van de Florentijnse rechtbank uit het begin van de 18e eeuw in ieder geval in Florence heeft voorgedaan.33 In haar uitvoerige uitspraak van 25 augustus 1705 maakte deze rechtbank, naar eigen zeggen in navolging van de doctrine, een onderscheid tussen twee vormen van accomandita. De eerste vorm was de accomandita regolare, waarbij de accomendans zich het beheer over het goed of het geld waarmee door de accomendatarius handel wordt gedreven voorbehoudt. Daarmee was het de accomendans geoorloofd invloed op het bestuur van de vennootschap en de door haar gedreven onderneming uit te oefenen en was een bestuursverbod dus niet aan de orde. De tweede vorm was de accomandita irregolare, waarbij de accomendans het beheer van zijn inbreng afstond aan de accomendatarius; in deze variant mocht hij zich niet met het beheer inlaten en was het bestuursverbod dus wel in stand gebleven.34 Opvallend daarbij is niet alleen het bestaan van deze tweedeling van de accomandita als zodanig, maar wellicht nog meer de omstandigheid dat de variant waarin het bestuursverbod was verdwenen als de reguliere vorm van de accomandita werd aangemerkt (accomandita regolare) en de variant waarin het bestuursverbod nog wel bestond als de nietreguliere vorm (accomandita irregolare). Deze terminologie zou er inderdaad op kunnen duiden dat het bestuursverbod althans in Florence niet langer als de regel, maar als de uitzondering daarop werd gezien. Wat daar ook van zij, in ieder geval was het bestuursverbod in deze aanvangsperiode geen rustig bezit.