Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.5.3.3
II.5.3.3 Verhouding medeplegen tot medeplichtigheid
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460228:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreider hierover o.a. De Hullu 2018, p. 504.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis (Overzichtsarrest medeplegen), in de annotatie onder nr. 10. Zie ook De Hullu 2018, p. 494.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis (Overzichtsarrest medeplegen), r.o. 3.2.2.
Jörg, Kelk & Klip 2019, p. 174, 184-187.
HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4434, NJ 2002/517. Wolswijk 2007c, par. 8.3.3. Let wel: ook bij nalaten moet de medeplichtige alsnog opzet hebben op het grondfeit.
Wolswijk 2007c, p. 185; De Hullu 2018, p. 503.
De Hullu 2018, p. 503.
De Hullu 2018, p. 504.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis (Overzichtsarrest medeplegen), r.o. 3.2.1.
Zijn vader is overigens wel veroordeeld voor genoemde delicten; Rb. Limburg 22 november 2017 ECLI:NL:RBLIM:2017:11471 (Directeur Edelchemie); in dat arrest is overigens ook te lezen dat de zoon soms wel betrokken was bij het vervaardigen van verf, maar kennelijk onvoldoende om te worden aangemerkt als medepleger. Rb. Limburg 22 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:11323.
Voor een goed begrip van de ondergrens van medeplegen, is het nuttig om ook stil te staan bij medeplichtigheid (art. 48 Sr). Er is namelijk sprake van een vloeiende overgang tussen medeplegen en medeplichtigheid.1 Wanneer de bijdrage van de aangesprokene van onvoldoende gewicht was of het opzet lichter (of het meerdere kan niet worden aangetoond), dan kan worden teruggevallen op medeplichtigheid.
Tegelijkertijd hebben deze twee aansprakelijkheidsfiguren een verschillend karakter. Mevis karakteriseert medeplegen als ‘meedoen’, en medeplichtigheid als ‘het misdrijf dat een ander begaat, bevorderen of vergemakkelijken’.2 Medeplichtigheid wordt geassocieerd met gedragingen zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht, of in ieder geval gedragingen die niet samenvallen met de uitvoering van de strafbare gedraging.3 Het initiatief tot het begaan van een strafbaar feit, zal niet bij de medeplichtige maar bij een dader liggen.4 Relevant in het kader van de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, is dat de medeplichtigheid ook passief kan zijn, bijvoorbeeld omdat er een rechtsplicht bestond om in te grijpen maar de leidinggevende een oogje toegeknepen heeft.5 Voor medeplichtigheid is ook geen nauwe en bewuste samenwerking nodig; degene die het misdrijf feitelijk begaat hoeft zich zelfs niet bewust te zijn van de bijdrage van de medeplichtige.6 Aangezien de medeplichtige een deelnemer is, geldt voor deze aansprakelijkheidsfiguur wel het accessoriteitsvereiste én het dubbele opzetvereiste. De medeplichtige moet daarom zowel opzet hebben op de deelnemingshandeling als op het grondfeit. Toch is er bij medeplichtigheid qua opzet minder nodig dan bij medeplegen: de medeplichtige hoeft ‘slechts’ behulpzaam te willen zijn bij het begaan van het strafbare feit.7
Het verwijt dat de medeplichtige gemaakt wordt is dus lichter dan dat aan daders, maar deze vorm van deelneming is nog wel strafwaardig. Dit vertaalt zich in een lager strafmaximum (art. 49 lid 1 Sr). Bovendien is alleen medeplichtigheid aan misdrijven strafbaar (art. 52 Sr). Vanwege dit bijzondere accessoriteitsvereiste volgt er vrijspraak voor medeplichtigheid aan een overtreding. Omdat de medeplichtige niet – zoals de dader – aansprakelijk wordt gesteld voor het volle gewicht van het voorgevallen strafbare feit, spreekt De Hullu van de buitengrens van strafrechtelijke aansprakelijkheid.8
Gelet op het verschil in strafmaat en karakter van de aansprakelijkheidsfiguren, dient het Openbaar Ministerie een aansprakelijkheidsfiguur te kiezen die het best past bij het verwijt dat de verdachte gemaakt wordt. De Hoge Raad merkt in het overzichtsarrest over medeplegen op dat als het Openbaar Ministerie uitsluitend het medeplegen en niet ook de medeplichtigheid ten laste legt, en medeplegen niet kan worden bewezen, dat de rechter moet vrijspreken, ook al zou vaststaan dat de verdachte medeplichtig was aan het feit.9
Een werknemer van Edelchemie (tevens zoon van de bestuurder en eigenaar van het bedrijf ) kon niet worden aangesproken als medepleger. De werknemer hield zich slechts bezig met hand- en spandiensten op het terrein en het verkopen van verf. De rechtbank overwoog dat het voor medeplegen onvoldoende is dat de zoon wist wat zich op het terrein afspeelde, en dat deze een arbeidsovereenkomst had bij het bedrijf. De werknemer had formeel en feitelijk geen zeggenschap over de verweten gedragingen. Het gedrag van de werknemer werd gekarakteriseerd als behulpzaamheid, en medeplichtigheid was niet ten laste gelegd, dus ging de werknemer vrijuit.10