Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.4.2
4.2 Vruchten van privégoederen
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948290:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/175; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/295; De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 147-148; B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR2) 2011, p. 31 en Pitlo/Van der Burght & Doek, Personen- en familierecht 2002/316. Zie anders A.L.G.A. Stille, ‘(On)gemene vruchten en de uitsluitingsclausule in het nieuwe erfrecht’, WPNR 2005/6618. Stille wijst in dit kader op de gevolgen van het gesloten stelsel in het erfrecht van artikel 4:42 lid 1 BW. Zie hierover ook paragraaf 5.2.5 van hoofdstuk 6.
Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 867, B, p. 5; Kamerstukken II 2002/03, 28 867, nr. 3, p. 21 en Handelingen II 2007/08, 28 867, nr. 68, p. 4757.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 6, p. 16.
Zie paragraaf 5.2.5 en 5.3.5 van hoofdstuk 6.
Zie bijvoorbeeld S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/18. Zie tevens L.H.M. Zonnenberg, ‘Wetsvoorstel beperking goederengemeenschap: een kritische noot!’, EB 2014/92, par. 2.3.
Vgl. Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/147.
Zie voor de kwalificatie van delfstoffen als vruchten van grond (bodem) Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/77, onder verwijzing naar P.C. van Es, Vruchtgebruik (Mon. BW nr. B10) 2020/23.
416. Op grond van de eerste zin van artikel 1:94 lid 6 BW vallen ook buiten de beperkte huwelijksgemeenschap de vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen. Hetzelfde geldt op grond van artikel 1:94 lid 4 oud BW voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen. Onder het recht zoals dat vóór 1 januari 2012 gold, was omstreden of vruchten van krachtens uitsluitingsclausule verkregen goederen buiten de huwelijksgemeenschap konden blijven indien dit middels de uitsluitingsclausule uitdrukkelijk door de erflater of schenker was bepaald. De heersende opvatting was dat dit mogelijk was, maar was aan de vruchten géén uitsluitingsclausule verbonden dan vielen deze – bij gebreke van een regeling zoals die van artikel 1:94 lid 6 BW – in de wettelijke gemeenschap van goederen.1 Met de invoering van artikel 1:94 lid 4 oud BW heeft de wetgever hier een einde willen maken.2 Deze regel heeft de wetgever vervolgens bij invoering van de Wet beperking gemeenschap van goederen ongewijzigd in artikel 1:94 lid 6 BW overgenomen. Daarbij heeft deze regel, vanwege de beperking van de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen, een veel grotere materiële reikwijdte gekregen dan hij daarvóór had.3 In hoofdstuk 6 is reeds uiteengezet dat een erflater of schenker de regeling van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW naar mijn mening niet kan doorbreken.4 De vruchten van goederen die buiten de huwelijksgemeenschap vallen kwalificeren als zuiver toekomstige goederen. De erflater of schenker kan dus niet over die vruchten beschikken, en kan daar dus ook geen in- of uitsluitingsclausule aan verbinden. Aldus geldt in alle gevallen dat de vruchten van goederen die buiten de huwelijksgemeenschap vallen op grond van artikel 1:94 lid 4 oud BW/artikel 1:94 lid 6 BW eveneens buiten de huwelijksgemeenschap vallen, óók als de erflater of schenker dat niet zou willen. Wel kunnen de echtgenoten zélf bij huwelijkse voorwaarden van deze regeling afwijken. Verwezen wordt naar hetgeen daar in paragraaf 5.2.5 en 5.3.1 van hoofdstuk 6 reeds over is opgemerkt.
417. In de literatuur worden artikel 1:94 lid 4 oud en artikel 1:94 lid 6 BW ten aanzien van vruchten regelmatig als een regeling van zaaksvervanging aangeduid.5 Dat is in de meeste gevallen niet terecht. Dat komt doordat de afscheiding van vruchten meestal niet leidt tot het verlies, of een (relevante) aantasting, van het oorspronkelijke goed. Dat heeft tot gevolg dat ook de goederenrechtelijke rechtsbetrekking waarin dat goed stond niet bedreigd wordt. Er dreigt bij de afscheiding van vruchten dus geen goederenrechtelijke rechtsbetrekking te worden aangetast waardoor een verarming van de een en een verrijking van de ander dreigt. Voor ingrijpen via een regeling van zaaksvervanging is dus geen plaats.6 Dat zal slechts anders zijn wanneer de afscheiding van vruchten of bestanddelen wél tot een (relevante) aantasting van het oorspronkelijke goed leidt. Dat is bijvoorbeeld het geval bij delfstoffen als vruchten van een perceel grond dat tot het privévermogen van een echtgenoot hoort.7 In dat geval kan niet worden gezegd dat de grond die deze vruchten voortbrengt geheel behouden blijft. Door het delven van de grondstoffen wordt de grond steeds minder waard. Daarbij worden nieuwe goederen verkregen (de delfstoffen), welke verkrijging in direct causaal verband staat met het ‘verlies’ van de waarde van het oorspronkelijke goed (de grond). Op grond van de werking van boedelmenging gaan de gedolven grondstoffen in beginsel tot de huwelijksgemeenschap behoren. Daardoor wordt de echtgenoot wiens eigen vermogen het betreft verarmd ten gunste van de huwelijksgemeenschap, welke vermogensverschuiving buiten toedoen van die betreffende echtgenoot om (want door boedelmenging) wordt veroorzaakt. Om die reden is het gerechtvaardigd dat de nieuw verkregen goederen (de delfstoffen) eveneens buiten de huwelijksgemeenschap vallen. De basis voor dit ingrijpen is dan gelegen in artikel 1:94 lid 4 oud BW/artikel 1:94 lid 6 BW. In die gevallen zou het bepaalde in artikel 1:94 lid 6 BW als een regeling van zaaksvervanging kunnen worden gezien. In de meeste andere gevallen zal van het verlies van een oorspronkelijk privégoed echter geen sprake zijn. Dat neemt niet weg dat de regeling van artikel 1:94 lid 4 oud BW/artikel 1:94 lid 6 BW óók in die gevallen onverminderd geldt. In dat geval kwalificeren deze bepalingen echter niet als een regeling van zaaksvervanging, maar als een extra wettelijke uitzondering op de werking van boedelmenging.