Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.2.1
5.2.1 Wat houdt het uitkeringsverbod in?
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232250:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Lubbers 1978; Burgerhart 2004, p. 41; C.A. Schwarz, ‘Het vermogen van de stichting en het uitkeringsverbod’, in: M.L. Lennarts, W.J.M. van Veen & D.F.M.M. Zaman (red.), De stichting, Kritische beschouwingen over de wettelijke regeling voor een veelzijdige rechtsvorm, Den Haag: Sdu Uitgevers 2011, p. 37; Van Veen 2012, p. 384; Asser/Rensen 2-III 2017/323. Vgl. ook Handelingen II 1955-1956, p. 2131.
Zo ook Van Houte 2009, p. 21. Van een natuurlijke verbintenis is sprake a. wanneer de wet of een rechtshandeling aan een verbintenis de afdwingbaarheid onthoudt of b. wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt (artikel 6:3 lid 2 BW). Onder a. valt dan, bijvoorbeeld, het voldoen van een verjaarde vordering. Naar mijn mening kan een rechtspersoon ook een dringende morele verplichting jegens een derde hebben. Het is hier niet de plaats in te gaan op de natuurlijke verbintenis. Voor meer recente algemene werken verwijs ik naar Asser/Sieburgh 6-I 2016/60-90; Asser/Perrick 4 2017/252-276; F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Monografieën BW nr. B82), Deventer: Kluwer 2011.
Asser/Perrick 4 2017/259: ‘Hij die een schuld voldoet schenkt niet. Van verrijking en verarming is in dat geval geen sprake. Bovendien bestaat geen bevoordelingsbedoeling (animus donandi), maar is sprake van schulddelging (animus solvendi). Ditzelfde geldt voor hem, die voldoet aan een natuurlijke verbintenis. Want dit is evenzeer een rechtsplicht, al kan deze niet voor de rechter worden afgedwongen.’
Lubbers 1978.
Dijk/Van der Ploeg 2019/2.2.4 en de daar vermelde schrijvers; Lubbers 1978.
Zie ook Asser/Rensen 2-III 2017/324; Burgerhart 2004, p. 41; Van Veen 2012, p. 391.
Vgl. Commissie Claimcode, Claimcode 2019, Den Haag: Bju 2019. De Commissie Claimcode bestond uit: A.H. van Delden (voorzitter), E. Bauw, J.H. Lemstra, R.W. Okhuijsen, R.W. Polak, W. Tonkens-Gerkema en J. van Mourik (secretaris).
J.H. Lemstra, De claimstichting, in: G. van Solinge e.a., Relativering van rechtspersoonlijkheid, Serie Van der Heijden Instituut nr. 114, Deventer: Kluwer 2012, p. 113-114. Een ander door Lemstra besproken voorbeeld is Stichting Loterijverlies.nl.
Het uitkeringsverbod is opgenomen in artikel 2:285 lid 3 BW:
‘Het doel van de stichting mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben.’
Onder het uitkeringsverbod vallen daardoor onverplichte prestaties anders dan uit ideële of sociale strekking of uitkeringen aan bestuurders en vergelijkbare personen, zonder tegenprestatie of tegen een tegenprestatie van een lagere waarde. Dergelijke prestaties mag een stichting slechts verrichten indien hiertoe een rechtsplicht bestaat.
Omdat het begrip ‘uitkering’ van belang is voor de stichting in het algemeen, valt een alomvattende analyse van dit begrip buiten het onderzoeksgebied. Ik beperk mij daarom tot een kort overzicht ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van een uitkering.
Van een uitkering is sprake als de stichting een onverplichte prestatie verricht waartegenover geen gelijkwaardige tegenprestatie staat. Algemeen wordt daardoor een beperkte inhoud van het begrip ‘uitkering’ aangenomen. Uitkeringen kunnen zowel in geld als in natura plaatsvinden.1
Als de stichting een prestatie verricht die voortvloeit uit een door een derde opgelegde plicht zoals een last of een legaat, is geen sprake van een uitkering.2 Ook als de stichting een natuurlijke verbintenis nakomt, is van een onverplichte prestatie geen sprake.3 De betaling van een verjaarde declaratie is de nakoming van een natuurlijke verbintenis en is zeker geen schenking,4 en dus ook geen uitkering.
In het bijzonder mag de stichting niet ten doel hebben uitkeringen te doen aan oprichters en personen die deel uitmaken van de organen van de stichting. Onder oprichters en personen die deel uitmaken van organen van de stichting dienen te worden verstaan alle (rechts)personen aan wie beslissingsmacht is gegeven: bestuurders, commissarissen, zij die een benoemingsrecht hebben, zij die toestemming moeten geven voor de uitkeringen, enzovoort.5 Uit artikel 2:285 lid 3 BW zou echter kunnen worden afgeleid dat aan hen ook geen uitkeringen kunnen worden gedaan als deze een ideële of sociale strekking hebben. Dit betreft de vraag of het uitkeringsverbod ziet op uitkeringen aan oprichters en zij die deel uitmaken van de organen ‘als zodanig’6 of op alle uitkeringen. De hoofdstroming in de literatuur is van mening, dat het verbod ziet op het tot doel hebben van uitkeringen aan oprichters en leden van organen ‘als zodanig’.7 Niet onder het uitkeringsverbod vallen daardoor uitkeringen aan bestuurders etc. waarbij het zijn van bestuurder etc. geen rol speelt bij het verkrijgen van een uitkering.
Uit het vorenstaande blijkt dat het in artikel 2:285 lid 3 BW niet gaat om het doen van uitkeringen, maar dat een stichting niet tot doel mag hebben bepaalde uitkeringen te doen. De doorgaans gebruikte term ‘uitkeringsverbod’ zet ons dan ook op het verkeerde been. Het is beter te spreken van ‘verboden uitkering’. Deze terminologie geeft beter weer dat niet alle uitkeringen verboden zijn, maar slechts bepaalde uitkeringen. Ik kom hierop in het volgende onderdeel terug.
De vraag die beantwoord moet worden is wat met het doel wordt bedoeld. Onder het doel moet worden verstaan het eigenlijke, achterliggende doel als bedoeld in 4.3.2.1. Daar omschreef ik het achterliggende doel van de NV en de BV als geld verdienen (mede) voor de aandeelhouders. Bij de stichting is juist dit niet toegestaan. Het achterliggende doel van de stichting mag niet zijn het maken van winst ten behoeve van de oprichters of bestuurders etc. of het op andere wijze voorzien in hun materiële belangen.8 Als een entrepreneurial lawyer9 een stichting opricht die tot doel heeft slachtoffers van een misstand bij te staan (claimstichting) dan is de kans groot dat het achterliggende doel is het voorzien van opdrachten en inkomsten voor het kantoor van de oprichtende advocaat.10
De toets of sprake is van een verboden uitkering bestaat daardoor in feite uit twee stappen:
is het achterliggende doel van de stichting het doen van uitkeringen? Zo ja,
is de uitkering verboden? Dat wil zeggen, de uitkering heeft geen ideële of sociale strekking of is gedaan aan een oprichter of aan een persoon die deel uitmaakt van de organen van de stichting.
Pas als beide vragen met ‘ja’ worden beantwoord, is sprake van een verboden uitkering. Een mooi voorbeeld van entrepreneurial lawyering is Stichting Lipstick Effect waarover Lemstra schreeft.11 Deze stichting had tot doel de behartiging van de belangen van benadeelde aandeelhouders van World Online NV. De stichting werd opgericht en bestuurd door twee advocaten; de stichting kent geen toezichthoudend orgaan. De twee advocaten geven vervolgens kantoorgenoten opdracht namens deze stichting op te treden.
Naar mijn mening is het achterliggende doel van deze stichting het doen van uitkeringen. Omdat dit geen uitkeringen van sociale of ideële strekking zijn, is sprake van een verboden uitkering.
Voor de stichting die tot (achterliggend) doel heeft een kunstverzameling in stand te houden, speelt het leerstuk van de verboden uitkering niet, zelfs niet als zij incidenteel een uitkering doet. Anders is het echter als de kunststichting wél is bedoeld om uitkeringen te doen. Dan pas komt de vraag aan de orde of de gedane uitkering een verboden uitkering is.
Bij de gedachte dat het doel van een stichting vaak een last is, mag het vorenstaande niet uit het oog worden verloren.