Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/87:87 Verhouding litispendentieregeling tot overige bevoegdheidsbepalingen
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/87
87 Verhouding litispendentieregeling tot overige bevoegdheidsbepalingen
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS507686:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 27 juni 1991, zaak C-351/89, Jur. 1991, p. I-3317, NJ 1993/527 m.nt. JCS (Overseas Union), r.o. 26.
HvJEU 3 april 2014, C-438/12, nng (Weber).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zijn er situaties denkbaar waarin de rechter geen toepassing behoeft te geven aan de regel van art. 29 EEX-Vo II? Over de verhouding tussen de litispendentieregeling en de overige bevoegdheden heeft het HvJ in het arrest Overseas Union het volgende overwogen:
‘(…) behoudens het geval waarin het laatst aangezochte gerecht beschikt over een van de exclusieve bevoegdheden die in het EEX, en met name in art. 16 daarvan, worden genoemd, art. 21 EEX aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer de bevoegdheid van het eerst aangezochte gerecht wordt betwist, het laatst aangezochte gerecht, indien het niet tot verwijzing overgaat, slechts zijn uitspraak mag aanhouden en de bevoegdheid van het eerst aangezochte gerecht niet zelf mag onderzoeken.’1
De rechter bij wie de zaak het laatst is aangebracht diende op grond van art. 21 EEX-Verdrag (thans art. 29 EEX-Vo II) partijen ambtshalve te verwijzen naar het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt. Aanhouden van de uitspraak kon alleen indien de bevoegdheid van de eerst aangezochte rechter werd betwist. Belangrijker dan deze kwestie is dat het HvJ heeft aangegeven hoe de verhouding ligt tussen art. 29 EEX-Vo II en de overige bevoegdheidsgronden. De exclusieve bevoegdheden van art. 24 EEX-Vo II vormen een uitzondering op de toepassing van art. 29 EEX-Vo II. De laatst aangezochte rechter die exclusief bevoegd is onder art. 24 EEX-Vo II behoeft zijn uitspraak niet aan te houden in verband met art. 29 lid 1 EEX-Vo II: art. 24 EEX-Vo II gaat boven art. 29 EEX-Vo II. Het HvJ heeft dit bevestigd in het arrest Weber. Indien de laatst aangezochte rechter exclusief bevoegd is op basis van art. 24 EEX-Vo II mag deze rechter zijn uitspraak niet langer aanhouden of zich onbevoegd verklaren, maar moet deze (exclusief bevoegde) rechter op de bij hem aanhangige zaak ten gronde beslissen.2